Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:1860

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
18-03-2020
Datum publicatie
24-03-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 3664
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

IB/PVV. Geen subjectieve winstverwachting bij zaakwaarneming.

Na overlijden van zijn broer dient eiser lopende contracten van de eenmanszaak van de broer uit. Is sprake van belastbaar inkomen?

De inspecteur maakt niet aannemelijk dat er volledige overeenstemming is bereikt in de bezwaarfase.

Eiser heeft uitvoerig verklaard dat hij uit goede trouw en uit belofte aan zijn overleden broer slechts zijn nichtje wilde ontlasten en dat het inkomen niet aan hem is toe te rekenen. Hij heeft geprobeerd als zaakwaarnemer de boel te beredderen, mede met het oog op een openstaande belastingschuld van de broer. De inspecteur heeft eisers verklaringen niet weersproken. Hiermee heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat sprake is geweest van een subjectieve winstverwachting. Eiser heeft niet het oogmerk gehad voordeel te behalen, maar slechts om schade te beperken. De belastingschuld en overige doorlopende kosten waren niet zijn schulden, en eiser kon ook geen aanspraak maken op de opbrengsten als gevolg van de zaakwaarneming. Weliswaar heeft eiser als zaakwaarnemer in beginsel recht op een redelijke beloning, maar daarover zijn nimmer afspraken gemaakt. Omdat het van meet af aan de bedoeling was louter lopende contracten uit te dienen is in de gegeven omstandigheden ook geen sprake van een objectieve voordeelsverwachting. De inspecteur slaagt evenmin in het bewijs dat de verkoopopbrengst van de vrachtwagens tot het inkomen van eiser behoort. Er is geen bron van inkomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2020/718
Viditax (FutD), 25-03-2020
FutD 2020-0945
NTFR 2020/1500 met annotatie van mr.dr. C. Bruijsten
V-N 2020/24.2.1
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummers: AWB 19/3664 en AWB 19/3665

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van

in de zaken tussen

[naam ] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: [naam gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Enschede, verweerder.

Procesverloop

Bij uitspraak van 23 mei 2019 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de voor het jaar 2016 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: ZVW) gegrond verklaard.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Namens verweerder zijn [B] , [C] en [D] verschenen.

De rechtbank heeft het onderzoek geschorst om eiser in de gelegenheid te stellen alsnog een ontbrekend stuk in te dienen. Hij heeft van die gelegenheid gebruikgemaakt. Verweerder heeft gereageerd, eiser heeft nogmaals gereageerd. Vervolgens hebben partijen desgevraagd niet te kennen gegeven dat zij op een nadere zitting wensten te worden gehoord. Daarop heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Op 26 oktober 2015 is de broer van eiser, [naam broer] (hierna: de broer), overleden. Hij exploiteerde een eenmanszaak onder de naam [bedrijf 1] . Hij was werkzaam op het gebied van transport en logistiek. De eenmanszaak was gevestigd op het adres [adres 1] te [woonplaats] .

2. De broer heeft op 13 oktober 2015 een verklaring ondertekend, waarin onder meer het volgende is opgenomen:

“Ik ben een zeer zieke man en mijn gezondheid laat het mij niet meer toe om formele zaken te regelen (…)

Ik heb 4 vrachtwagens die zijn afbetaald en doen dienst voor mijn andere bedrijf in Bulgarije ( [plaats 2] ) (…)

Al mijn bezittingen, de wagens, personenauto, inboedel van de garage office barakken, heb ik met mijn eigen geld betaald. Behalve de bruggen, machines en andere reparatie benodigdheden zijn van mijn broertje [naam ] (dhr. [naam ] ). Hij doet monteurswerkzaamheden voor mij en voor zijn eigen productie. Mijn vrachtwagens en personenauto’s werden door [naam ] onderhouden.

6. De huur van de pand (…) zal per 1 januari 2016 komen te vervallen. Daarna zal [naam ] de pand verder huren en mijn bedrijf voortzetten. Want ik kan dat werk niet meer aan. Transport en Logistiek laat ik aan [naam ] over. Hij zal dat goed weten te regelen.

7. Ik heb verder geen schulden, behalve de Belastingdienst. Er is ruim twintigduizend euro’s afbetaald van de vijfenveertigduizend euro’s. De exacte bedragen en hoofdsom weet ik niet meer uit hoofd.

(…)”

3. De broer heeft als enige erfgenaam zijn (op dat moment) minderjarige dochter [naam dochter] achtergelaten. Zij heeft de nalatenschap beneficiair aanvaard.

4. Vanaf 1 januari 2016 heeft eiser ingeschreven gestaan in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel onder de handelsnaam [bedrijf 2] . Als adres is eveneens vermeld [adres 1] te [woonplaats] . Eiser heeft via [bedrijf 2] de lopende contracten van [bedrijf 1] uitgediend. Het aan [bedrijf 2] toegekende btw-nummer is nooit geactiveerd. In de loop van 2016 is [bedrijf 2] weer uitgeschreven uit het handelsregister.

5. In geschil is of eiser met deze werkzaamheden belastbaar inkomen heeft genoten en zo ja, wat de hoogte daarvan is. Daarbij is mede in geschil of in de bezwaarfase een compromis is gesloten.

6. Volgens verweerder bedragen de totale opbrengsten € 170.845,02 en de kosten € 45.233,50. Dit is afgeleid uit bankafschriften. In deze opbrengst is begrepen de opbrengst van de verkoop van vier vrachtauto’s voor in totaal € 38.500. Het inkomen van € 125.614 is aangemerkt als resultaat uit overige werkzaamheden van eiser. Tevens is aan eiser een vergrijpboete opgelegd van € 28.422. Na bezwaar heeft verweerder de aanslag verminderd. Daarbij is uitgegaan van een winst uit onderneming van € 78.264. Na aftrek van de MKB-winstvrijstelling van € 9.940 en de zelfstandigenaftrek van € 7.280 is het belastbaar inkomen van eiser vastgesteld op € 61.044. De boete is verminderd tot € 5.510.

Overeenstemming

7. Verweerder stelt dat in de bezwaarfase op 19 april 2019 telefonisch een overeenkomst met (de gemachtigde van) eiser is gesloten overeenkomstig de vermindering die in bezwaar heeft plaatsgevonden. Eiser betwist dat sprake is van overeenstemming.

8. De bewijslast voor de stelling dat er overeenstemming is bereikt over de hoogte van het bij eiser in aanmerking te nemen inkomen ligt bij verweerder. Verweerder heeft ter zitting bevestigd dat er geen schriftelijke vastlegging van deze gestelde overeenstemming is en heeft daarnaast verklaard dat de controlerend ambtenaar die het telefoongesprek heeft gevoerd, de heer [I] , niet meer bij de Belastingdienst werkt. Wel heeft de heer [D] , eveneens werkzaam bij de Belastingdienst, het telefoongesprek deels meegeluisterd (alleen van de zijde van de Belastingdienst, de telefoon stond niet op de speaker). Hij heeft meegekregen dat [I] ermee instemde dat in plaats van resultaat uit overige werkzaamheden van winst uit onderneming zou worden uitgegaan. De volgende dag deelde [I] aan [D] mee dat er overeenstemming was bereikt. Volgens de gemachtigde is in het telefoongesprek gesproken over de hoogte van de alsnog in aftrek te brengen kosten en is alleen daarover overeenstemming bereikt. Dat betekent niet dat ook omzet en inkomsten erkend zijn. De gemachtigde heeft ter zitting verklaard dat hij dit in het gesprek ook duidelijk heeft gemaakt.

9. Verweerder heeft hiermee naar het oordeel van de rechtbank, tegenover de gemotiveerde betwisting door eiser, niet aannemelijk gemaakt dat er volledige overeenstemming was tussen partijen en dat die correct is weergegeven in de uitspraak op bezwaar. Omdat verweerder de bewijslast draagt, draagt hij ook het bewijsrisico. De rechtbank gaat aan de stelling dat overeenstemming zou zijn bereikt daarom voorbij en komt toe aan een inhoudelijke beoordeling.

Hoogte van het inkomen

10. Voor de bepaling van de hoogte van het inkomen van eiser is in de eerste plaats de vraag aan de orde of sprake is van een bron van inkomen bij eiser en of het inkomen aan eiser moet worden toegerekend, zoals verweerder heeft gesteld.

11. Een voordeel kan slechts inkomen zijn indien er een bron aan ten grondslag ligt. Volgens vaste jurisprudentie worden als uitgangspunt de volgende drie algemene voorwaarden gesteld aan een bron van inkomen: deelname aan het economische verkeer, het (subjectieve) oogmerk om voordeel te behalen, en de (objectieve) verwachting dat het voordeel redelijkerwijs kan worden behaald.

12. Op verweerder rust de last feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken die de conclusie rechtvaardigen dat met betrekking tot de activiteiten in 2016 sprake was van een bron.

13. Eiser heeft uitvoerig verklaard dat hij uit goede trouw en uit belofte aan zijn overleden broer slechts zijn nichtje wilde ontlasten en dat het inkomen niet aan hem is toe te rekenen. Hij heeft slechts gehoor willen geven aan de laatste wil van de broer, zoals die blijkt uit de verklaring van 13 oktober 2015, om de nalatenschap zo goed mogelijk af te wikkelen. Een probleem daarbij was dat eiser zelf niet over de juiste papieren beschikte. Na overleg met onder meer [bedrijf J] is afgesproken dat lopende contracten zoveel mogelijk afgewikkeld zouden worden. Er was sprake van een belastingschuld, die aanzienlijk groter was dan de broer meende, te weten zo’n € 110.000, en er bleken wel degelijk ook andere schulden te zijn, onder meer aan [bedrijf K] . Eiser vond het niet meer dan fair naar de Belastingdienst toe dat hij zou proberen de lopende contracten zo veel mogelijk uit te dienen om van de opbrengst nog zo veel mogelijk van de belastingschuld af te lossen. Er liep op dat moment een betalingsregeling van € 2.500 per maand met de Belastingdienst en die wilde eiser graag proberen voort te zetten. Eiser heeft hierover zelfs contact gehad met de Belastingdienst, die daarmee instemde. Deze legde daarna echter beslag op de goederen en rekeningen van [bedrijf 1] . Daarom was de “bypass” met [bedrijf 2] nodig. Eiser vroeg een btw-nummer aan, maar ontving dit niet tijdig. Hierdoor ontstonden er problemen met de facturering. Eiser heeft daarom aanvullende leningen moeten afsluiten om aan de lopende verplichtingen te kunnen voldoen. De ontvangen gelden zijn gebruikt om lopende rekeningen te betalen en ook van de belastingschuld is nog wat afgelost. Daarnaast heeft zijn nichtje € 500 per maand ontvangen. Eiser zelf heeft er niets aan overgehouden en dat was ook niet zijn insteek: hij heeft slechts geprobeerd als zaakwaarnemer de boel te beredderen.

14. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser ter zitting consistent en geloofwaardig verklaard dat hij erop uit was de zaken voor de minderjarige erfgename te beredderen en zodoende de lopende verplichtingen na te komen om daardoor zo goed mogelijk aan de verplichtingen van zijn broer aan verweerder te kunnen voldoen. Verweerder heeft eisers verklaringen niet, althans niet gemotiveerd, weersproken. Hiermee heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat sprake is geweest van een subjectieve winstverwachting. Eiser heeft weliswaar deelgenomen aan het economische verkeer, maar nooit met het oogmerk hieruit voordeel te behalen, maar slechts om schade te beperken voor zijn nichtje. Hij heeft opgetreden als zaakwaarnemer voor de nalatenschap in de zin van artikel 6:198 e.v. van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). De belastingschuld en overige doorlopende kosten waren niet zijn schulden, en daar staat tegenover dat eiser juridisch gezien ook geen enkele aanspraak kon maken op de opbrengsten als gevolg van de zaakwaarneming. Uit niets volgt dat eiser het bedrijf van zijn broer heeft overgenomen als zijn eigen bedrijf. Gesteld noch gebleken is dat contracten zijn overgezet op zijn naam en eiser heeft niet betaald voor overname van activa en passiva uit de onderneming van de broer. Eiser heeft weliswaar gelden ontvangen op zijn eigen rekening, maar aannemelijk is dat dit is gebeurd omdat nota bene verweerder beslag had gelegd op de rekening van [bedrijf 1] . Op grond van de regeling in het BW komen die gelden eiser niet toe. Weliswaar heeft eiser als zaakwaarnemer in beginsel recht op een redelijke beloning, maar daarover zijn nimmer afspraken gemaakt.

15. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet is voldaan aan het vereiste van een subjectieve voordeelsverwachting. Alleen al om die reden is geen sprake van een bron. Daaraan voegt de rechtbank volledigheidshalve nog het volgende toe.

16. In het kader van de objectieve voordeelsverwachting dient te worden onderzocht of van de activiteiten van eiser redelijkerwijs kan worden verwacht dat deze hem positieve zuivere opbrengsten zullen opleveren.1 De vraag of sprake is van een objectieve voordeelsverwachting moet in beginsel worden beantwoord op basis van feiten en omstandigheden van dat jaar. Feiten en omstandigheden van andere jaren kunnen echter licht werpen op het antwoord op de vraag of in het betreffende jaar sprake is van een objectieve voordeelsverwachting en mogen daarom mede in aanmerking worden genomen.2 Uit de verklaring van eiser volgt dat het van meet af aan de bedoeling was louter lopende contracten uit te dienen. Eiser beschikte zelf niet over de benodigde papieren om de onderneming voort te kunnen zetten. Hoe in dat licht, geoordeeld over een langere periode, sprake kan zijn van een objectieve voordeelsverwachting, heeft verweerder niet onderbouwd, althans niet op juiste wijze. Verweerder is daarbij ten onrechte voorbijgegaan aan de bestaande schulden en heeft niet gesteld, laat staan onderbouwd, dat de te verwachten opbrengsten (waarvan van meet af aan duidelijk was dat die eindig waren) hoger zouden zijn dan de bestaande schulden en doorlopende kosten. De verhouding tussen de lopende en doorlopende kosten enerzijds en de inkomsten anderzijds is volstrekt onduidelijk gebleven. Eiser heeft verklaard dat hij zelfs leningen heeft moeten afsluiten om aan lopende verplichtingen te kunnen voldoen. Ook een objectieve voordeelsverwachting is gelet op dit alles niet aannemelijk geworden.

17. De vrachtauto’s zijn verkocht. Eiser heeft hiervoor in totaal € 38.500 ontvangen. Verweerder heeft gesteld dat eiser heeft erkend dat de opbrengst daarvan voor hem was. Eiser heeft ook dat gemotiveerd bestreden. De gemachtigde heeft verklaard dat verweerder in een gesprek heeft aangegeven dat in elk geval de opbrengst van de vrachtwagens verantwoord had moeten worden. Daarop heeft de gemachtigde iets geantwoord in de trant van “dat zij dan zo”. Daarmee heeft hij niet bedoeld dat hij het hiermee eens is.

18. Verweerder draagt de bewijslast voor de stelling dat de opbrengst van de vrachtwagens tot het inkomen van eiser behoort. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ook hierin niet is geslaagd. De vrachtwagens waren eigendom van de broer en behoorden tot de nalatenschap van de broer. Verweerder heeft niets gesteld waaruit volgt dat eiser aanspraak kon maken op de verkoopopbrengst. Het feit dat eiser de verkoop heeft verricht acht de rechtbank daarvoor onvoldoende, omdat de beneficiaire aanvaarding ten behoeve van de minderjarige dochter eraan in de weg stond dat zij beschikkingshandelingen verrichtte. Het feit dat de opbrengst op zijn bankrekening is gestort acht de rechtbank ook niet redengevend, vanwege de hiervoor genoemde beslaglegging op de rekening van [bedrijf 1] .

19. Gelet op het voorgaande is niet aannemelijk geworden dat bij eiser sprake was van een bron van inkomen. Aan de stellingen van verweerder omtrent het niet doen van de vereiste aangifte komt de rechtbank dan niet meer toe, omdat eiser wel aangifte heeft gedaan (zij het een nihilaangifte) en het dan op de weg van verweerder ligt eerst met de gewone regels van bewijs aannemelijk te maken dat een relatief en absoluut aanzienlijk bedrag aan belasting niet is geheven als gevolg van het doen van een onjuiste aangifte. Uit het voorgaande volgt dat verweerder hierin naar het oordeel van de rechtbank niet is geslaagd.

20. Het voorgaande brengt mee dat de beroepen gegrond dienen te worden verklaard. De aanslag IB/PVV dient te worden verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil. De aanslag inkomensafhankelijke bijdrage ZVW dient te worden vernietigd, evenals de beschikkingen belastingrente en de boetebeschikking.

21. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.572 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen bij de hoorzitting met een waarde per punt van € 261, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525 en een wegingsfactor 1). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vermindert de belastingaanslag IB/PVV over 2016 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil;

  • -

    vernietigt de beschikking belastingrente;

  • -

    vernietigt de boetebeschikking;

  • -

    vernietigt de aanslag inkomensafhankelijke bijdrage ZVW;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.572;

  • -

    draagt verweerder op om het betaalde griffierecht van € 47 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Eskes, rechter, in tegenwoordigheid van mr. T.J.P. Wientjens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

1 vergelijk Hoge Raad 14 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR6821.

2 Hoge Raad 24 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5707.