Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:1799

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
16-03-2020
Datum publicatie
24-03-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 5762
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Naheffingsaanslag BPM. WOK-status, herstel gebreken, art. 110 VWEU.

Eiser doet aangifte met taxatierapport. Hij herstelt schade voordat de auto door DRZ wordt gecontroleerd. DRZ treft geen schade aan. Naheffing op basis van koerslijst.

De rechtbank is van oordeel dat de waarde van de auto op het moment van het doen van de aangifte beslissend is voor de bepaling van de omvang van de afschrijving. Gelet op artikel 110 VWEU moet rekening worden gehouden met de waardevermindering als gevolg van schade, ook als die schade wordt hersteld voorafgaand aan de registratie. Dit geldt echter niet voor herstel van essentiële gebreken. Wanneer een auto essentiële gebreken vertoont, voldoet die niet aan de vereisten voor registratie in het kentekenregister. Er kan zich dan geen belastbaar feit voordoen. Pas als deze gebreken zijn hersteld kan de juiste vergelijking kan worden gemaakt. Voor zover het om herstel van essentiële gebreken gaat, is het buiten beschouwing laten daarvan niet in strijd met het Unierecht. De rechtbank houdt dus alleen rekening met een waardevermindering door (herstelde) schade voor zover het niet gaat om essentiële gebreken. Rechtbank stelt de waardevermindering in goede justitie vast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2020/719
Viditax (FutD), 25-03-2020
FutD 2020-1247
V-N 2020/24.26.27
NTFR 2020/1666 met annotatie van mr. B.A. Kalshoven
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 19/5762

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van

in de zaak tussen

[naam ] , te [woonplaats] , eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, Centrale administratieve processen, verweerder.

Procesverloop

Bij uitspraak van 20 augustus 2019 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de opgelegde naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) ongegrond verklaard.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2020.

Eiser is verschenen. Namens verweerder zijn mr. [A] en mr. [B] verschenen.

Overwegingen

1. Op 2 april 2019 heeft verweerder van eiser een aangifte ontvangen ter registratie in het kentekenregister van een gebruikte personenauto van het merk Volkswagen en type Tiguan 1.4 TSI (hierna: de auto). De verschuldigde BPM bedraagt op basis van de aangifte € 204. Dit bedrag is voldaan.

2. De aangifte is gedaan met gebruikmaking van een taxatierapport dat is opgesteld door [bedrijf C] . Daarin is de waarde van de auto vóór aftrek van schade door vergelijking met drie referentievoertuigen vastgesteld op € 18.172. De herstelkosten van de schade zijn berekend op € 20.347. Aftrek van dit bedrag zou echter uitmonden in een negatieve waarde. In afwijking daarvan is de handelsinkoopwaarde van de auto bepaald op € 1.000.

3. De auto is op 4 april 2019 voor controle getoond op de locatie van Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ) te Hoogeveen. DRZ heeft geen schade aangetroffen en de handelsinkoopwaarde bepaald op € 15.755 op basis van een koerslijst van Eurotax XchangeNet.

4. Met dagtekening 28 juni 2019 heeft verweerder de naheffingsaanslag opgelegd voor een bedrag van € 3.011. Daarbij is verweerder uitgegaan van een handelsinkoopwaarde van € 15.755.

5. Eiser heeft bij brief, ontvangen door verweerder op 19 juni 2019, bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag. Het bezwaarschrift van eiser is gelet op de dagtekening van de naheffingsaanslag voor de aanvang van de bezwaartermijn ingediend. Toch is de rechtbank op grond van artikel 6:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van oordeel dat niet-ontvankelijkverklaring van het bewaar terecht achterwege is gebleven. Het bezwaarschrift is namelijk ingediend nadat de naheffingsaanslag tot stand is gekomen. De totstandkoming heeft uiterlijk plaatsgevonden op 7 juni 2019. Dit volgt uit het feit dat de naheffingsaanslag op die dag is aangekondigd.

6. In geschil is de hoogte van de verschuldigde BPM. In het bijzonder verschillen partijen van mening over de in aanmerking te nemen afschrijving van de auto.

7. Eiser stelt zich op het standpunt dat rekening gehouden moet worden met een waardevermindering wegens schade van € 20.347. Hij stelt dat hij deze schade heeft hersteld voordat hij de auto aan DRZ heeft getoond. De reden daarvoor was dat eiser bij het aanmelden van de auto bij de Dienst Wegverkeer (hierna: RDW) te horen kreeg dat de auto de status van ‘Wachten op keuring’ zou krijgen omdat sprake was van essentiële gebreken. Een dergelijke wok-status blijft later altijd zichtbaar. Eiser vond dat niet wenselijk. Hij had al een koper voor de auto en is daarom direct na de eigen taxatie begonnen met herstel.

8. Verweerder stelt zich op het standpunt dat op het moment van de registratie geen sprake was van schade en dat om die reden de naheffingsaanslag terecht en tot een juist bedrag is opgelegd. Subsidiair heeft hij zich op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat rekening moet worden gehouden met een waardevermindering als gevolg van schade.

9. De rechtbank volgt het standpunt van verweerder niet. De rechtbank is van oordeel dat de waarde van de auto op het moment van het doen van de aangifte beslissend is voor de bepaling van de omvang van de afschrijving. Als het moment van registratie beslissend zou zijn, dan kan niet worden uitgesloten dat een ingevoerde gebruikte auto in bepaalde gevallen onderworpen zou worden aan een hogere belasting dan de belasting die nog rust op de waarde van een gelijksoortig, reeds op het nationale grondgebied gebruikte auto.1 Daarbij is van belang dat de keuze voor een buitenlandse auto of een zich al op de Nederlandse markt bevindende auto plaatsvindt voorafgaand aan de registratie. Op de Nederlandse schadeauto rust (theoretisch) nog maar een klein bedrag aan BPM. Als een handelaar een zich op de Nederlandse markt bevindende auto met schade koopt, de schade herstelt en de auto vervolgens op naam stelt, wordt geen BPM nageheven. Als de handelaar een identieke auto op de buitenlandse markt koopt, mag de daarop rustende BPM niet hoger uitkomen gelet op artikel 110 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Daarom moet voor de herstelde auto rekening worden gehouden met de waardevermindering als gevolg van schade, ook als die schade wordt hersteld voorafgaand aan de registratie.

10. Voor essentiële gebreken geldt het voorgaande naar het oordeel van de rechtbank niet. In zoverre zoekt zij aansluiting bij rechtspraak van Gerechtshof Amsterdam2. Wanneer een auto essentiële gebreken vertoont, voldoet die niet aan de vereisten voor registratie in het kentekenregister. Er kan zich dan geen belastbaar feit voordoen. Ook een Nederlands wok-voertuig wordt pas weer toegelaten tot het Nederlandse wegennet als de essentiële gebreken zijn verholpen en de auto door de RDW is goedgekeurd. Artikel 8, derde lid, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: de Uitvoeringsregeling) schrijft voor dat de afschrijving pas wordt vastgesteld als deze gebreken zijn hersteld. Dit leidt ertoe dat de juiste vergelijking kan worden gemaakt, te weten met een beschikbare referentieauto waarmee eveneens gebruik kan worden gemaakt van het Nederlandse wegennet. Voor zover het om herstel van essentiële gebreken gaat, is het buiten beschouwing laten daarvan dus niet in strijd met het Unierecht: pas na herstel daarvan is sprake van een auto in de zin van de wet en kan zich een belastbaar feit voordoen. Anders dan Gerechtshof Amsterdam ziet de rechtbank gelet op hetgeen hiervoor is overwogen wel aanleiding om rekening te houden met herstelde schade voor zover het niet gaat om essentiële gebreken.

11. Op grond van artikel 8, achtste lid, van de Uitvoeringsregeling had eiser de auto gedurende zes werkdagen na de datum waarop de aangifte is gedaan in ongewijzigde staat moeten laten. Omdat hij dat niet heeft gedaan, moet hij het bewijsrisico dragen van het feit dat het hierdoor voor verweerder niet mogelijk was de schade te controleren.

12. Volgens het taxatierapport van eiser is sprake van een kromme stuurinrichting, wielophanging en aandrijving en schade aan de voorbumper, motorkap, rechter zijkant, linker zijkant, achterbumper, achterklep en voorruit. Verder zijn de originele 17 inch lichtmetalen velgen niet aanwezig en vervangen door 16 inch lichtmetalen velgen.

13. Verweerder heeft erop gewezen dat de tijd op de dashboard van de auto niet overeenkomt met de tijd waarop de taxatie volgens het taxatierapport van eiser heeft plaatsgevonden. Anders dan verweerder ziet de rechtbank hierin geen reden om te twijfelen aan de geloofwaardigheid van het taxatierapport, mede gelet op de verklaring daarover van eiser tijdens de zitting, waaruit volgt dat niet noodzakelijkerwijs de tijd van het opnemen van het voertuig als wel de tijd van het (achteraf) uitwerken van het rapport als uitgangspunt is genomen.

14. De rechtbank acht het aannemelijk dat de kromme stuurinrichting, wielophanging en aandrijving de oorzaak waren dat voor de auto een wok-status dreigde. In zoverre is sprake van essentiële gebreken, die hersteld dienden te worden voorafgaand aan registratie en ter zake waarvan geen beroep op waardevermindering kan worden gedaan. In het midden kan dan ook blijven of eiser die schade aannemelijk heeft gemaakt. Er blijft dan echter nog wel enige schade over. Op basis van het taxatierapport en de foto’s acht de rechtbank aannemelijk dat sprake is geweest van schade aan de bumper, motorkap en de rijwielkast linksvoor. De totale waardevermindering als gevolg van die schade bepaalt de rechtbank in goede justitie - mede gelet op de schadecalculatie bij het taxatierapport en rekening houdend met een afslag omdat niet elke euro herstelkosten een euro waardevermindering oplevert - op € 2.000. De rechtbank zal dit bedrag in mindering brengen op de door verweerder gehanteerde koerslijstwaarde van € 15.755, omdat dit voor eiser het meest gunstig is. Dat betekent dat de handelsinkoopwaarde van de auto kan worden bepaald op € 13.755. Gelet op de cataloguswaarde van de auto, die volgens verweerder € 38.433 bedraagt, is de afschrijving dan 64,21%. De bruto BPM bedraagt € 7.844 en de verschuldigde BPM € 2.807. Op aangifte is € 204 voldaan. Daarom vermindert de rechtbank de naheffingsaanslag tot € 2.603.

15. Gelet op wat hiervoor is overwogen is het beroep gegrond.

16. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat niet is gesteld of gebleken dat eiser kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 2.603;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 174 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Eskes, rechter, in tegenwoordigheid van mr. R.A. Jackson, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

1 Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 16 januari 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:127

2 Gerechtshof Amsterdam 8 januari 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:87.