Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:1901

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
17-03-2020
Datum publicatie
19-03-2020
Zaaknummer
05.225596.19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Jeugd-tbs voor poging doodslag op zijn moeder. Volledig ontoerekeningsvatbaar en toepassing adolescentenstrafecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer: 05.225596.19

Datum uitspraak : 17 maart 2020

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 2001 in [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres]

thans gedetineerd in de J.J.I. De Hunnerberg in Nijmegen.

Raadsvrouw: mr. S. Striekwold, advocaat te Doetinchem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 31 december 2019 en 3 maart 2020.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan [verdachte] , die hieronder ook verdachte wordt genoemd, is ten laste gelegd dat:

primair

hij op of omstreeks 18 september 2019 te Nijmegen, althans in

Nederland,

ter uitvoering van het door verdachtes voorgenomen misdrijf om

zijn moeder [slachtoffer]

opzettelijk en

al dan niet met voorbedachten rade

van het leven te beroven,

-die [slachtoffer] met een gebalde vuist en/of met een mes, althans met een

scherp en/of puntig voorwerp op/in haar hoofd heeft gestompt en/of

geslagen en/of gestoken, waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen en/of

-(terwijl die [slachtoffer] op de grond ligt) meermalen, althans eenmaal die

[slachtoffer] met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp op

een of meer plaatsen in haar hoofd en/of armen en/of lichaam heeft

gestoken en/of gesneden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling leidt:

subsidiair

hij op of omstreeks 18 september 2019 te Nijmegen, althans in

Nederland,

aan zijn moeder [slachtoffer]

opzettelijk en

al dan niet met voorbedachten rade

zwaar lichamelijk letsel, te weten:

-letsel aan het hoofd en/of beide armen en/of handen en/of

-een breuk in het hoofd en/of

-botsplinters in de hersenen en/of

-twee gebroken onderarmen en/of

-een gebroken rechter middelvingerkootje en/of

-een of meerdere doorgesneden spieren en/of bloedvaten en/of

-een of meerdere steek- en/of snijwonden,

heeft toegebracht door:

-die [slachtoffer] met een gebalde vuist en/of met een mes, althans met een

scherp en/of puntig voorwerp op/in haar hoofd te stomen en/of slaan

en/of steken, waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen en/of

-(terwijl die [slachtoffer] op de grond ligt) meermalen, althans eenmaal die

[slachtoffer] met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp op

een of meer plaatsen in haar hoofd en/of armen en/of lichaam te steken

en/of snijden.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

De feiten

Op 18 september 2019 is [verdachte] naar de woning van [slachtoffer] (zijn moeder) in [woonplaats] gegaan. Daar aangekomen heeft hij haar meerdere keren met een mes gestoken waaronder in haar hoofd.2 Als gevolg daarvan heeft zij in totaal meer dan 40 verwondingen aan haar hoofd en armen opgelopen. In bijna alle gevallen ging het (waarschijnlijk) om steek- of snijverwondingen. De verwondingen aan het hoofd (een schedelbreuk met hersenletsel door penetratie van botstukken en een mespunt in het hersenweefsel) zouden potentieel dodelijk kunnen zijn.3 [verdachte] wilde zijn moeder iets aandoen.4

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevraagd om [verdachte] vrij te spreken van de poging tot moord, nu geen sprake was van voorbedachte raad.

De officier van justitie acht wel bewezen dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag. Door het slachtoffer meerdere keren met een mes op/in haar hoofd en lichaam te steken, had [verdachte] voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw is van mening dat uit het dossier volgt dat [verdachte] in een opwelling heeft gehandeld en er dus geen sprake was van voorbedachte raad, zodat hij van de poging tot moord moet worden vrijgesproken.

Beoordeling door de rechtbank

Op grond van de vaststaande feiten stelt de rechtbank stelt vast dat [verdachte] op 18 september 2019 heeft geprobeerd zijn moeder opzettelijk van het leven te beroven door haar meerdere keren met een mes in haar hoofd en armen te steken en/of te snijden.

Poging tot moord of doodslag?

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of sprake is geweest van voorbedachte raad, met andere woorden of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot moord of een poging tot doodslag. Bij doodslag handelt de dader in een opwelling, bijvoorbeeld uit woede. Van moord is sprake als de dader besluit het slachtoffer te doden, hij enige tijd nadenkt of heeft kunnen nadenken over de gevolgen van dit besluit en hij vervolgens zijn slachtoffer doodt (‘met voorbedachte raad). Er moet in dat geval echter altijd worden gekeken of sprake is van aanwijzingen voor toch een andere uitleg van wat is gebeurd: zijn er feiten en omstandigheden die er op wijzen dat de dader (toch) in een opwelling heeft gehandeld.

Voor de beantwoording van deze vraag vindt de rechtbank de verklaringen van [verdachte] afgelegd ter terechtzitting en ten overstaan van de politie van belang. De rechtbank leidt daaruit het volgende af. [verdachte] was al langere tijd boos op zijn moeder, omdat hij vindt dat zij hem vroeger zou hebben verwaarloosd. Hij had al eens eerder de gedachte gehad haar iets aan te doen en had daarover ook iets op een briefje geschreven. Die gedachte was echter nooit concreet geworden. Die bewuste avond had hij een ‘mannenavond’ samen met zijn vader. Zij waren samen bier aan het drinken, luisterden muziek en rookten een sigaret. De sfeer was goed. Na het vijfde biertje voelde [verdachte] zich niet lekker en ging hij naar de wc. Zijn vader was in de tussentijd in slaap gevallen en zijn stiefmoeder was naar de winkel gegaan om boodschappen te halen. Toen hij op de wc in de positie zat om te kunnen braken, kwam er bij hem een beeld binnen en hoorde hij iets in hem zeggen “kill your mother”. Hij ging naar boven om zijn schoenen aan te doen, pakte zijn mes, stapte op zijn fiets en fietste met het mes naar het huis van zijn moeder. Tijdens het fietsen zat de gedachte om zijn moeder iets aan te doen in zijn hoofd, maar hij probeerde zich daartegen te verzetten. Aangekomen bij het huis van zijn moeder klopte [verdachte] op het raam waarop zijn moeder naar buiten kwam. Toen hij haar zag, zei hij iets tegen haar en stak haar met het mes in haar hoofd. Hij zag overal vuur, vuur van woede, en dat vuur moest uit anders zou hij zelf snel afbranden dacht hij toen. Op een gegeven moment was dat vuur voor een groot gedeelte uit en hoorde hij iets in hem zeggen “stop this and get away”. Dat was voor hem ook het moment om te stoppen. [verdachte] heeft toen het mes weggegooid en is weggegaan. Hij weet niet hoe vaak hij haar heeft geraakt, maar hij zag wel dat zij ‘als een zak aardappelen’ in elkaar zakte. Hij dacht dat hij zijn moeder had gedood.5

De rechtbank is van oordeel dat [verdachte] voldoende tijd (zeker een aantal minuten) heeft gehad om na te denken over het besluit om zijn moeder om het leven te brengen en de gevolgen daarvan. [verdachte] heeft dat op zijn eigen manier ook gedaan toen hij onderweg was naar zijn moeder (hij probeerde zich tegen de gedachte om zijn moeder te doden te verzetten). Hoewel het dossier dus aanwijzingen bevat voor het handelen met voorbedachte raad, kent de rechtbank aan de omstandigheid dat het besluit en de uitvoering daarvan in een plotseling opkomende hevige drift hebben plaatsgevonden (contra-indicatie), in dit geval meer gewicht toe. Dit betekent dat de rechtbank vindt dat [verdachte] voldoende tijd heeft gehad om over zijn besluit en de gevolgen daarvan na te denken, maar de rechtbank vindt het niet redelijk om onder die omstandigheid aan te nemen dat het steken van zijn moeder ook gebaseerd was op datzelfde besluit, omdat hij op het moment zelf handelde in een opwelling uit haat en woede tegen zijn moeder. Het oordeel van de rechtbank is dat [verdachte] niet heeft gehandeld met voorbedachte raad. Daarom zal de rechtbank [verdachte] vrijspreken van de poging tot moord.

Gezien het al beschreven handelen van [verdachte] vindt de rechtbank wel bewezen dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag.

3 Bewezenverklaring

De rechtbank vindt wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] het primair ten laste gelegde heeft begaan, namelijk dat:

hij op of omstreeks 18 september 2019 te Nijmegen, althans in

Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

zijn moeder [slachtoffer]

opzettelijk en

al dan niet met voorbedachten rade

van het leven te beroven,

-die [slachtoffer] met een gebalde vuist en/of met een mes, althans met een

scherp en/of puntig voorwerp op/in haar hoofd heeft gestompt en/of

geslagen en/of gestoken, waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen en/of

-(terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) meermalen, althans eenmaal die

[slachtoffer] met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp op

een of meer plaatsen in haar hoofd en/of armen en/of lichaam heeft

gestoken en/of gesneden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

[verdachte] zal worden vrijgesproken van alles wat meer in de verdenking is opgenomen dan wat hierboven is bewezen.

De rechtbank heeft spel- en typfouten in de tenlastelegging aangepast, maar dat is niet in het nadeel van [verdachte] geweest.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

poging tot doodslag.

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van [verdachte]

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] volledig ontoerekeningsvatbaar was ten tijde van het incident.

Deze conclusie is gebaseerd op de onderzoeken door [naam 1] (kinder- en jeugdpsychiater) en [naam 2] (GZ-psycholoog). Zij zijn gedragsdeskundigen en hebben in hun rapportage de rechtbank [verdachte] niet verantwoordelijk te stellen voor wat hij heeft gedaan, hij is volledig ontoerekeningsvatbaar. [verdachte] lijdt aan verschillende geestelijk stoornissen en beperkingen: zo zijn er een autisme spectrum stoornis, ADHD, gecombineerde type en een gespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis. Verder is er sprake van een stoornis die voortkomt uit een eerder geestelijk letsel bij [verdachte] die ook nog wordt beïnvloed door spanningen. [verdachte] pleegde het feit onder invloed van een psychose. Zijn gedrag werd sterk beïnvloed door de stemmen die hij hoorde en de beelden die hij zag (hallucinaties) en als gevolg daarvan was hij op dat moment niet meer in staat om zijn wil te bepalen.

De rechtbank kan zich vinden in de overwegingen en de conclusies van de gedragsdeskundigen om het steekincident niet aan [verdachte] toe te rekenen. Daarom zal de rechtbank [verdachte] ontslaan van alle rechtsvervolging.

7 Overwegingen ten aanzien van de maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de rechtbank gevraagd om het jeugdstrafrecht toe te passen en aan [verdachte] de maatregel van Plaatsing in een Inrichting voor Jeugdigen (de PIJ-maatregel) op te leggen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangegeven dat ook zij vindt dat het jeugdstrafrecht moet worden toegepast. Zij heeft de rechtbank gevraagd om te bekijken of de PIJ-maatregel geheel voorwaardelijke kan worden opgelegd met als bijzondere voorwaarde een (klinische) behandeling.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft goed nagedacht over de vraag welke afdoening in deze zaak passend is. Zij heeft daarbij rekening gehouden met de aard en de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd en de persoonlijke omstandigheden van [verdachte] . Hierbij is vooral gelet op:

- het uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 27 januari 2020;

- het triple onderzoeksrapport opgemaakt door [naam 1] (kinder- en jeugdpsychiater), [naam 2] (GZ-psycholoog) en [naam 3] (forensisch mileuonderzoeker), gedateerd 17 januari 2020 en

- het reclasseringsadvies van IrisZorg, gedateerd 16 januari 2020.

Ernst van het feit

[verdachte] heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op zijn moeder. [verdachte] is met een mes naar het huis van zijn moeder gefietst en heeft haar daar vervolgens uit het niets met dat mes neergestoken. Daarna heeft hij haar hulpeloos achtergelaten terwijl zij ernstig gewond was ( [verdachte] dacht dat hij zijn moeder had vermoord). Dit rekent de rechtbank [verdachte] zeer zwaar aan. Het enige dat zijn moeder op dat moment nog kon doen was om hulp roepen en dankzij het handelen van omstanders en ambulancepersoneel is mogelijk erger voorkomen. De rechtbank vindt dit feit schokkend, maar ook erg verdrietig. Het moet voor [verdachte] ’s moeder afschuwelijk zijn geweest dat zij door haar zoon in een voor haar veilige omgeving op deze manier is aangevallen. Dat dit feit een groot effect op zijn moeder en op de rest van de familie heeft gehad is de rechtbank duidelijk.

Daarentegen heeft [verdachte] vanaf het begin openheid van zaken gegeven. Ook tijdens de zitting heeft hij nog een keer gedetailleerd uitgelegd wat er volgens hem op 18 september 2019 is gebeurd, wat er in hem omging en hoe hij uiteindelijk tot zijn daad is gekomen. Deze opstelling heeft de rechtbank op prijs gesteld, maar nog belangrijker is dat deze openheid bij zijn moeder misschien kan bijdragen aan de verwerking van wat er is gebeurd. [verdachte] heeft tijdens de zitting aangegeven dat hij is geschrokken van wat er is gebeurd en het hem spijt.

[verdachte] ’s moeder heeft tijdens de zitting uitdrukkelijk tegen [verdachte] gezegd dat ze hem niks kwalijk neemt, hem vergeeft en altijd van hem zal blijven houden. Deze woorden hebben niet alleen indruk gemaakt op [verdachte] , maar ook op de rechtbank. Daarnaast sterkt het de rechtbank ook in haar gevoel dat de zorg voor een goed hulpverleningstraject voor [verdachte] voorop moet staan.

De persoon van verdachte

Uit het strafblad van [verdachte] van 27 januari 2020 volgt dat hij niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.

Het uitgangspunt is dat een jongvolwassene, die ten tijde van het strafbare feit meerderjarig is, volgens het volwassenenstrafrecht wordt gestraft. Hoewel [verdachte] destijds achttien jaar oud was, ziet de rechtbank - gelet op het advies van de gedragsdeskundigen en de ter zitting gegeven toelichting daarop - aanleiding om de bepalingen van het jeugdstrafrecht (het zogenaamde adolescentenstrafrecht) toe te passen. De rechtbank vindt dit nodig, nu [verdachte] emotioneel gezien nog jong is. Dit is volgens de gedragsdeskundigen terug te zien in zijn persoonlijkheid, naïviteit, zijn gebrek aan probleemoplossend vermogen en de grote beperkingen in zijn sociaal-adaptieve vermogens. [verdachte] doet zijn best, maar kan door zijn autisme spectrum stoornis dingen die geburen en hem raken slecht de oorzaken en gevolgen overzien. Dit heeft de rechtbank ook gezien tijdens de zitting. [verdachte] heeft dan ook een opvoedkundige omgeving nodig waarin hij pedagogisch wordt beïnvloed.

Maatregel

Zoals eerder is overwogen, was [verdachte] ten tijde van het steekincident volledig ontoerekeningsvatbaar. Dit betekent dat aan hem geen straf kan worden opgelegd, maar wel een maatregel. De psychiater en psycholoog adviseren de rechtbank de onvoorwaardelijke PIJ-maatregel (jeugd tbs) op de leggen. De reclassering steunt dit advies.

Om een PIJ-maatregel op te kunnen leggen, moet zijn voldaan aan de verschillende voorwaarden die in artikel 77s van het Wetboek van Strafrecht staan.

Allereerst moet bij [verdachte] sprake zijn van een gebrekkige ontwikkeling of een stoornis. De gedragsdeskundigen hebben vastgesteld dat [verdachte] lijdt aan een aantal stoornissen en hij het feit pleegde onder invloed van een psychose. Aan de eerste voorwaarde is dus voldaan.

Daarnaast moet de maximum op te leggen gevangenisstraf voor het door [verdachte] gepleegde feit hoger zijn dan vier jaar. Op (een poging tot) doodslag staat 15 jaar. Dat betekent dat ook aan de tweede voorwaarde is voldaan.

De derde voorwaarde is dat de PIJ-maatregel noodzakelijk is voor de veiligheid van andere personen of goederen. De rechtbank vindt dat ook daarvan sprake is gelet op de in de rapportage beschreven ernstige psychische problematiek, de kwetsbaarheid van [verdachte] en de zorgen omtrent het gezinssysteem. Daarnaast schatten de gedragsdeskundigen het risico op herhaling hoog in en vinden zij dat een langdurige behandeling in een gesloten setting met een hoog beveiligingsniveau nodig is.

De gedragsdeskundigen geven aan dat bij de behandeling in het kader van de PIJ-maatregel gewerkt kan worden aan het vergroten van zijn vaardigheden om met problemen en stress om te gaan en het verwerken van beschadigende ervaringen uit het verleden. Hiermee is ook voldaan aan de vierde voorwaarde, dat de PIJ-maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van [verdachte] .

Conclusie van de rechtbank

Aan de verschillende voorwaarden om de PIJ-maatregel op te kunnen leggen is dus voldaan. Om de kans op herhaling te minimaliseren is behandeling nodig. Deze behandeling kan - door de complexiteit van [verdachte] ’s problematiek, de duur van de behandeling en de mate van beveiliging die daarbij gewenst is - volgens de rechtbank niet anders plaatsvinden dan door oplegging van de onvoorwaardelijke PIJ-maatregel. De rechtbank zal de PIJ-maatregel daarom aan [verdachte] opleggen.

De PIJ-maatregel geldt voor de duur van drie jaar. Na twee jaar eindigt de maatregel voorwaardelijk, tenzij de maatregel wordt verlengd. De maatregel kan worden verlengd tot een maximale duur van zeven jaren nu de maatregel is opgelegd voor een poging tot doodslag (een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon).

Indien [verdachte] na afloop van die maximale termijn van zeven jaar en na terugplaatsing niet uitbehandeld is, en de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de omzetting van de PIJ-maatregel in TBS eist, voorziet artikel 77tc van het Wetboek van Strafrecht in omzetting in TBS.

De rechtbank adviseert de PIJ-maatregel zodra de behandeling en het beveiligingsniveau dit toelaten voort te zetten binnen jeugdkliniek De Catamaran in Eindhoven. [verdachte] heeft tijdens de zitting aangegeven dat hij daar graag naar toe zou willen en de gedragsdeskundigen hebben aangegeven dat de Catamaran op den duur een goede setting kan bieden met een wat geschikter therapeutisch arsenaal.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 45, 77c, 77s en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 spreekt [verdachte] vrij van de primair ten laste gelegde poging tot moord;

 verklaart bewezen dat [verdachte] de primair ten laste gelegde poging tot doodslag, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen [verdachte] meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart [verdachte] hiervoor niet strafbaar;

 ontslaat [verdachte] van alle rechtsvervolging;

 legt aan [verdachte] op de maatregel van Plaatsing in een Inrichting voor Jeugdigen;

 bepaalt dat deze maatregel niet gemaximeerd is;

 adviseert de PIJ-maatregel zodra de behandeling en het beveiligingsniveau dit toelaten voort te zetten binnen jeugdkliniek De Catamaran in Eindhoven en

 heft op het bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.C.P. Goossens (voorzitter), mr. D.R. Sonneveldt en mr. J.M. Graat, rechters, in tegenwoordigheid van L.H.M. van Keulen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 maart 2020.

mr. L.C.P. Goossens en mr. J.M. Graat zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost Nederland, district Gelderland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer [nummer] (onderzoek [naam 4] ), gesloten op 7 november 2019 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] , p. 43-43A en de verklaring van [verdachte] afgelegd ter terechtzitting van 3 maart 2020.

3 De letselrapportage d.d. 7 januari 2020 (nagekomen).

4 De verklaring van [verdachte] afgelegd ter terechtzitting van 3 maart 2020.

5 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 3 maart 2020 en het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 212-213.