Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:1882

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
18-03-2020
Datum publicatie
19-03-2020
Zaaknummer
363738
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

106a Fw bestuursverbod

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2020-0087
OR-Updates.nl 2020-0130
RI 2020/60
JONDR 2020/602
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rekestnummer: C/05/363738 / HA RK 19-337

Beschikking van 18 maart 2020

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

OPENBAAR MINISTERIE,

vertegenwoordigd door mr. J.C.G. van der Wulp,

Officier van Justitie bij het Functioneel Parket,

Handhavingseenheid Zwolle,

zetelend te Zwolle,

verzoekster,

en

[Verweerder] ,

[woonplaats],

verweerder,

niet verschenen.

Partijen worden hierna het OM en [Verweerder] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het OM heeft een verzoekschrift ex artikel 106a Faillissementswet (Fw) ingediend, ingekomen ter griffie op 5 december 2019. De rechtbank heeft vervolgens zitting bepaald en het OM en [Verweerder] uitgenodigd voor een mondelinge behandeling.

1.2.

Op 19 februari 2020 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Het OM is verschenen. [Verweerder] is niet in rechte verschenen en heeft geen verweer gevoerd.

2 Het verzoek en de beoordeling

2.1.

De rechtbank stelt allereerst vast dat [Verweerder] bij (aangetekende) brief van 22 januari 2020, geadresseerd aan het adres alwaar [Verweerder] staat ingeschreven, correct is opgeroepen voor de zitting van 19 februari 2020. Deze brief is op 27 januari 2020 bezorgd en voor ontvangst is getekend. Desondanks heeft [Verweerder] geen verweer gevoerd en is hij niet ter zitting verschenen.

2.2.

Ter beoordeling ligt voor het verzoek van het OM om [Verweerder] een bestuursverbod als bedoeld in artikel 106a Fw op te leggen voor de duur van vijf jaren en ter verzekering van de naleving van het bestuursverbod hem een dwangsom op te leggen ten bedrage van € 10.000,00 per overtreding van het bestuursverbod.

2.3.

Het OM baseert het verzoek op de in artikel 106a lid 1 aanhef en onder d Fw opgenomen grond voor het opleggen van het bestuursverbod. Het OM stelt dat [Verweerder], tijdens of in de drie jaren voorafgaande aan het uitspreken van het faillissement van een rechtspersoon waarvan hij bestuurder of gewezen bestuurder is, als bestuurder ten minste tweemaal eerder betrokken was bij een faillissement van een rechtspersoon en hem daarvan een persoonlijk verwijt treft.

2.4.

De rechtbank stelt vast dat [Verweerder] na 1 juli 2016 (de datum van inwerkingtreding van, onder meer, artikel 106a Fw) als, al dan niet middellijk, bestuurder betrokken is geweest bij de faillissementen van drie rechtspersonen, te weten: [B.V. 1], [B.V. 2] en [B.V. 3] Daarnaast heeft het OM, hoewel - gelet op het tijdstip gelegen voor de inwerkingtreding van artikel 106a Fw - niet aan haar verzoek ten grondslag liggend, de betrokkenheid van [Verweerder] genoemd als bestuurder bij zestien vóór 1 juli 2016 gefailleerde rechtspersonen. [Verweerder] is op 8 oktober 2019 persoonlijk failliet verklaard.

2.5.

Het OM heeft bij haar verzoekschrift gelet op artikel 106c Fw de uittreksels uit het Handelsregister van twee rechtspersonen waarvan [Verweerder] bestuurder is (geweest) overgelegd, te weten: [B.V. 4] en [buitenlandse rechtspersoon]. Op 14 januari 2020 is [B.V. 4] in staat van faillissement verklaard. [Verweerder] is daardoor thans enkel nog (enig) bestuurder van [buitenlandse rechtspersoon]. Op grond van artikel 106c lid 2 Fw worden rechtspersonen waarvan [Verweerder] bestuurder is in de gelegenheid gesteld hun zienswijze over het gevraagde bestuursverbod naar voren te brengen. Artikel 106c lid 1 Fw verwijst echter naar rechtspersonen bedoeld in artikel 2:3 van het Burgerlijk Wetboek (BW). [buitenlandse rechtspersoon] is een rechtspersoon naar buitenlands recht en valt niet onder de rechtspersonen als genoemd in artikel 2:3 BW. Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank [buitenlandse rechtspersoon] niet in de gelegenheid hoeft te stellen haar zienswijze naar voren te brengen.

2.6.

De rechtbank is van oordeel dat het OM voldoende gemotiveerd heeft onderbouwd dat [Verweerder] als bestuurder van de drie rechtspersonen die na 1 juli 2016 zijn gefailleerd een persoonlijk verwijt treft. De curator van [B.V. 3] heeft aangifte gedaan van faillissementsfraude en heeft verklaard dat een (deugdelijke) administratie ontbreekt en dat ten aanzien van het jaar 2018 alle (omzet)administratie mist. Bovendien heeft [Verweerder] als bestuurder er niet op toegezien dat het geplaatste aandelenkapitaal van [B.V. 3] werd volgestort. De curator van [B.V. 2] heeft verklaard dat er geen administratie is aangetroffen en desgevraagd ook niet van [Verweerder] is verkregen. Vanaf het boekjaar 2014 zijn van [B.V. 2] geen jaarrekeningen meer gedeponeerd. De curator van [B.V. 1] tot slot heeft geconcludeerd dat er een zeer slechte administratieve vastlegging heeft plaatsgevonden. [Verweerder] heeft de constateringen van de curatoren niet weersproken. Naar het oordeel van de rechtbank treft [Verweerder] ook een persoonlijk verwijt van voornoemde drie faillissementen, omdat hij als bestuurder in strijd met de verplichting als bedoeld in artikel 2:10 BW geen deugdelijke administratie heeft gevoerd. De rechtbank acht daarbij nog van belang dat [Verweerder] op 5 februari 2020 strafrechtelijk is veroordeeld wegens, kort gezegd, faillissementsfraude. Ter zake is hem, naast een gevangenisstraf, ook een strafrechtelijke bestuursverbod opgelegd. Dit bestuursverbod is nog niet onherroepelijk. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat [Verweerder], zonder civielrechtelijk bestuursverbod, eigener beweging zijn bestuursactiviteiten zal staken. De rechtbank zal het verzoek van het OM daarom toewijzen en [Verweerder] een bestuursverbod voor de duur van vijf jaren opleggen.

2.7.

De verzochte dwangsom van € 10.000,00 per overtreding zal eveneens worden toegewezen, met een maximumbedrag van € 100.000,00.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

legt aan [Verweerder] een bestuursverbod op als bedoeld in artikel 106a e.v. Fw voor de duur van vijf jaren vanaf het in kracht van gewijsde gaan van deze uitspraak;

3.2.

bepaalt dat [Verweerder] als hij het bestuursverbod overtreedt een dwangsom verbeurt van € 10.000,00 per overtreding, met een maximum van € 100.000,00;

3.3.

draagt de griffier op deze beschikking, zodra deze beschikking onherroepelijk is geworden, met bekwame spoed aan de Kamer van Koophandel aan te bieden zoals bedoeld in artikel 106b lid 3 Fw ter uitschrijving van [Verweerder] als bestuurder uit het Handelsregister en ter registratie van het bestuursverbod in het Handelsregister.

Deze beschikking is gegeven door mr. F.M.Th. Quaadvliet en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2020.