Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:2037

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
27-03-2020
Datum publicatie
27-03-2020
Zaaknummer
05/150234-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte wegens ontuchtige handelingen, waaronder het seksueel binnendringen in het lichaam van het slachtoffer, tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en oplegging van de bijzondere voorwaarden. De vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen tot een bedrag van € 8.385,00 en voor het overige niet-ontvankelijk verklaard. (Artikelen 245 en 247 van het Wetboek van Strafrecht).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer: 05/150234-19

Datum uitspraak : 27 maart 2020

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag 1] 1986 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .

Raadsman: mr. G.W. Roest, advocaat te Arnhem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 13 maart 2020.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 15 december 2009 tot 15 december 2013 te Lunteren, althans in Nederland, met [benadeelde] , geboren op [geboortedag 2] 1997, die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren had

bereikt, buiten echt, (telkens) een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die

bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die

[benadeelde] , te weten:

 het brengen/duwen van zijn, verdachtes penis in de mond van die [benadeelde] ;

2.

hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 15 december 2009 tot met 15 december 2013 te Lunteren, althans in Nederland, met [benadeelde] , geboren op [geboortedag 2] 1997, die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren had

bereikt, buiten echt, (telkens) een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten:

 het brengen van zijn, verdachtes hand in de broek, ter hoogte van de penis van die [benadeelde] en/of

 het betasten van en/of wrijven over de penis van die [benadeelde] en/of

 het aftrekken van de penis van die [benadeelde] en/of

 het brengen/duwen van zijn, verdachtes penis tegen de anus van die [benadeelde] en/of

 het (tong) zoenen van die [benadeelde] en/of

 het in de mond nemen/pijpen van de penis van die [benadeelde] en/of

 het door die [benadeelde] laten brengen/duwen van diens penis in zijn, verdachtes anus.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Het vierde feitelijke onderdeel van feit 2 (het brengen/duwen van verdachtes penis tegen de anus van die [benadeelde] ) acht de rechtbank niet bewezen. Aangever heeft hierover weliswaar verklaard dat het wel gebeurd is, maar verdachte heeft het ontkend. Daarmee staan deze verklaringen tegenover elkaar. Wat de doorslag heeft gegeven, is enerzijds dat verdachte gemotiveerd heeft aangegeven waarom dat niet gebeurd is (namelijk dat aangever dat per se niet wilde en het als ‘traumatisch’ zou ervaren) en anderzijds dat aangever geen enkele seksuele ervaring had en wellicht (begrijpelijk) in de veronderstelling was dat dit gebeurde of zou gebeuren, terwijl het in feite niet gebeurd is. Al met al heeft de rechtbank op dit onderdeel niet de overtuiging dat het gebeurd is.

Voor het overige is er sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde] , pagina’s 20, 25, 26 en 27;

- de daarbij gevoegde whatsapp gesprekken van december 2014 tot april 2015;

- het proces-verbaal van verhoor van [getuige] , p. 72 e.v.

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 13 maart 2020.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 15 december 2009 tot 15 december 2013 te Lunteren, althans in Nederland, met [benadeelde] , geboren op [geboortedag 2] 1997, die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren had

bereikt, buiten echt, (telkens) een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die

bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die

[benadeelde] , te weten:

 het brengen/duwen van zijn, verdachtes penis in de mond van die [benadeelde] ;

2.

hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 15 december 2009 tot met 15 december 2013 te Lunteren, althans in Nederland, met [benadeelde] , geboren op [geboortedag 2] 1997, die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren had

bereikt, buiten echt, (telkens) een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten:

 het brengen van zijn, verdachtes hand in de broek, ter hoogte van de penis van die [benadeelde] en/of

 het betasten van en/of wrijven over de penis van die [benadeelde] en/of

 het aftrekken van de penis van die [benadeelde] en/of

het brengen/duwen van zijn, verdachtes penis tegen de anus van die [benadeelde] en/of

 het (tong) zoenen van die [benadeelde] en/of

 het in de mond nemen/pijpen van de penis van die [benadeelde] en/of

 het door die [benadeelde] laten brengen/duwen van diens penis in zijn, verdachtes anus.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam

Ten aanzien van feit 2:

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd.

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. Tevens heeft de officier van justitie verzocht om oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals is geadviseerd door de reclassering.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om in de strafmaat rekening te houden met het feit dat verdachte first offender is, zijn proceshouding en de gevolgen die een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor hem hebben. Tevens dient de tijd die is verstreken sinds de tenlastegelegde periode en het reclasseringsadvies in aanmerking te worden genomen. Verdachte is immers bereid om mee te werken aan een behandelplan, zoals geadviseerd door de reclassering.

-

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel justitiële documentatie, gedateerd 11 februari 2020;

- een reclasseringsadvies van Reclassering Nederland, gedateerd 2 maart 2020;

- een rapportage verdiepingsdiagnostiek van [naam] Forensische polikliniek, gedateerd 14 februari 2020.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen - en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur leiden - dat verdachte in een langere periode meermalen ontuchtige handelingen heeft gepleegd met een minderjarige. Daarbij heeft verdachte het slachtoffer betast, afgetrokken, getongzoend, gepijpt en heeft verdachte zich door het slachtoffer anaal laten penetreren. Daarnaast heeft het slachtoffer verdachte gepijpt, waardoor sprake is van het binnendringen in het lichaam van het slachtoffer. Dit zijn zeer ernstige feiten.

Verdachte heeft met het slachtoffer, die destijds tussen de 12 en 16 jaar oud was, meerdere keren afgesproken en hem meegenomen naar zijn woning. Verdachte had als meerderjarige man en gelet op het leeftijdsverschil van ruim 11 jaar, zijn verantwoordelijkheid moeten nemen. Hij heeft misbruik gemaakt van de kwetsbaarheid van aangever, die – kennelijk – net als verdachte worstelde met zijn seksuele geaardheid in verhouding tot het geloof en hun geloofsgemeenschap. Door aangever aandacht te geven die hij thuis te weinig kreeg, is verdachte voor aangever een belangrijke persoon geworden bij wie hij zijn verhaal kwijt kon. Aangever heeft daarbij misbruik gemaakt van zijn invloed op aangever. Met zijn gedrag heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. De rechtbank rekent verdachte aan dat hij onvoldoende heeft beseft dat minderjarigen die betrokken worden bij ontuchtige handelingen, hierdoor psychische schade kunnen oplopen en kunnen worden belemmerd in het doormaken van een gezonde (seksuele) ontwikkeling. Dat het voorval een grote impact op het slachtoffer heeft gehad en nog steeds heeft, blijkt ook uit de schriftelijke slachtofferverklaring.

De rechtbank heeft bij de strafmaat in aanmerking genomen dat uit het oogpunt van vergelding en generale preventie deze feiten te ernstig zijn om niet met een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf te worden afgedaan, ook al heeft dit mogelijk voor verdachtes werk en/of woning vergaande consequenties. Ter voorkoming van recidive acht de rechtbank het noodzakelijk dat verdachte wordt behandeld, zodat aan het voorwaardelijk op te leggen strafdeel de door de reclassering geadviseerde voorwaarden zullen worden verbonden. Echter, anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat een proeftijd van twee jaren voldoende is.

De rechtbank heeft er tot slot rekening mee gehouden dat verdachte erkent wat hij heeft gedaan en wil meewerken aan een behandeling. Ter terechtzitting heeft verdachte op oprechte wijze spijt betuigd.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk passend, met een proeftijd van 2 jaren. De rechtbank zal daarbij de bijzondere voorwaarden, zoals geadviseerd door de reclassering, opleggen.

7a. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [benadeelde] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van de bewezenverklaarde feiten. Gevorderd wordt een bedrag van in totaal € 10.385,00, bestaande uit € 10.000,- smartengeld en € 385,- als vergoeding voor het eigen risico zorgverzekering

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij volledig toe te wijzen vermeerderd met de wettelijke rente. Voorts heeft de officier van justitie verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van het materiële deel gerefereerd. Met betrekking tot het immateriële deel heeft hij bepleit dit te matigen tot een bedrag van € 5.000,00 en voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren. Hierbij dient in aanmerking te worden genomen dat de namens de benadeelde partij aangehaalde jurisprudentie niet vergelijkbaar is met onderhavige zaak en de gevolgen voor de benadeelde partij niet enkel terug te voeren zijn op het aandeel van verdachte.

Beoordeling door de rechtbank

De benadeelde partij heeft € 385,00 aan materiële schade gevorderd. De rechtbank acht voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde materiële schade, bestaande uit kosten met betrekking tot het eigen risico van de zorgverzekering, heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde en zal dit deel dan ook geheel toewijzen.

Daarnaast is aan de benadeelde partij door de bewezenverklaarde strafbare feiten rechtstreeks nadeel toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. Dit is aan verdachte toe te rekenen. Aan de wettelijke vereisten, waaronder die genoemd in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, is voldaan. Naar maatstaven van billijkheid wordt deze schade begroot op een bedrag van € 8.000,00. Wat betreft het meer of anders gevorderde zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren, nu het dossier aanleiding geeft te veronderstellen dat er meerdere factoren zijn die tot de psychische problematiek hebben geleid. Een nadere beoordeling van deze schadepost zou immers een onevenredige belasting van het strafgeding meebrengen.

Ter meerdere zekerheid voor daadwerkelijke betaling aan de benadeelde partij, zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 15 december 2013.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 245 en 247 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte de overige tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden;

  • -

    bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden voor het einde van de proeftijd die op twee jaren wordt bepaald;

  • -

    de algemene voorwaarde dat de veroordeelde:

 zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

 de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

 zich na het ontvangen van een uitnodiging en na het onherroepelijk worden van dit vonnis zal melden bij de Reclassering Nederland te Arnhem en gedurende de proeftijd zich zal blijven melden bij deze instelling, zo frequent en zolang de instelling dat noodzakelijk acht;

 zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen bij [naam] Arnhem of een soortgelijke ambulante forensische zorgverlener, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar worden gegeven, voor zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;

 geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden (artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht);

 stelt voorts als voorwaarden dat de veroordeelde:

 ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

 dat veroordeelde medewerking zal verlenen aan het door de Reclassering Nederland te houden toezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] :

 veroordeelt verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [benadeelde], van een bedrag van 8.385,00 (achtduizend driehonderdenvijfentachtig euro) vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 december 2013 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    verklaart de benadeelde partij [benadeelde] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde] , een bedrag te betalen van € 8.385,00 (achtduizend driehonderdenvijfentachtig euro) vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 december 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 76 dagen gijzeling zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J.H. Hovens (voorzitter), mr. Y.H.M. Marijs en mr. M. Plas, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. de Rooij, griffier.

Vanwege het coronavirus en de in verband daarmee door de Rijksoverheid en de Rechtspraak met ingang van 17 maart 2020 genomen maatregelen is de rechtbank voor medewerkers slechts zeer beperkt toegankelijk en is het openbare gedeelte gesloten.

Mrs. Hovens, Marijs en De Rooij zijn daarom buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

De openbaarheid van dit vonnis wordt waargeborgd doordat het vonnis aan (de raadsman van) verdachte (en eventuele andere procesdeelnemers) kenbaar wordt gemaakt en overigens door spoedige publicatie op www.rechtspraak.nl.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] (GLM04490), brigadier (gecertificeerd zedenrechercheur) van politie Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2018393366-12, gesloten op 12 juni 2019 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.