Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:2198

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
10-04-2020
Datum publicatie
01-05-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 558
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres heeft verweerder verzocht om handhavend op te treden met betrekking op activiteiten op het buurperceel van eiseres. Eiseres betoogt dat verweerder ten onrechte alleen tegen de aanwezige fruitkisten is opgetreden.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond omdat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit geen concreet zicht op legalisatie bestond ten aanzien van de spuitzone. Daarom heeft verweerder het verzoek om handhaving op dat punt niet mogen afwijzen. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit in zoverre. Verweerder zal ten aanzien van de spuitzone opnieuw op het verzoek om handhaving van eiseres moeten beslissen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/558

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente West Betuwe (voorheen: gemeente Geldermalsen) te Geldermalsen, verweerder.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde-partij], te [woonplaats] .

Procesverloop

Bij besluit van 7 juni 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder een last onder dwangsom opgelegd aan de derde-partij.

Bij besluit van 20 december 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder naar aanleiding van het bezwaar van eiseres het primaire besluit met aanvulling van de motivering in stand gelaten.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2020. De rechtbank heeft de zaak ter zitting, tezamen met zaak 19/1347 behandeld. Na de zitting zijn de zaken gesplitst en zal in de zaken afzonderlijk uitspraak worden gedaan.

Eiseres is verschenen. Namens verweerder zijn L.C. van ’t Hof en P.H. Spée verschenen.

De derde-partij is met [naam] verschenen.

Overwegingen

In de bijlage bij de uitspraak staan de in de uitspraak genoemde artikelen.

1. Eiseres heeft op 18 september 2017 verweerder verzocht om handhavend op te treden tegen activiteiten op het perceel van de derde-partij, [perceel] . Dit perceel grenst aan het perceel van eiseres.

Verweerder heeft vervolgens het perceel van de derde-partij gecontroleerd en heeft meerdere overtredingen vastgesteld. Verweerder heeft bij besluit van 9 januari 2018 het verzoek om handhaving van eiseres toegewezen. Op 8 januari 2018 is aan de derde-partij een voornemen tot handhavend optreden verzonden. Verweerder heeft op 3 april 2018 besloten om aan de derde-partij een last onder dwangsom op te leggen. Deze last onder dwangsom zag op het verwijderen en verwijderd houden van:

  1. de schaftwagen/ pipowagen.

  2. de opgeslagen fruitkisten.

  3. de opgeslagen boomstammen.

  4. het zonder omgevingsvergunning aangelegde pad tussen de stelconplaten en de uitrit [uitrit] , of het indienen van een ontvankelijke aanvraag voor een omgevingsvergunning voor dit pad.

  5. de binnen een afstand van 50 meter tot nabij gelegen woningen aangeplante fruitbomen, zodat voldoende afstand wordt gehouden in verband met gebruik van gewasbeschermingsmiddelen.

Op 11 april 2018 heeft de burgemeester met de derde-partij gesproken. Daarbij wilde hij het besluit van 3 april 2018 aan de derde-partij bekendmaken door het aan hem uit te reiken. Omdat de derde-partij op dat moment heeft aangegeven te willen voldoen aan de opgesomde lasten is het besluit van 3 april 2018 niet uitgereikt en verzonden. Verweerder heeft in het besluit van 19 april 2018 de opschorting van de last onder dwangsom vastgelegd.

Vervolgens is in het besluit van 7 juni 2018 (het primaire besluit) vastgesteld dat de derde-partij aan de lasten, zoals opgenomen in het besluit van 3 april 2018, heeft voldaan, behalve aan de last met betrekking tot het verwijderen van de fruitkisten. Daarom heeft verweerder het besluit van 3 april 2018 ingetrokken en is alleen tegen de fruitkisten handhavend opgetreden. De opgestapelde fruitkisten zijn volgens verweerder een bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning is verleend1. Verweerder heeft de derde-partij gelast om de overtreding ongedaan te maken door de bouwwerken (fruitkisten) van [perceel] , te verwijderen en verwijderd te houden. Er is aan de derde-partij een begunstigingstermijn gegeven tot 1 september 2018. Indien de derde-partij niet voor die datum aan de last heeft voldaan verbeurt hij dwangsom van € 2.500 ineens.

2. De in geding zijnde gronden liggen binnen het bestemmingsplan “Buitengebied, derde herziening”. De gronden hebben de bestemming “facetherziening”. Op grond van artikel 3 van het bestemmingsplan “Buitengebied, derde herziening” blijven binnen dit bestemmingsplan de regels en bijlagen als bedoeld in artikel 1 onder 1.2 van toepassing. Dat betekent dat de regels van het bestemmingsplan “Buitengebied” (ook) van toepassing zijn.

3. Eiseres voert aan dat verweerder ten onrechte alleen tegen de fruitkisten handhavend is opgetreden en dat de gehanteerde begunstigingstermijn te ruim is. Volgens eiseres had ook handhavend moeten worden opgetreden tegen de aanwezige boomstammen op het perceel, het aanwezige pad, de fruitbomen die op te korte afstand van haar perceel staan zodat overlast ontstaat als de boomgaard gespoten wordt met bestrijdingsmiddelen (spuitzone) en de wateroverlast die wordt veroorzaakt door de beregeningsinstallatie van derde-partij.

boomstammen

4. Eiseres voert aan dat de op [perceel] opgeslagen boomstammen ten tijde van het nemen van het bestreden besluit (20 december 2018) nog wel aanwezig waren. De derde-partij gebruikt dat hout volgens eiseres voor zijn houtkachel.

4.1.

In het controlerapport van de toezichthouder van verweerder van

5 september 2018, dat ziet op [perceel] , staat dat: “Ter plaatse is geconstateerd dat de fruitkisten zijn verwijderd op twee kisten na. Vermoedelijk worden deze kisten nog als houtafval afgevoerd.” Uit het controlerapport volgt dat er geen sprake meer is van opgeslagen boomstammen op [perceel] . Verweerder heeft ter zitting ook verklaard dat er geen boomstammen meer zijn aangetroffen op [perceel] . Eiseres heeft geen foto’s overgelegd waaruit blijkt dat de boomstammen op de datum van het bestreden besluit nog wel op [perceel] aanwezig waren. Ze heeft ook niet aangegeven dat ze op een andere plaats van dat perceel liggen dan de opslagplaats. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder de controle van

5 september 2018 aan het bestreden besluit ten grondslag heeft kunnen leggen en heeft kunnen concluderen dat deze overtreding is beëindigd. De beroepsgrond slaagt niet.

pad

5. Eiseres stelt dat verweerder haar verzoek om handhaving ten aanzien van het pad niet had mogen weigeren. Aangezien er in haar beleving geen omgevingsvergunning voor kon worden verleend, bestond er geen zicht op legalisatie.

5.1.

Om van handhaving af te kunnen zien, moet (uiterlijk) op het moment van het nemen van de beslissing op bezwaar op het handhavingsbesluit zijn voldaan aan de vereisten voor concreet zicht op legalisatie. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 5 augustus 20152. De omgevingsvergunning voor het pad is op 19 juni 2018 verleend. Dat betekent dat er voordat het bestreden besluit is genomen al een legaliserende omgevingsvergunning was. Verweerder heeft daarom terecht kunnen oordelen dat sprake was van zicht op legalisatie. De beroepsgrond slaagt niet.

spuitzone

6. Eiseres voert aan dat verweerder ten onrechte niet heeft gehandhaafd ten aanzien van de spuitzone.

6.1.

Uit vaste rechtspraak van de Afdeling3 volgt dat de omstandigheid dat enkel een aanvraag was ingediend voor een omgevingsvergunning voor de spuitzone niet betekent dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit sprake was van concreet zicht op legalisatie. Dat komt omdat op dat moment nog geen begin was gemaakt met de voor het verlenen van die omgevingsvergunning vereiste procedure. Ter zitting is aangegeven dat verwacht wordt dat een ontwerpbesluit pas in januari 2020 ter inzage kan worden gelegd. Dat betekent dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit geen concreet zicht op legalisatie bestond op grond waarvan verweerder het verzoek om handhaving kon afwijzen. De beroepsgrond slaagt. De rechtbank zal het bestreden besluit in zoverre vernietigen. Verweerder zal ten aanzien van de spuitzone opnieuw op het verzoek om handhaving van eiseres moeten beslissen.

wateroverlast

7. Voor zover eiseres heeft aangevoerd dat verweerder had moeten optreden tegen de door haar ervaren wateroverlast volgt de rechtbank dat niet. Het ervaren van wateroverlast door de beregeningsinstallatie van derde-partij maakte geen onderdeel uit van het verzoek om handhaving van eiseres en kan daarom niet worden meegenomen in deze procedure. De beroepsgrond slaagt niet.

begunstigingstermijn

8. Eisers voert aan dat alles te lang duurt omdat verweerder aan de derde-partij steeds uitstel verleent. Eiseres voert aan dat de begunstigingstermijn met betrekking tot de fruitkisten te lang is.

8.1.

Verweerder heeft aangegeven dat voor de fruitkisten een begunstigingstermijn tot

1 september 2018 is gekozen omdat er een gebrek was aan de vloer van de loods waar de fruitkisten naartoe verplaatst zouden worden en er dus geen sprake was van onwil aan de zijde van de derde-partij. Daarom was deze ruimere begunstigingstermijn volgens verweerder op zijn plaats. De rechtbank ziet gelet op deze motivering geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de begunstigingstermijn te ruim is. De beroepsgrond slaagt niet.

9. De overige door eiseres aangevoerde gronden zien veelal op civielrechtelijke zaken en kunnen daarom niet in deze procedure worden behandeld. Dat geldt ook voor het verzoek van eiser om verweerder aansprakelijk te stellen voor de kosten die zij heeft gemaakt voor een advocaat.

10. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. De rechtbank geeft ten overvloede aan dat het door eiseres na het sluiten van de zitting ingediende verzoek om vergoeding van proceskosten te laat is ingediend. Daarnaast zouden deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking zijn gekomen omdat eiseres in de beroepsprocedure niet is bijgestaan door een professionele rechtsbijstandsverlener.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op het onderdeel van het verzoek om handhaving met betrekking tot de spuitzone;

  • -

    draagt verweerder op met betrekking tot dit onderdeel een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen;

  • -

    bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 174 aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. M.S.T. Belt, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. M.H. Dijkman, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Deze uitspraak is gedaan op de bovenaan de uitspraak vermelde datum. Als gevolg van maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

Bijlage

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.1

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

Artikel 2.3a

1. Het is verboden een bouwwerk of deel daarvan dat is gebouwd zonder omgevingsvergunning in stand te laten.

1 Dat is een overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a in samenhang met artikel 2.3a, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

2 ECLI:NL:RVS:2015:2523.

3 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 3 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:228.