Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:1934

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
19-03-2020
Datum publicatie
20-03-2020
Zaaknummer
05/880339-17 (ontneming)
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2020:10688, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Drie mannen veroordeeld voor babbeltrucs

De rechtbank heeft vandaag twee mannen van 56 en 58 jaar uit Arnhem voor hun betrokkenheid bij een reeks babbeltrucs veroordeeld tot gevangenisstraffen voor de duur van vijf jaar. Een derde 54-jarige man heeft de rechtbank voor zijn beperkte rol bij één babbeltruc veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand en een werkstraf van honderdvijftig uur.

De feiten

De 56-jarige man heeft zich schuldig gemaakt aan negen babbeltrucs, elf pogingen daartoe (waarbij uiteindelijk niets is gestolen) en een oplichting. Voor de 58-jarige geldt dat het gaat om drie babbeltrucs minder, maar dat hij zich verder schuldig heeft gemaakt aan bijstandsfraude door de inkomsten uit de babbeltrucs niet te melden bij de uitkeringsinstantie. De 54-jarige man is betrokken geweest bij één babbeltruc, waarbij uiteindelijk niets is weggenomen. De slachtoffers waren tussen de 68 en 95 jaar oud.

Ernst van de feiten

Door de 56 en 58-jarige man is aangebeld bij woningen van (hoog) bejaarde, vaak alleenstaande, personen waarbij ze zich meestal als politieagenten voordeden om in de woning te komen. Er werd aan deze oudere slachtoffers gevraagd waar hun geld en sieraden lagen en of ze wat misten. Ze ‘hielpen’ vervolgens mee met het controleren daarvan en gingen er uiteindelijk in veel gevallen juist met dit geld of de sieraden vandoor. De mannen zijn telkens door het hele land op zoek geweest naar ouderen, bij voorkeur extra kwetsbaar, waar wat te halen is. De feiten getuigen naar het oordeel van de rechtbank van een vergaand gebrek aan respect en moreel besef. De mannen hebben ook in het geheel geen verantwoordelijkheid voor hun handelen genomen. De gevolgen voor de slachtoffers zijn ingrijpend geweest.

Persoonlijke omstandigheden

De mannen van 56 en 58 jaar zijn eerder, één van de mannen ook recent, veroordeeld voor soortgelijke feiten. Opnieuw zijn de mannen gedurende maanden van woning naar woning gegaan om geld te ‘verdienen’. Voor de 54-jarige man geldt dat hij geen strafblad op het gebied van vermogensdelicten heeft.

De straffen

Omdat de 56-jarige en 58-jarige man telkens bewust samen op pad zijn gegaan om ouderen te beroven, ziet de rechtbank aanleiding – ondanks dat het in de zaak van de 58-jarige man gaat om drie diefstallen minder (met wel extra de bijstandsfraude) – om vanuit het principe ‘samen uit samen thuis’ over te gaan tot oplegging van een gelijke straf. Zij acht een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar met aftrek van het voorarrest passend. Deze straf is lager dan de door de officier van justitie opgelegde straf maar in lijn met de straffen die in soortgelijke gevallen wordt opgelegd.

Voor wat betreft de 54-jarige man houdt de rechtbank er rekening mee dat zijn rol relatief gering is geweest en hij verder inmiddels ook zijn leven op de rit heeft. De rechtbank ziet wel aanleiding om naast een werkstraf een voorwaardelijke gevangenisstraf als stok achter de deur op te leggen.

Tot slot

Tot slot moeten de mannen van 56 en 58 jaar aan meerdere slachtoffers een schadevergoeding betalen en het bedrag dat zij met de babbeltrucs hebben verdiend terugbetalen aan de Staat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/880339-17 (ontneming)

Data zittingen : 19 februari 2020 en 19 maart 2020

Datum uitspraak : 19 maart 2020

Uitspraak van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

naam : [veroordeelde] (hierna te noemen: veroordeelde),

geboren op : geboren op [geboortedag] 1963 te [geboorteplaats] ,

adres : [adres] ,

thans gedetineerd te : [penitentiaire inrichting] ,

raadslieden : mrs. A. van der Poel en J.P.A. van Schaik, advocaten te Veenendaal.

1 De inhoud van de vordering

De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, welk voordeel door de officier van justitie is gesteld op € 31.927,90.

2 De procedure

Ter terechtzitting van 19 februari 2020 heeft de officier van justitie de ontnemingsvordering aanhangig gemaakt.

3 Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 19 februari 2020 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is veroordeelde verschenen. Veroordeelde is bijgestaan door mrs. A. van der Poel en J.P.A. van Schaik, advocaten te Veenendaal.

De officier van justitie, mr. A.C.J. Nettenbreijers, heeft ter terechtzitting de vordering aangepast en heeft gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 24.202,90 wordt geschat.

Veroordeelde en zijn raadslieden hebben het woord ter verdediging gevoerd.

4 De beoordeling van de vordering

Vooraf

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd het wederrechtelijk verkregen voordeel te schatten op een bedrag van € 24.202,90. Hiertoe is aangevoerd dat de niet aan veroordeelde tenlastegelegde feiten op het bedrag in mindering dienen te worden gebracht, wat het totaalbedrag – conform de tabel op pagina 2666 – € 43.250,- (geld) en € 4.750,- (sieraden) maakt. Vervolgens rekent de officier van justitie de feiten aan de [adres 12] , [adres 13] en [adres 11] alleen toe aan veroordeelde en verdeelt de opbrengst van de overige feiten pondsgewijs over [veroordeelde] en [veroordeelde 2] . Bij de berekening van de kosten heeft de officier van justitie uit efficiencyoverwegingen alle kosten, ook voor wat betreft de niet tenlastegelegde feiten, in mindering gebracht.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht de niet tenlastegelegde feiten en de eventueel toegekende vorderingen van de benadeelde partijen bij het vaststellen van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel en vervolgens de betalingsverplichting in mindering te brengen. Hiertoe is aangevoerd dat in het geval veroordeelde niet in staat is de vorderingen te betalen, dit tweemaal gijzeling tot gevolg kan hebben.

Beoordeling door de rechtbank

Bij de beoordeling van de onderhavige vordering heeft de rechtbank kennisgenomen van het op 19 maart 2020 tegen veroordeelde gewezen vonnis waarbij veroordeelde ter zake van diefstal (feit 1), diefstal door twee of meer verenigde personen (feiten 2, 4, 7, 8, 11, 16, 19 en 20), poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen (feiten 5 primair, 6 primair, 9 primair, 10 primair, 13 primair, 14 primair, 15 primair, 17 primair, 18 primair, 21 primair en 22 primair) en oplichting (feit 12) is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar.

Met betrekking tot de niet tenlastegelegde feiten aan de [adres 2] , [adres 3] , [adres 4] , [adres 5] , [adres 6] en [adres 7] , is de rechtbank met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat deze ook door veroordeelde zijn begaan en hieruit wederrechtelijk verkregen voordeel is genoten. Dit geldt ook voor het feit aan [adres 8] , waarvan veroordeelde is vrijgesproken. Zij zal dan ook niet meer op deze feiten ingaan.

Schatting wederrechtelijk verkregen voordeel

Opbrengsten

Voor wat betreft de overige feiten acht de rechtbank het aannemelijk dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten. Deze beslissing is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.1

Voor wat betreft de bewezenverklaring inhoudende de betrokkenheid van veroordeelde en de hoeveelheden geld en sieraden die zijn weggenomen verwijst de rechtbank naar het vonnis d.d. 19 maart 2020, welke zij ook als bijlage zal aanhechten. De rechtbank zal hierbij nog enkel ingaan op de posten die in het vonnis niet nader zijn benoemd.

Het betreft hierbij de sieraden van aangeefster [aangever 1] , wonende aan [adres 9] . Met betrekking tot deze sieraden overweegt de rechtbank dat de bij haar weggenomen sieraden zijn omschreven. Het gaat om een halsnoer, een gouden kettinkje met een hanger, een gouden ring met briljantje, een gouden ring met twee briljantjes, een gouden ring met ‘Hollandse roos’ en een gouden trouwring. Hierbij worden de bedragen € 250,00 (reparatie), € 70,00, € 50,00, 500 gulden (met nieuwe briljant van 250 euro) en 825 gulden genoemd.2 In het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel is een geschatte waarde van de sieraden van € 1.300,00 opgenomen.3 Gelet op al het voorgaande acht de rechtbank deze schatting ook aannemelijk geworden.

Met betrekking tot het feit aan [adres 10] overweegt de rechtbank dat in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel geen sieraden zijn meegenomen. Nu bij het feit veel sieraden zijn weggenomen en de waarde van de sieraden is getaxeerd, ziet de rechtbank aanleiding deze ook mee te nemen in haar schatting van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Naast het geld uit de kluis werden bij aangeefster [aangever 2] diverse sieraden weggenomen, waaronder aldus de bijlage weggenomen goederen, een horloge met gouden band, een gouden (korte) ketting, twee gouden kettinghangers met een groene steen, gouden ringen met een gele steen, robijnsteen, diamant en granaat, een lange gouden ketting, een gouden kettinghanger met diamant, een gouden kettinghanger met granaat, een gouden armband, een gouden horloge met gouden band, een gouden horloge met leren band, een armband en tot slot een gouden ketting (model shooker). In de aangifte zelf wordt ook aanvullend een gouden ring met diamant genoemd.4 Vervolgens zijn de sieraden – exclusief de ketting (model shooker) – op 20 februari 2018 op een totaalbedrag van € 12.195,00 getaxeerd.5 De gouden ketting (model shooker) is in 2009 gekocht voor € 1.445,00-.6 Dit maakt de totaalwaarde, aldus de taxatie en het juwelencertificaat, € 13.640,00. Nu veroordeelde niets over de verkoopwaarde heeft verklaard, zal de rechtbank ook deze waarde als geschatte opbrengst aannemelijk achten en tot haar uitgangspunt nemen.

Voor wat betreft de berekening in het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel overweegt de rechtbank nog tot slot dat haar niet van het wegnemen van een geldbedrag uit de woning [adres 11] is gebleken. Zij zal dit bedrag dan ook niet in haar schatting meenemen.

Het gaat daarmee om de volgende feiten, waarbij de rechtbank de volgende bedragen voor wat betreft de opbrengsten tot haar uitgangspunt neemt.

[veroordeelde]

Geld

Sieraden

[adres 12]

€ 200,00

[adres 13]

€ 1.400,00

[adres 11]

Horloge ter waarde van € 1.450,007

Subtotaal

€ 1.600,00

€ 1.450,00

[veroordeelde] en [veroordeelde 2]

[adres 9]

€ 14.650,00

Sieraden ter waarde van € 1.300,00

[adres 10]

€ 16.000,00

€ 13.640,00

[adres 14]

€ 3.500,00

[adres 15]

Sieraad ter waarde van € 2.000,00

[adres 16]

€ 4.500,008

Subtotaal

€ 38.650,00

€ 16.940,00

Met betrekking tot de verdeling overweegt de rechtbank dat zij voor wat betreft de feiten van zowel [veroordeelde] als [veroordeelde 2] telkens het medeplegen heeft aangenomen. Op basis van de bewijsmiddelen in het vonnis acht zij ook aannemelijk dat beide veroordeelden telkens voordeel hebben genoten. Nu de veroordeelden niets over de verdeling hebben verklaard en de rechtbank evenmin aanleiding heeft een afwijkende verdeling aan te nemen, zal zij bij deze feiten het voordeel (en ook de kosten) pondsgewijs over [veroordeelde] en [veroordeelde 2] verdelen.

Voor wat betreft de feiten aan de [adres 12] , [adres 13] en [adres 11] overweegt de rechtbank dat alleen [veroordeelde] (al dan niet in vereniging) voor deze feiten is veroordeeld. Nu niet is gebleken wie de mededader(s) van [veroordeelde] is/zijn geweest, zal de rechtbank – bij ook het ontbreken van een verklaring hierover – het gehele voordeel voor rekening van [veroordeelde] laten komen. Het gaat daarbij om een bedrag van € 3.050,00. Van het overige bedrag, totaal € 55.590,00 komt de helft, € 27.795,00, voor rekening van veroordeelde. Het gaat daarmee om een totaalopbrengst van € 30.845,00.

Kosten

Door de veroordeelden is zoals uit het vonnis ook volgt telkens gebruik gemaakt van auto’s op naam van anderen. Zij hebben evenmin een verklaring over eventuele kosten afgelegd.

De rechtbank zal om die reden, conform het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, alleen rekening houden met gemaakte brandstofkosten. Daarbij wordt een gemiddelde van twaalf kilometer per liter brandstof tot uitgangspunt genomen. De gemiddelde prijs voor een liter benzine bedraagt € 1,576. Bij het aantal kilometers wordt gerekend vanaf Arnhem,9 zoals uit het vonnis volgt de woonplaats van de veroordeelde(n).

De rechtbank ziet aanleiding om ook hier de niet tenlastegelegde feiten en het feit aan [adres 8] niet mee te rekenen. Daarmee komt zij tot het volgende overzicht van kosten:

Overzicht kosten

Kilometers retour

Benzinekosten

[veroordeelde]

[adres 12]

208 km

€ 27,32

[adres 13]

46

€ 6,04

[adres 11]

10

€ 1,3110

Subtotaal

€ 34,67

[veroordeelde] en [veroordeelde 2]

[adres 9]

176

€ 23,11

[adres 10]

188

€ 24,69

[adres 14]

144

€ 18,91

[adres 15]

132

€ 17,34

[adres 16]

0

€ 0,0011

Subtotaal

€ 84,05

Voor wat betreft de woningen aan de [adres 12] , [adres 13] en [adres 11] zal de rechtbank deze opnieuw geheel voor veroordeelde’s rekening laten komen. Van de overige kosten zal opnieuw de helft aan veroordeelde worden toegerekend, zijnde (in het voordeel van veroordeelde) afgerond € 42,03. Dit maakt het totaalbedrag aan kosten, afgerond, € 76,70.

Conclusie voor wat betreft de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Op grond van het voorgaande zal de rechtbank vaststellen dat het wederrechtelijk verkregen voordeel dient te worden geschat op een bedrag van € 30.768,30 (€ 30.845,00 - € 76,70) en zal hem veroordelen tot betaling van dit bedrag aan de Staat.

Betalingsverplichting:

Voor wat betreft de feiten aan de [adres 13] en [adres 11] overweegt de rechtbank nog dat [veroordeelde] in vereniging – er was immers sprake van een gezamenlijke uitvoering – voor deze feiten is veroordeeld. Zij acht ook voldoende aannemelijk dat zowel [veroordeelde] als zijn medeverdachte hieruit gemeenschappelijk voordeel heeft genoten. Gelet daarop zal de rechtbank bepalen dat de aansprakelijkheid voor dit deel van de betalingsverplichting, een bedrag van € 2.850,00 (opbrengsten [adres 13] en [adres 11] ) - € 7,35 (€ 6,04 en € 1,31) = € 2.842,65, hoofdelijk met zijn mededader(s) zal zijn.

Voor wat betreft de vorderingen van de benadeelde partijen overweegt de rechtbank dat, aldus artikel 36e lid 9 van het Wetboek van Strafrecht, deze bedragen op de betalingsverplichting in mindering dienen te worden gebracht, voor zover de vorderingen zijn voldaan. Gelet op dit voorgaande – waarbij de rechtbank dus niet gehouden is in dit stadium deze bedragen op de betalingsverplichting in mindering te brengen – en nu de rechtbank hier ook voor het overige geen aanleiding toe ziet, zal de rechtbank de betalingsverplichting dan ook niet matigen. Zij zal daarmee het verzoek van de verdediging hiertoe afwijzen.

5 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

6 De beslissing

De rechtbank:

- stelt vast het bedrag waarop het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op een bedrag van € 30.768,30 (zegge: dertigduizendzevenhonderdachtenzestig euro en dertig eurocent);

-legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van dit bedrag;

- bepaalt dat van deze verplichting tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 2.842,65 (zegge: tweeduizendachthonderdtweeënveertig euro en vijfenzestig eurocent) komt te vervallen, indien en voor zover de mededader(s) van veroordeelde hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat;

- bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering op 188 (honderdachtentachtig) dagen.

Aldus gegeven door mr. H.P.M. Kester-Bik (voorzitter), mr. M.A. Jansen-van Leeuwen en mr. F.E. Venema, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.T.P.J. Damen, griffier, en uitgesproken op de griffie van deze rechtbank door mr. M.A. Jansen-van Leeuwen op 19 maart 2020.

Vanwege het coronavirus en de in verband daarmee door de Rijksoverheid en de Rechtspraak met ingang van 17 maart 2020 genomen maatregelen is de rechtbank gesloten. Hierdoor kan de uitspraak niet op een openbare terechtzitting worden gedaan.

Mrs. Kester-Bik en Venema zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de Districtsrecherche Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2017312563 (ON4R016163 07GLM KADARKA), gesloten op 19 januari 2018 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Het proces-verbaal van aangifte ( [aangever 1] ), p. 822 t/m 828 en het proces-verbaal van bevindingen, p. 851.

3 Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, p. 2666.

4 Het proces-verbaal van aangifte ( [aangever 2] ) met bijlagen, p. 887 t/m 892, het proces-verbaal van verhoor aangeefster ( [aangever 2] ), p. 897-898 en het proces-verbaal van verhoor aangeefster ( [aangever 2] ), p. 900.

5 Taxatierapport d.d. 20 februari 2018 zoals gevoegd bij de vordering.

6 Certificaat goud collier (bijlage 2 bij de vordering).

7 Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, p. 2666.

8 Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, p. 2666.

9 Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, p. 2667.

10 Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, p. 2667.

11 Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, p. 2667.