Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:1757

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
13-03-2020
Datum publicatie
13-03-2020
Zaaknummer
05/880393-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt een 36-jarige man uit Zwolle tot een gevangenisstraf van 9 maanden, tbs met dwangverpleging en een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel.

De man mishandelde op 25 december 2018 zijn vriendin, in het bijzijn van drie kleine kinderen, in haar eigen woning. Vervolgens mishandelde hij haar in het trappenhuis weer. Hierdoor vielen de man en zijn vriendin samen van de trap en brak de vriendin van de man haar rug. Het gevolg van de val, de gebroken rug van de vriendin, kan aan de man worden toegerekend. Hij heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan mishandeling, dat zwaar lichamelijk letsel tot gevolg heeft.

De man heeft op geen enkele wijze verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. De rechtbank neemt dit de man zeer kwalijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummers : 05/880393-19

Datum uitspraak : 13 maart 2020

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1983 te [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres 1] ,

op dit moment gedetineerd in de P.I. Zwolle Zuid te Zwolle,

raadsvrouw: mr. N.F. Hoogervorst, advocaat te Hilversum.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 1 oktober 2019, 10 december 2019 en 3 maart 2020.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is na een wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:

1.

Primair:

hij op of omstreeks 25 december 2018 in de gemeente Apeldoorn in een trappenhuis van een flat(woning) aan de [adres 2] zijn levensgezel, [slachtoffer] , heeft mishandeld door die [slachtoffer]

  • -

    naar een bovengelegen etage in voornoemde flat achterna te lopen/rennen en/of

  • -

    hardhandig, althans met kracht, (met een arm) om haar middel, althans haar lichaam, vast te pakken, op te tillen en/of (onder zijn arm) vast te houden (waarbij/waardoor die [slachtoffer] niet op haar (eigen) voeten kon staan en/of lopen) en/of

  • -

    die [slachtoffer] (vervolgens) van de trap af te duwen en/of af te slaan en/of

  • -

    van de trap af te slepen/sleuren (waarbij de voeten en/of benen van die [slachtoffer] achter haar aan sleepten en/of zij niet de mogelijkheid had te (gaan) staan/lopen), en/of

  • -

    (waarbij) die [slachtoffer] van één of meer trappen in dat trappenhuis is afgevallen en/of

  • -

    (daarbij/vervolgens) met haar lichaam tegen een trapleuning/traphek is gebotst/gevallen en/of

  • -

    (waarna) verdachte (terwijl die [slachtoffer] tegen de trapleuning/traphek was gebotst/gevallen) op/tegen die [slachtoffer] is gebotst/gevallen,

althans zodanig geweld op die [slachtoffer] uit te oefenen dat zij van één of meer trappen in dat trappenhuis is afgevallen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken rug ten gevolge heeft gehad;

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 25 december 2018 in de gemeente Apeldoorn in een trappenhuis van een flat(woning) aan de [adres 2] , roekeloos, in elk geval grovelijk/zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam en/of nalatig

  • -

    zijn levensgezel, [slachtoffer] , naar een bovengelegen etage in voornoemde flat is achterna gelopen/gerend en/of

  • -

    haar hardhandig, althans met kracht, (met een arm) om haar middel, althans haar lichaam, heeft vastgepakt, opgetild en/of (onder zijn arm) heeft vastgehouden (waarbij/waardoor die [slachtoffer] niet op haar (eigen) voeten kon staan en/of lopen) en/of

  • -

    die [slachtoffer] (vervolgens) van de trap heeft afgeduwd en/of afgeslagen en/of

  • -

    haar van de trap heeft afgesleept/afgesleurd (waarbij de voeten en/of benen van die [slachtoffer] achter haar aan sleepten en/of zij niet de mogelijkheid had te (gaan) staan/lopen) en/of

  • -

    (waarbij) die [slachtoffer] van één of meer trappen in dat trappenhuis is afgevallen en/of

  • -

    (daarbij/vervolgens) met haar lichaam tegen een trapleuning/traphek is gebotst/gevallen en/of

  • -

    (waarna) verdachte (terwijl die [slachtoffer] tegen de trapleuning/traphek was gebotst/gevallen) op/tegen die [slachtoffer] is gebotst/gevallen,


waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken rug, heeft bekomen, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de ambts- of beroepsbezigheden van deze was ontstaan;

2.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2018 tot en met 25 december 2018 in de gemeente Apeldoorn meermalen, althans éénmaal zijn levensgezel,

[slachtoffer] , heeft mishandeld door die [slachtoffer] meermalen, althans éénmaal tegen het hoofd, de benen en/of het lichaam te stompen, te slaan, te schoppen en/of te trappen.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 1, primair en het onder feit 2 ten laste gelegde.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde onder feit 1, nu verdachte geen opzet had (ook niet in de voorwaardelijke variant) op het toebrengen van letsel bij [slachtoffer] en hij daar ook geen schuld aan heeft. Ook voor het ten laste gelegde onder feit 2 heeft de verdediging vanwege gebrek aan bewijs vrijspraak bepleit.

Beoordeling door de rechtbank

Ten aanzien van feit 2

Het dossier bevat onvoldoende bewijs waaruit blijkt dat verdachte [slachtoffer] in de periode van 1 januari 2018 tot 25 december 2018 heeft mishandeld. De rechtbank zal verdachte daarom in zoverre van de tenlastelegging vrijspreken. Wel acht zij wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] óp 25 december 2018 heeft mishandeld.

Getuige [getuige 1] heeft immers verklaard dat zij op 25 december 2018 in de woning van [slachtoffer] in Apeldoorn was. Verdachte begon zijn vriendin [slachtoffer] in de woning uit het niets te slaan. Hij sloeg [slachtoffer] waar hij haar maar raken kon. Hij sloeg haar over haar hele lichaam, onder andere met zijn vlakke handen op haar hoofd, op haar benen en op haar achterste.2 [getuige 1] is naar verdachte toegelopen en vroeg of hij dit normaal vond. Verdachte had [slachtoffer] losgelaten. Vervolgens zag ze dat verdachte [slachtoffer] weer begon te slaan op dezelfde manier.3

Daarnaast heeft getuige [getuige 2] verklaard dat hij boven [slachtoffer] in de flat woont. Op 25 december 2018 hoorde hij dat er in de woning van [slachtoffer] geslagen werd. Hij hoorde [slachtoffer] “au” roepen en hij hoorde haar huilen.4

Tevens acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [slachtoffer] de levensgezel van verdachte is en dat verdachte het feit dus tegen zijn levensgezel heeft gepleegd. Verdachte heeft namelijk verklaard dat hij een relatie met [slachtoffer] heeft, dat hij haar elke dag ziet en dat hij de vader is van een kind van [slachtoffer] .5

Ten aanzien van feit 1

Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat ze [slachtoffer] op 25 december 2018 om hulp hoorde roepen vanuit het trappenhuis van de flat aan de [adres 2] in Apeldoorn. Ze zag [slachtoffer] in de gang liggen. Verdachte pakte haar hardhandig beet om haar middel. [slachtoffer] kreeg hierbij niet de kans om te gaan staan. Verdachte had haar onder zijn arm beet en sleepte haar naar beneden, hij sleurde haar in ieder geval drie trappen af. De benen en voeten van [slachtoffer] kwamen achter haar aan gesleept.6 Getuige [getuige 1] hoorde [slachtoffer] vanuit het trappenhuis om hulp roepen en ze hoorde haar ook “au au” schreeuwen.7

Getuige [getuige 4] heeft verklaard dat hij vanuit zijn deurspion zag dat verdachte [slachtoffer] stevig vast had om haar middel en haar met het hoofd naar voren de trap af sleurde. [slachtoffer] riep om hulp. Hij zag haar wild spartelen met benen en armen. Toen verdachte en [slachtoffer] langs de voordeur van getuige kwamen had verdachte [slachtoffer] nog steeds in zijn greep. Getuige zag dat verdachte op een gegeven moment struikelde of zich verstapte waardoor hij van een trap naar beneden viel. Verdachte nam [slachtoffer] mee in zijn val. Ze kwamen gezamenlijk tegen een stalen hekwerk terecht waarna verdachte half op het lichaam van [slachtoffer] terecht kwam. [slachtoffer] schreeuwde van de pijn en riep dat ze haar benen niet meer voelde.8

Verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer] heeft opgetild en dat ze samen van de trap zijn gevallen.9

Getuige [getuige 5] heeft verklaard dat [slachtoffer] als gevolg van de val haar rug heeft gebroken.10 Ze is aan dit letsel geopereerd.11 Ten behoeve van haar herstel heeft [slachtoffer] verbleven in een revalidatiekliniek.12

Over het opzet van verdachte overweegt de rechtbank dat vast staat dat verdachte [slachtoffer] hardhandig heeft vastgepakt en haar, terwijl hij haar onder zijn arm vast had, meerdere trappen heeft afgesleurd. [slachtoffer] heeft als gevolg hiervan pijn ondervonden. Het handelen van verdachte kan naar het oordeel van de rechtbank naar algemeen spraakgebruik niet anders dan met opzet hebben plaatsgevonden. Daar komt bij dat [slachtoffer] duidelijk liet merken dat zij pijn ondervond door het handelen van verdachte, maar dat heeft verdachte niet van zijn verdere handelen afgehouden. Er is dan ook sprake van het opzettelijk aan een ander toebrengen van lichamelijk letsel of pijn, oftewel mishandeling.

Door op deze wijze [slachtoffer] van de trap te sleuren waarbij zij logischerwijs tegenstribbelde, zijn verdachte en [slachtoffer] in disbalans gekomen en zijn zij van de trap gevallen. [slachtoffer] heeft als gevolg van de val zwaar lichamelijk letsel – een gebroken rug – opgelopen. Het handelen van verdachte vormt een onmisbare causale schakel tot het letsel van [slachtoffer] . De rechtbank is van oordeel dat dit gevolg ook redelijkerwijs aan verdachte kan worden toegerekend. Het uiteindelijke gevolg, het letsel van [slachtoffer] , was voor verdachte immers voorzienbaar. Door een tegenstribbelende [slachtoffer] van de trap te sleuren op de wijze zoals verdachte heeft gedaan, was voor verdachte te voorzien dat zij van de trap zouden kunnen vallen. Gelet op de wijze waarop verdachte [slachtoffer] vasthield en de materialen van de trap en het hekwerk, had verdachte ook moeten en kunnen voorzien dat [slachtoffer] bij een eventuele val ernstig letsel op zou kunnen lopen. De gebeurtenissen

– de mishandeling en de val van de trap waardoor [slachtoffer] een gebroken rug heeft opgelopen – staan daarmee in zodanig nauw verband met elkaar dat ze volledig aan verdachte kunnen worden toegerekend.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde onder feit 1, primair heeft begaan.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het

onder feit 1 primair en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.
hij op of omstreeks 25 december 2018 in de gemeente Apeldoorn in een trappenhuis van een flat (woning) aan de [adres 2] zijn levensgezel, [slachtoffer] , heeft mishandeld door die [slachtoffer]

  • -

    naar een bovengelegen etage in voornoemde flat achterna te lopen/rennen en/of

  • -

    hardhandig, althans met kracht, (met een arm) om haar middel, althans haar lichaam, vast te pakken, op te tillen en/of (onder zijn arm) vast te houden (waarbij/waardoor die [slachtoffer] niet op haar (eigen) voeten kon staan en/of lopen) en/of

  • -

    die [slachtoffer] (vervolgens) van de trap af te duwen en/of af te slaan en/of

  • -

    van de trap af te slepen/sleuren (waarbij de voeten en/of benen van die [slachtoffer] achter haar aan sleepten en/of zij niet de mogelijkheid had te (gaan) staan/lopen), en/of

  • -

    (waarbij) die [slachtoffer] van één of meer trappen in dat trappenhuis is afgevallen en/of

  • -

    (daarbij/vervolgens) met haar lichaam tegen een trapleuning/traphek is gebotst/gevallen en/of

  • -

    (waarna) verdachte (terwijl die [slachtoffer] tegen de trapleuning/traphek was gebotst/gevallen) op/tegen die [slachtoffer] is gebotst/gevallen,

althans zodanig geweld op die [slachtoffer] uit te oefenen dat zij van één of meer trappen in dat trappenhuis is afgevallen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken rug ten gevolge heeft gehad;

2.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2018 tot en met 25 december 2018 in de gemeente Apeldoorn meermalen, althans éénmaal zijn levensgezel,

[slachtoffer] , heeft mishandeld door die [slachtoffer] meermalen, althans éénmaal tegen het hoofd, de benen en/of het lichaam te stompen, te slaan, te schoppen en/of te trappen.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft en terwijl de schuldige het misdrijf pleegt tegen zijn levensgezel

Ten aanzien van feit 2:

mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf pleegt tegen zijn levensgezel, meermalen gepleegd

5 De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder feit 1 primair en feit 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 274 dagen met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de officier van justitie geëist dat aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging en een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel zal worden opgelegd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om een straf op te leggen waarvan het onvoorwaardelijk deel niet langer is dan de duur van de voorlopige hechtenis. Daarnaast heeft de raadsvrouw naar voren gebracht dat een maatregel van terbeschikkingstelling niet aan de orde is en dat kan worden volstaan met een voorwaardelijk deel van een gevangenisstraf waaraan bijzondere voorwaarden kunnen worden verbonden.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft op 25 december 2018 zijn vriendin, in het bijzijn van drie kleine kinderen, mishandeld in haar eigen woning, een plek waar zij zich bij uitstek veilig zou moeten voelen. Vervolgens heeft hij haar in het trappenhuis weer mishandeld, als gevolg waarvan ze samen van de trap zijn gevallen, waardoor [slachtoffer] een gebroken rug heeft opgelopen. Zij ondervond daar forse invaliderende gevolgen van en heeft lange tijd in een revalidatiekliniek doorgebracht. Uit niets blijkt dat verdachte op enig moment heeft gedacht aan [slachtoffer] of de aanwezige kinderen en de gevolgen die dit voor hen kan hebben. Ook heeft verdachte op geen enkel moment tijdens het onderzoek of ter zitting verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. De rechtbank neemt dit verdachte zeer kwalijk.

De rechtbank heeft kennisgenomen van een psychologisch rapport van 27 december 2019, opgemaakt door M. van Tongeren en een psychiatrisch rapport van 6 januari 2020, opgemaakt door T.W.D.P. van Os.

Uit het psychologisch rapport komt het volgende, zakelijk weergegeven, naar voren.

Met enige voorzichtigheid wordt gesteld dat verdachte lijdt aan een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestesvermogens en een ziekelijke stoornis. Er is sprake van een verstandelijke beperking, een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met antisociale en paranoïde trekken, een ongespecificeerde depressieve stemmingsstoornis en een andere gespecificeerde trauma- of stressorgerelateerde stoornis. Aangezien de problematiek duurzaam van aard is, was er ten tijde van het tenlastegelegde naar alle waarschijnlijkheid sprake van dezelfde problematiek. Omdat verdachte de ten laste gelegde feiten ontkent en hier verder niet op in wil gaan, kan de deskundige niet vaststellen in welke mate de stoornissen een rol hebben gespeeld bij het tenlastegelegde. Dát de stoornissen een rol hebben gespeeld is echter aannemelijk. De rapporteur adviseert een klinische opname bij een instantie die gespecialiseerd is in mensen met een verstandelijke beperking. De kans op recidive van gewelddadig gedrag is hoog en er is (een) lange behandeling/begeleiding nodig in verband met de complexe problematiek. Er wordt gedacht aan een klinische opname van minimaal een jaar en daarna nog een langlopend toezicht. Dit is waarschijnlijk niet haalbaar binnen een bijzondere voorwaarde. Daarom wordt een tbs-maatregel met voorwaarden geadviseerd. Voorwaarde is dan wel dat verdachte bereid is om zich te houden aan de voorwaarden en open te staan voor een klinische opname. Dat is nu niet het geval. Als niets anders meer mogelijk is, dan zou aan een tbs met dwangverpleging gedacht kunnen worden.

Uit het psychiatrische rapport komt, zakelijk weergegeven, ook naar voren dat er bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling, namelijk een matige verstandelijke beperking en een persoonlijkheidsstoornis. Deze stoornissen waren ten tijde van het tenlastegelegde, gezien het chronische karakter van de gebrekkige ontwikkeling, aanwezig. Het is niet aannemelijk dat de gebrekkige ontwikkeling niet van invloed is geweest op het tenlastegelegde. Omdat verdachte het tenlastegelegde ontkent, wordt echter geen uitspraak gedaan over de toerekenbaarheid. De problematiek van verdachte is complex en het recidivegevaar is hoog. Daarom is een klinische behandeling noodzakelijk. Om te voorkomen dat verdachte een behandeling ontloopt adviseert de rapporteur een stevig kader, namelijk een tbs-maatregel met voorwaarden.

De reclassering heeft in haar advies van 24 februari 2020 negatief geadviseerd over een tbs met voorwaarden. De reclassering stelt dat een belangrijk aspect bij een tbs met voorwaarden is dat een verdachte een betrouwbare bereidheid toont om zich aan de opgestelde voorwaarden te conformeren. Hier heeft de reclassering zeer ernstige twijfels over. Er is sprake van sterke aversie tegen justitie en de reclassering. Het ontbreekt verdachte bovendien aan probleembesef en zelfinzicht en hij is van mening dat hij geen behandeling nodig heeft. Ook is er, gelet op zijn problematiek, sprake van een hoge mate van onmacht bij verdachte. HHConcluderend ziet de reclassering te weinig mogelijkheden om met voorwaarden de risico’s te beperken of het gedrag te veranderen.

De rechtbank verenigt zich voor wat betreft de problematiek van verdachte met de conclusies van de psycholoog en de psychiater en neemt die over. De rechtbank stelt vast dat er bij verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde een gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis bestond. Gelet daarop en op hetgeen in de rapportages over de mogelijke doorwerking van die gebrekkige ontwikkeling en stoornis is opgemerkt, is de rechtbank van oordeel dat het bewezenverklaarde in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend. De rechtbank houdt hiermee rekening bij het opleggen van de straf.

Gelet op de aard en de ernst van de feiten vindt de rechtbank een gevangenisstraf van 9 maanden passend en geboden.

Naast een gevangenisstraf vindt de rechtbank ook oplegging van de maatregel terbeschikkingstelling met dwangverpleging noodzakelijk. Aan de wettelijke vereisten voor oplegging is voldaan. De bewezenverklaarde feiten betreffen misdrijven als bedoeld in artikel 37a, eerste lid onder 1 van het Wetboek van Strafrecht, waarvoor terbeschikkingstelling mogelijk is. Daarnaast is er sprake geweest van een stoornis dan wel gebrekkige ontwikkeling van verdachte ten tijde van het plegen van de delicten. De rechtbank is voorts van oordeel dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege eist. De duur van de maatregel is niet gemaximeerd nu de feiten zijn gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam.

De rechtbank ziet geen mogelijkheid om een terbeschikkingstelling met voorwaarden op te leggen. Gezien de rapporten van de psycholoog, de psychiater en het advies van de reclassering is de rechtbank er niet van overtuigd dat verdachte zich zal willen of kunnen houden aan bijzondere voorwaarden. Van een intrinsieke motivatie bij verdachte voor behandeling en begeleiding is ook tijdens de zitting niet gebleken. Een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege is wat de rechtbank betreft dan de enig overgebleven mogelijkheid om te proberen een gedragsverandering bij verdachte teweeg te brengen en het recidiverisico te beperken.

De rechtbank zal daarnaast ook aan verdachte de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr opleggen. Naar het oordeel van de rechtbank is de oplegging van deze maatregel in het belang van de algemene veiligheid van personen en daarnaast in het belang van de bescherming van [slachtoffer] in het bijzonder. Uit de rapporten van de psychiater en de psycholoog komt naar voren dat het risico op gewelddadig gedrag in de toekomst bij verdachte hoog is. De rechtbank is daarom van oordeel dat het creëren van een mogelijkheid om verdachte, ook na beëindiging van detentie en terbeschikkingstelling langdurig onder toezicht te stellen noodzakelijk is om het recidiverisico in de toekomst naar een aanvaardbaar risico te kunnen terugdringen danwel op een aanvaardbaar niveau te houden. De rechtbank merkt ten overvloede op dat de maatregel pas kan worden tenuitvoergelegd na een daartoe strekkende vordering van het Openbaar Ministerie bij beëindiging van de terbeschikkingstelling en een daaropvolgende beslissing van de rechtbank.

De rechtbank zal derhalve aan verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van

9 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte heeft doorgebracht in voorarrest, een maatregel terbeschikkingstelling met dwangverpleging en een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 37a, 37b, 38z, 57, 63, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden;

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 gelast dat veroordeelde ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd;

 legt veroordeelde tevens op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking (artikel 38z Sr).

Dit vonnis is gewezen door mr. C.J.M. van Apeldoorn (voorzitter), mr. T. Bertens en mr. A. van der Hilst, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Bruinsma-Visscher, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 maart 2020.

mr. Bertens en mr. Van der Hilst zijn buiten

staat dit vonnis mede te ondertekenen

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2018578942, gesloten op 19 juni 2019 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 45 en 47.

3 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 47 en 48.

4 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 72 en 73.

5 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 185.

6 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] , p. 50 en 51.

7 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 49.

8 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] , p. 63. Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] , p. 64 en 65.

9 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 3 maart 2020.

10 Proces-verbaal van verhoor [getuige 5] , p. 76.

11 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 6] , p. 79.

12 Proces-verbaal van bevindingen, p. 90 en proces-verbaal van bevindingen, p. 91.