Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:1910

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
16-03-2020
Datum publicatie
19-03-2020
Zaaknummer
05/276638-19 (ontneming)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05.276638.19 (ontneming)

Uitspraak datum : 16 maart 2020

Tegenspraak

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1997 te [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres] ,

raadsvrouw: mr. L.A.C. ter Steeg, advocaat te Amsterdam.

1 De inhoud van de vordering

De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, welk voordeel door de officier van justitie is gesteld op €13.592,50.

2 De procedure

Ter terechtzitting van 2 maart 2020 heeft de officier van justitie de ontnemingsvordering aanhangig gemaakt.

3 Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 2 maart 2020 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is veroordeelde verschenen. Veroordeelde is bijgestaan door mr. L.A.C. ter Steeg, advocaat te Amsterdam.

De officier van justitie, mr. J. Klein Egelink, heeft ter terechtzitting de vordering verminderd tot een bedrag van € 6.806,25.

De verdediging zich op het standpunt gesteld dat in het ontnemingsrapport ten onrechte geen aansluiting is gezocht bij het telecommunicatieonderzoek en het onderzoek naar de bankrekeninggegevens van verdachte waarop betalingen van de afnemers binnen zijn gekomen. Volgens de verdediging bedraagt het wederrechtelijk verkregen voordeel € 3.690, --.

4 De beoordeling van de vordering

Bij de beoordeling van de onderhavige vordering heeft de rechtbank kennisgenomen van het op 16 maart 2020 tegen veroordeelde gewezen vonnis waarbij veroordeelde is veroordeeld wegens het handelen in cocaïne in de periode van 1 september 2019 tot en met 10 november 2019.

De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten. Deze beslissing is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.1 Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel neemt de rechtbank het proces-verbaal van bevindingen waarin een berekening is gemaakt van het wedderechtelijk verkregen voordeel (hierna: het proces-verbaal van bevindingen) als uitgangspunt.

Overwegingen omvang wederrechtelijk verkregen voordeel

Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat hand van de afgelegde verklaringen van afnemers een berekening is gemaakt van het wederrechtelijke verkregen voordeel over een periode van een jaar, tenzij anders is aangegeven.

De rechtbank volgt niet het betoog van de verdediging dat aan de hand van het telecommunicatieonderzoek tussen veroordeelde en zijn afnemers en het onderzoek naar de bankrekeninggegevens van veroordeelde waarop betalingen van de afnemers binnen zijn gekomen, de verklaring van de afnemers dient te worden beoordeeld. De rechtbank ziet in het dossier dat er niet alleen via telefoon, maar ook via Whatsapp afspraken zijn gemaakt met afnemers. Bovendien zijn er ook afnemers die verklaard hebben dat zij drugs van veroordeelde hebben afgenomen als ze hem zagen, dus zonder dat er eerst telefonisch contact was gelegd. Verder overweegt de rechtbank dat uit de verklaringen van afnemers blijkt dat er vaak contant werd betaald en dus niet altijd de betalingen per bankoverschijving dan wel tikkie werden uitgevoerd.

De rechtbank zal volgt dan ook de berekening zoals die per afnemer is gemaakt in het proces-verbaal van bevindingen, met uitzondering van de afnemers [naam 1] en [naam 2] .

De verklaring van afnemer [naam 1] is niet in het dossier opgenomen, zodat deze verklaring buiten beschouwing zal worden gelaten bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Wat betreft de afnemer [naam 2] blijkt uit het dossier dat deze afnemer niet duidelijk heeft verklaard hoe vaak en hoe lang hij cocaïne heeft gekocht van veroordeelde. Wel is komen vast te staan dat deze afnemer in de maand september 2019 een bedrag van 145 euro heeft overgemaakt naar de bankrekening van veroordeelde. 2 De rechtbank gaat ervan uit dat dit geld voor de afgenomen drugs betreft en zal dan ook van dit bedrag uitgaan.

Per afnemer gaat de rechtbank overeenkomstig het proces-verbaal van bevindingen uit van het volgende:

Getuige [naam 2] : € 145,-

Getuige [naam 3] 130 gram x € 45,- = € 5.850,--

Getuige [naam 4] 131,50 gran x € 50,- € 6.575,--

Getuige [naam 5] 24 gram x € 50,- € 1.200,--

Getuige [naam 6] 7,5 gram x € 50,- € 375,--

Getuige [naam 7] 52 gram x € 50,- € 2.600,--

Getuige [naam 8] € 210,--

Getuige [naam 9] 94,5 gram x € 50,- € 4.725,--

Getuige [naam 10] 1 gram x € 50,- € 50,--

Getuige [naam 11] 4 gram x € 50,- € 200,--

Getuige [naam 12] 52 gram x € 50,- € 2.600,--

Totaal: € 24.530,--.

De rechtbank acht aannemelijk dat voor het bedrag van [naam 2] 3 gram is verkregen en voor het bedrag van [naam 8] 5 gram is verkregen. In totaal gaat het dus om 504,50 gram cocaïne, verkocht door veroordeelde.

Veroordeelde heeft verklaard dat hij met het dealen van de cocaïne tussen de € 5 tot € 7,50 per halve gram verdiende.3 Dat betekent dat veroordeelde per hele gram een bedrag tussen de € 10,-- en € 15,-- heeft verdiend, waarbij de rechtbank zal uitgaan van een gemiddeld bedrag van € 12.50 euro per gram.

Veroordeelde heeft derhalve een winst gehad van € 504,50 gram x € 12.50 = € 6.306,25. De rechtbank stelt vast dat het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat op dit bedrag.

5 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

6 De beslissing

De rechtbank:

- stelt het bedrag waarop het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van 6.306,25.

- legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van dit bedrag.

- bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering op 66 dagen.

Deze uitspraak is gewezen door mr. Y. Yeniay-Cenik, voorzitter, mr. S.C.A.M. Janssen en mr. C.C.M. Poland, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.G.M. van Ophuizen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 maart 2020.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost Nederland, district Gelderland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2019236593, gesloten op 29 mei 2019 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Het proces-verbaal van bevindingen p. 129 en het proces-verbaal van bevindingen p. 221.

3 De verklaring van de verdachte ter terechtzitting.