Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:1793

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
16-03-2020
Datum publicatie
07-04-2020
Zaaknummer
AWB 19/2175 en 19/4863 tot en met 19/4865
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroepen zijn niet-ontvankelijk verklaard wegens niet betalen griffierecht. Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie volgt dat het aan de nationale rechter, en niet aan de Unierechter, is om te beoordelen of de concrete heffing van griffierecht de toegang tot de rechter zodanig belemmert dat het doeltreffendheidsbeginsel is geschonden. Daarvan is in deze zaken geen sprake.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2020/881
Viditax (FutD), 08-04-2020
FutD 2020-1221
V-N 2020/24.26.39
NLF 2020/1699 met annotatie van Lisa van Esdonk-Bongaarts
NTFR 2020/1227
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummers: AWB 19/2175 en 19/4863 tot en met 19/4865

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van

in de zaken tussen

[opposante] B.V., te [plaats], opposante

(gemachtigde: [naam gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Doetinchem, verweerder.

Behandeling van de verzetten

Bij uitspraken van 9 juli 2019 en 4 december 2019 heeft de rechtbank de beroepen van opposante (met bovengenoemde procedurenummers) met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) niet-ontvankelijk verklaard.

Bij brieven van 5 augustus 2019 en 6 januari 2020, door de rechtbank ontvangen op 12 augustus 2019 en 6 januari 2020, heeft opposante tegen deze uitspraken verzet gedaan als bedoeld in artikel 8:55, eerste lid, van de Awb.

De rechtbank heeft de verzetten behandeld ter zitting van 9 maart 2020.

Namens opposante is [persoon A] verschenen, bijgestaan door de gemachtigde en [persoon B] . Verweerder is niet verschenen.

Beoordeling van het verzet

1. In de uitspraken van 9 juli 2019 en 4 december 2019 heeft de rechtbank de beroepen niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet is betaald.

2. In deze verzetprocedure dient enkel de vraag te worden beantwoord of de rechtbank zonder zitting de uitspraak heeft kunnen doen dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk was, dat wil zeggen zonder dat daarover in redelijkheid twijfel mogelijk was. Hierbij zal de rechtbank rekening houden met de gronden die in verzet zijn aangevoerd.

3. Opposante heeft aangevoerd dat het griffierecht van € 345 per zaak de toegang tot de rechter bemoeilijkt. Dit wordt versterkt door het feit dat het griffierecht op straffe van niet-ontvankelijkverklaring op voorhand moet worden betaald. Hoewel er wellicht een formele ontheffingsmogelijkheid voor de betaling van het griffierecht bestaat, zijn de inkomens- en vermogensgrens zo laag gesteld dat volgens opposante geen reële mogelijkheid bestaat om ontheffing te krijgen.

4. Opposante voert aan dat de nationale wetgeving het inleiden van de onderhavige procedure afhankelijk stelt van de betaling van het griffierecht. De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of dat recht - rekening houdend met de hoogte ervan - een al dan niet onoverkomelijk obstakel voor de toegang tot de rechter vormt. Daarbij is mede van belang dat een ontheffingsmogelijkheid bestaat.

5. De rechtbank heeft al eerder overwogen dat in zijn algemeenheid met de regeling in het bestuursrecht over heffing van het griffierecht en de daarbij behorende bedragen rechtzoekenden de toegang tot de rechter niet wordt ontnomen.1

6. In het arrest Kantarev2 kan niet gelezen worden dat het griffierecht maximaal 4% van de waarde van de vordering mag zijn. Het Hof van Justitie (hierna: HvJ) heeft in die zaak geoordeeld dat het Unierecht zich in beginsel niet verzet tegen een griffierecht waarvan de hoogte afhangt van de waarde van het geschil. Voor elke heffing van griffierecht geldt volgens het HvJ dat de nationale rechter moet onderzoeken of de hoogte daarvan in strijd is met het doeltreffendheidsbeginsel. In het bijzonder moet onderzocht worden of de heffing van het griffierecht mogelijk een al dan niet onoverkomelijk obstakel voor de toegang tot de rechter vormt, waarbij de waarde van het geschil, de hoogte van het recht, het dwingende karakter ervan en eventuele ontheffingsmogelijkheden een rol spelen.

7. Uit dit arrest volgt dus dat het de nationale rechter, en niet de Unierechter, is die in de concrete zaak moet onderzoeken of de heffing van het griffierecht in strijd is met het doeltreffendheidsbeginsel. Dit is geen kwestie van uitleg van het Unierecht, zoals opposante betoogt, maar toepassing in de concrete zaak van de uitleg die de Unierechter al heeft gegeven.

8. In het arrest Commisse/Helleense Republiek3 heeft het HvJ over de bezwaarprocedure ter zake van de Griekse registratiebelasting op auto’s het volgende overwogen:

“52. Volgens de Commissie biedt de bezwaarprocedure (…) geen reële mogelijkheid om de toepassing van de forfaitaire berekeningswijze aan te vechten, omdat de belastingschuldige een recht van 300 EUR moet betalen. Gelet op de verschuldigde belasting, vormt dit bedrag een belemmering voor het instellen van beroep bij een bezwarencommissie.

53. Vastgesteld moet worden dat een dergelijk recht de eigenaar van een voertuig er slechts van kan weerhouden om beroep in te stellen bij een bezwarencommissie indien dit een aanzienlijk aandeel van het bedrag van de betwiste registratiebelasting vertegenwoordigt.

(…)

56. In deze context blijkt dat het recht in kwestie ten opzichte van de gevorderde registratiebelasting in het algemeen slechts een gering bedrag vertegenwoordigt.

57. Voorts is het betrokken recht (…) in zijn geheel bezien gelijkwaardig aan, en vaak zelfs lager dan, de kosten van een particulier technisch deskundigenonderzoek.

58. Bijgevolg heeft de Commissie niet aangetoond dat dit recht een eigenaar ervan kan weerhouden om beroep in te stellen bij een bezwarencommissie (…)”

9. Uit overweging 53 van dit arrest volgt dat alleen sprake kan zijn van een ontoelaatbare belemmering als het griffierecht een aanzienlijk aandeel van het betwiste bedrag vertegenwoordigt. Met andere woorden: als sprake is van een relatief gering bedrag, is géén sprake van een ontoelaatbare belemmering (welk oordeel in de zaak Kantarev overigens iets is genuanceerd). Opposante stelt dat hieruit volgt dat als sprake is van een relatief hoog bedrag aan griffierecht wél sprake is van een ontoelaatbare belemmering. Daarmee draait zij het argument ten onrechte om. De aanzienlijkheid is een eerste voorwaarde, maar daarnaast blijft een toets door de nationale rechter in de individuele zaak noodzakelijk. Daarbij speelt met name ook de absolute hoogte van het griffierecht een rol, zoals volgt uit het arrest Kantarev, alsmede de mogelijkheid van ontheffing en de individuele omstandigheden van de belanghebbende.

10. Opposante heeft in verzet aangevoerd dat zij veel beroepen indient en telkens weer griffierecht moet betalen. Bij elkaar gaat het al om ongeveer € 1.000.000. Zij moet daarom keuzes maken, en laat die mede afhangen van de hoogte van het belang van de zaak. De rechtbank is echter van oordeel dat het feit dat opposante veel procedures voert niet een factor is die meeweegt bij de vraag of het griffierecht in deze zaken een obstakel voor toegang tot de rechter vormt. Opposante heeft niet gesteld dat zij beschikt over onvoldoende inkomen of vermogen om het verschuldigde griffierecht te betalen en dit volgt ook niet uit de stelling dat zij al ongeveer € 1.000.000 aan griffierechten heeft moeten betalen. Het is de rechtbank bekend dat diverse procedures van opposante gegrond zijn verklaard, zodat aannemelijk is dat zij in elk geval een belangrijk deel van dit bedrag heeft terugontvangen. Opposante heeft ook geen ontheffingsverzoek ingediend en geen financiële gegevens ingediend waaruit zou kunnen worden afgeleid dat het griffierecht voor haar onmogelijk of zeer moeilijk te betalen zou zijn. Ook het feit dat het griffierecht op straffe van niet-ontvankelijkheid aan het begin van de procedure betaald moet worden brengt in dat licht niet mee dat eiseres de toegang tot de rechter onmogelijk of uiterst moeilijk wordt gemaakt.

11. Voor het overige is slechts sprake van een principieel geschil over de vraag of de rechtbank een dergelijk bedrag aan griffierecht mag heffen en is dat naar de rechtbank begrijpt de reden voor opposante het griffierecht niet te betalen; in het andere geval wordt haar dat namelijk tegengeworpen in die zin dat de rechtbank laat meewegen dat het griffierecht feitelijk is betaald.

12. In hetgeen opposante heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om anders te oordelen dan is gedaan in de uitspraken van 9 juli en 4 december 2019.

13. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat sprake was van kennelijk niet-ontvankelijke beroepen in de zin van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb, zodat de rechtbank terecht tot sluiting van het onderzoek is overgegaan.

14. De verzetten moeten dan ook ongegrond worden verklaard. Dit betekent dat de uitspraken waartegen verzet is gedaan in stand blijven.

15. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart de verzetten ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Eskes, rechter, in tegenwoordigheid van mr. R.A. Jackson, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

1 Rechtbank Gelderland 29 mei 2019, ECLI:NL:RBGEL:2019:2376. Zie ook Hoge Raad 28 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:699.

2 Hof van Justitie EU 4 oktober 2018, C-571/16, ECLI:EU:C:2018:807.

3 HvJ 20 september 2007, C-74/06, ECLI:EUC:2007:534.