Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:2064

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
27-03-2020
Datum publicatie
30-03-2020
Zaaknummer
05/841130-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering TUL wordt gedeeltelijk toegewezen, zodat veroordeelde de gelegenheid krijgt alsnog mee te werken aan de bijzondere voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

politierechter

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/841130-17

beslissing ex artikel 6:6:21 van het Wetboek van Strafvordering van de politierechter naar aanleiding van de op 2 maart 2020 ingekomen vordering

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[veroordeelde] , geboren op [geboortedag veroordeelde] 1988 te [geboorteplaats veroordeelde] , wonende te [verblijfadres veroordeelde] ,

thans gedetineerd te [detentieadres veroordeelde] ,

raadsvrouw: mr. N. Tanoğlu, advocaat te Arnhem.

1 De procedure

Vanwege het coronavirus en de in verband daarmee door de Rijksoverheid en de Rechtspraak genomen maatregelen is de rechtbank gesloten en kan de zaak niet op een openbare terechtzitting worden behandeld. Gelet op de door de rechter-commissaris toegewezen vordering tot voorlopige tenuitvoerlegging, is de beslissing op onderhavige vordering urgent. Daarom heeft de rechtbank er naar gestreefd de doelen en belangen die gediend zijn met een openbare behandeling zoveel mogelijk te borgen, door de betrokken procespartijen op voorhand te informeren en van hen voorafgaand aan de zitting (per e-mail) standpunten in te winnen. De situatie van een anders openbare terechtzitting heeft de rechtbank aldus zoveel mogelijk nagebootst.

De officier van justitie en de raadsvrouw zijn in de gelegenheid gesteld om hun standpunten schriftelijk naar voren te brengen.

Veroordeelde heeft schriftelijk afstand gedaan van zijn recht om op de vordering tot tenuitvoerlegging te worden gehoord. Er heeft dan ook geen gehoor plaatsgevonden.

2 De feiten

De politierechter heeft kennisgenomen van de navolgende stukken:

- Het vonnis van de rechtbank Gelderland van 15 februari 2018 waarbij veroordeelde is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 274 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 180 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met de bijzondere voorwaarden dat veroordeelde:

zich uiterlijk binnen twee dagen na het ingaan van de proeftijd zal melden bij de verslavingsreclassering Vincent van Gogh te Venray en gedurende de proeftijd zich zal blijven melden bij deze instelling, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;

zich laat opnemen in de Rooyse Wissel of een soortgelijke zorginstelling en zich daar ambulant zal laten behandelen, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de huisregels en aan de aanwijzingen die in het kader van die behandeling door of namens de behandelaars van die instelling zullen worden gegeven. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling. De opname duurt zo lang als de reclassering noodzakelijk acht. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing;

zal meewerken aan klinische opname ter detoxificatie voor de duur van maximaal 7 weken, indien de reclassering dit noodzakelijk acht.

- De beslissing van de rechtbank Gelderland van 14 augustus 2018 waarbij een eerdere vordering tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 15 februari 2018 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf gedeeltelijk, te weten voor de duur van 60 dagen, is toegewezen (en voor het overige is afgewezen).

- Een advies aan opdrachtgever toezicht – tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf – van verslavingsreclassering GGZ Iriszorg Toezichtunit Arnhem, gedateerd 28 februari 2020, waarin wordt gerapporteerd dat veroordeelde onvoldoende heeft meegewerkt aan de voorwaarden, dan wel dat hij zich niet heeft gehouden aan de voorschriften en aanwijzingen van de reclassering, met het advies om – ex artikel 6:6:20 WvSv – over te gaan tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke strafdeel.

- Het nader advies van [de reclasseringswerker] van verslavingsreclassering GGZ IrisZorg Arnhem, gedateerd 24 maart 2020, waarin wordt geadviseerd over te gaan tot een gedeeltelijke tenuitvoerlegging, te weten zes weken, van het voorwaardelijke strafdeel.

- Het bevel tot voorlopige tenuitvoerlegging ex artikel 6:6:20 van het Wetboek van Strafvordering van de rechter-commissaris van 2 maart 2020.

- De email van de officier van justitie van 26 maart 2020.

- De emails van de raadsvrouw van achtereenvolgens 25, 26 en 27 maart 2020.

De officier van justitie heeft per e-mail bericht af te zien van repliek.

3 Het schriftelijk standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft met inachtneming van het toezichtsrapport van de reclassering en de verklaring van veroordeelde bij de rechter-commissaris op 2 maart 2020, per e-mail gevorderd dat een deel van 120 dagen van de niet ten uitvoer gelegde gevangenisstraf, te weten 9 weken, alsnog zal worden tenuitvoergelegd en dat de vordering voor het overige wordt afgewezen.

De officier van justitie neemt daarbij in acht dat de reclassering heeft aangegeven dat veroordeelde door herhaaldelijk speedgebruik psychotisch gedrag heeft vertoond. Daardoor is een onhoudbare situatie ontstaan, waarin veroordeelde de door de rechtbank opgelegde bijzondere voorwaarden heeft overtreden en waarin het toezicht niet langer kon worden vervolgd.

De officier van justitie neem voorts in acht dat de reclassering heeft vastgesteld dat sprake is van een hoog recidiverisico, zodat hulpverlening nog steeds noodzakelijk is en dat het in het belang van veroordeelde is dat de reeds bij bijzondere voorwaarde opgelegde klinische opname doorgang kan vinden. Zij merkt daarbij op dat ook het gevaar op herhaling daardoor wordt teruggedrongen. Veroordeelde heeft bij de rechter-commissaris reeds te kennen gegeven gemotiveerd te zijn voor die klinische opname.

Tot slot neemt de officier van justitie in acht dat veroordeelde op 26 maart 2020 reeds 25 dagen van zijn nog openstaande strafdeel heeft uitgezeten en dat [de reclasseringswerker] op 24 maart 2020 te kennen heeft gegeven dat een klinische opname over ongeveer zes weken gerealiseerd kan worden. Gelet op de kwetsbaarheid van veroordeelde, acht de officier van justitie het noodzakelijk dat veroordeelde in detentie blijft, met name om te voorkomen dat hij op straat komt te staan, maar ook om het verdere verloop van het toezicht niet nadelig te beïnvloeden.

4 Het schriftelijk standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft in haar op 27 maart 2020 per e-mail naar voren gebracht standpunt verzocht de vordering slechts gedeeltelijk, te weten voor de duur van 60 dagen, toe te wijzen.

De raadsvrouw merkt daarbij op dat het wenselijk is dat het toezicht wordt gecontinueerd en dat veroordeelde aansluitend aan de detentie wordt geplaatst in de DD kliniek te Wolfheze, of een soortgelijke instelling. Na 7 weken kan veroordeelde dan worden doorgeleid naar een beschut wonen-plek. De verdediging stelt zich, ondanks de huidige beperkingen voor het systeem in verband met de uitbraak van het Coronavirus, op het standpunt dat na een totale detentieperiode van 60 dagen (door de verdediging berekend: tot 1 mei 2020) een opname in een kliniek kan worden gerealiseerd.

De raadsvrouw merkt nog op dat niet wenselijk is dat veroordeelde na een periode van detentie zonder toezicht, begeleiding of helder behandelkader op straat komt te staan en dat instellingen met een uitspraak van de politierechter kunnen worden bewogen om de plaatsing van veroordeelde in een kliniek te realiseren.

5 De motivering van de beslissing

Uit het rapport van de Reclassering volgt dat veroordeelde zich niet heeft gehouden aan de bijzondere voorwaarden. Op 15 januari 2020 is hij zonder berichtgeving niet verschenen op de meldplichtafspraak bij de reclassering en op 27 februari heeft hij agressief en grensoverschrijdend gedrag vertoond bij [de maatschappelijke opvang] van IrisZorg. Wegens speedgebruik en blowen is veroordeelde psychotisch geworden en heeft hij binnen de woonvoorziening met spullen gegooid, kortsluiting gemaakt en zijn kamer op de kop gezet. Omdat veroordeelde reeds eerder, op 21 februari 2020, psychotisch is geworden door drugsgebruik bij [de maatschappelijke opvang] , is zijn verblijfszorg aldaar op 28 februari 2020 beëindigd. Veroordeelde heeft op diezelfde datum te kennen gegeven niet mee te willen werken aan een klinische opname.

Gelet op deze omstandigheden stelt de politierechter vast dat veroordeelde geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, dat hij niet heeft meegewerkt aan de verplichting om te verblijven in een instelling voor maatschappelijke opvang en/of ambulante zorg, en dat hij niet heeft meegewerkt aan de klinische opname voor de maximale duur van 7 weken. Veroordeelde heeft daarmee de hem bij voorwaardelijke veroordeling opgelegde bijzondere voorwaarden overtreden. Om die reden is de politierechter van oordeel dat de vordering van de officier van justitie gedeeltelijk moet worden toegewezen.

De politierechter zal de vordering deels toewijzen, in die zin dat hij voor een gedeelte, te weten 60 dagen gevangenisstraf, de tenuitvoerlegging zal gelasten. Voor het overige zal de vordering worden afgewezen. Op die manier kan op grond van dezelfde bijzondere voorwaarden alsnog het ingezette traject worden gevolgd. Na de detentieperiode kan veroordeelde klinisch worden opgenomen en direct daarna naar een begeleid woontraject worden geleid. Veroordeelde krijgt daarmee de kans alsnog mee te werken aan de bijzondere voorwaarden. Bij de rechter-commissaris heeft hij reeds aangegeven dat hij daartoe bereid is.

De politierechter heeft bij de beslissing de van toepassing zijnde artikelen van het Wetboek van Strafvordering in aanmerking genomen.

6 De beslissing

De politierechter:

Wijst de vordering ten dele toe.

Gelast de gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de meervoudige strafkamer te Gelderland, van 15 februari 2018 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen.

Wijst de vordering voor het overige af.

Heft op het bevel tot voorlopige tenuitvoerlegging.

Deze beslissing is genomen door mr. D.R. Sonneveldt, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Geurts en uitgesproken op 27 maart 2020. De rechter en de griffier zijn buiten staat te ondertekenen. Daarom is in opdracht getekend door een dienstdoende tekenrechter.

Tekenrechter: mr. M.A. van Leeuwen

De openbaarheid van deze beslissing wordt geborgd doordat de beslissing aan (de raadsvrouw van) veroordeelde (en eventuele andere procesdeelnemers) kenbaar wordt gemaakt en overigens door spoedige publicatie op www.rechtspraak.nl.