Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:1750

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
05-03-2020
Datum publicatie
16-03-2020
Zaaknummer
05/780007-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, heeft een man vrijgesproken van een poging om zijn vader om het leven te brengen, dan wel een poging om hem zwaar te mishandelen. Volgens de rechtbank is in het dossier te weinig bewijs aanwezig om te kunnen vaststellen dat de man (gericht) op zijn vader heeft geschoten. Het in het dossier aangetroffen bewijs past bovendien bij de verklaring van de man dat het schot tijdens een worsteling met zijn vader is gelost. Deze worsteling ontstond, omdat de man het wapen van zijn vader wilde afpakken waarmee deze zich van het leven wilde beroven. De rechtbank heeft de man wel veroordeeld voor het voorhanden hebben van twee vuurwapens, munitie en vals geld.

Aan vader en zoon werd ook het voorbereiden van de productie van heroïne en synthetische drugs verweten. Het voorbereiden van de productie van heroïne acht de rechtbank niet bewezen. Wel heeft de rechtbank beide mannen veroordeeld voor het voorbereiden van de productie van synthetische drugs.

Omdat de rechtbank, in tegenstelling tot de officier van justitie, een groot deel niet bewezen acht, zijn de mannen tot aanzienlijk lagere straffen veroordeeld dan door de officier van justitie geëist. De zoon is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk en tot een taakstraf voor 240 uren. De vader is veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden en tot een taakstraf voor 150 uren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummers : 05/780007-19, 05/780037-19 & 05/780038-19 (gev.ttz.)

Datum uitspraak : 5 maart 2019

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] , geboren op [geboortedag] 1982 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres 1] ,

raadsman: mr. A.W. Syrier, advocaat te Utrecht.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van
25 juli 2019, 10 oktober 2019, 13 februari 2020 en 20 februari 2020.

1a. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is onder parketnummer 05/780007-19, na een toegestane vordering wijziging tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1. hij op of omstreeks 18 april 2019 te Ermelo, in ieder geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en (al dan niet) met voorbedachten rade van het leven te beroven, die [slachtoffer] met een vuurwapen in het lichaam/het bovenbeen heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

subsidiair

hij op of omstreeks 18 april 2019, te Ermelo, in ieder geval in Nederland, aan [slachtoffer] , zijnde zijn vader tot wie hij in familierechtelijke betrekking staat, opzettelijk en (al dan niet) met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel, te weten een schotwond in het been, heeft toegebracht door die [slachtoffer] met een vuurwapen in het lichaam/het bovenbeen te schieten;

meer subsidiair

hij op of omstreeks 18 april 2018, te Ermelo, in ieder geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] , zijnde zijn vader tot wie hij in familierechtelijke betrekking staat, opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer] met een vuurwapen in het lichaam/het bovenbeen heeft

geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2. hij op of omstreeks 18 april 2019 te Ermelo, in ieder geval in Nederland, twee, althans een of meer vuurwapen(s) van categorie III, te weten een (geladen) revolver ( [merk 1] ) en/of een pistool (te weten een [merk 2] ) en/of munitie van categorie III, te weten:

- ( in totaal) 21 kogelpatronen, althans een of meer kogelpatronen, van het merk [merk 3] en/of

- ( in totaal) 20 kogelpatronen, althans een of meer kogelpatronen, van het merk [merk 4] voorhanden heeft gehad.

Onder parketnummer 05/780037-19 is verdachte ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 18 april 2019 te Ermelo, in ieder geval in Nederland, opzettelijk, zeven bankbiljetten van 500 euro, althans een of meer bankbiljetten van 500 euro, waarvan de valsheid en/of vervalsing hem, toen hij deze ontving bekend was en/of met het oogmerk om deze als echt en onvervalst uit te geven en/of te doen uitgeven, in voorraad heeft gehad.

Onder parketnummer 05/780038-19 is verdachte ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 18 april 2019, te Ermelo, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, om een feit bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet,

te weten het (telkens) opzettelijk vervaardigen van heroïne en/of amfetamine en/of metamfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of amfetamine en/of MDMA, zijnde (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

voor te bereiden en/of te bevorderen

- een of meer anderen heeft/hebben getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of

- zich en/of een of meer ander(en) gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft/hebben getracht te verschaffen en/of

- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en/of gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft/hebben gehad,

waarvan verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) om te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en) hebbende hij, verdachte, en/of een of meer van zijn mededader(s)

- een loods, gelegen op het perceel aan [adres 2] (als opslagruimte voor de benodigde chemicaliën en/of als productieruimte(n)) met daarin een verborgen ruimte, voorhanden gehad en/of

- in het kader van voornoemde activiteit(en) met elkaar contact gelegd/onderhouden en/of (een) afspra(a)k(en) gemaakt en/of

- ( een) productieopstelling(en) ten behoeve van de productie van heroïne en/of amfetamine en/of metamfetamine voorhanden gehad en/of

- ( een) hoeveelhe(i)d(en) (laboratorium)benodigdheden voorhanden gehad, waaronder: een RVS reactieketel en/of twee kogelkranen en/of een temperatuurmeter en/of jerrycans en/of mondkapjes en/of

- ( een) grote hoeveelhe(i)d(en) chemicaliën/grondstoffen voorhanden gehad, waaronder: (restanten van) azijnzuuranhydride, azijnzuur en/of MAPA zijnde methyl 3-oxo-2-Fenylbutanoaat;

en/of

hij als marktdeelnemer en/of gebruiker op of omstreeks 18 april 2019 te Ermelo, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk, een geregistreerde stof van categorie 2A van bijlage 1 van de Verordening 273/2004 van het Europees Parlement en de Raad, te weten Azijnzuuranhydride zonder een door de bevoegde instanties afgegeven registratie, in zijn bezit heeft gehouden en/of in de handel heeft gebracht.

1b. Partiële nietigheid van de dagvaarding onder parketnummer 05/780039-19

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de term ‘productieopstelling’ in de tenlastelegging onvoldoende duidelijk, dan wel feitelijk is omschreven en dat de tenlastelegging in zoverre nietig is.

De officier van justitie heeft de nietigheid betwist.

De rechtbank is van oordeel dat de term ‘productieopstelling’ gezien de tenlastelegging in het geheel en in het licht van het procesdossier voldoende feitelijke betekenis toekomt. Het verweer van de verdediging wordt dan ook niet gevolgd.

2a. Overwegingen ten aanzien van het bewijs ten aanzien van 05/780007-19

Ten aanzien van feit 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat poging moord niet bewezen kan worden en dat verdachte daarvan kan worden vrijgesproken. De tenlastegelegde poging doodslag kan, volgens de officier van justitie, wel wettig en overtuigend bewezen worden. Daartoe heeft hij gewezen op de afgeluisterde gesprekken voorafgaand en direct na het schietincident, op de verklaringen van getuige [naam 1] en op het forensisch bewijs.

De officier van justitie acht het door de verdediging aangedragen alternatieve scenario niet aannemelijk geworden, gelet op het tijdstip waarop verdachte voor het eerst over dit scenario heeft verklaard. Daarnaast is het aangedragen scenario in strijd met de verklaringen van [slachtoffer] en met overige bewijsmiddelen in het dossier.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gepleit voor vrijspraak van al het onder dit feit tenlastegelegde en heeft het volgende als alternatief scenario naar voren gebracht. Verdachte zou tijdens een gesprek met zijn vader in het kantoor van de loods hebben gezien dat deze een wapen in zijn hand had. Zijn vader zou hebben gezegd dat hij een einde aan zijn leven wilde maken. Verdachte wilde toen het wapen van zijn vader afpakken. In de daarop volgende worsteling is het wapen een paar maal afgegaan.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank komt tot vrijspraak van het onder feit 1 tenlastegelegde en overweegt daartoe als volgt.

Op basis van het dossier stelt de rechtbank vast dat de vader van verdachte, [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ), zich op 18 april 2019 in het ziekenhuis heeft gemeld met een schotwond in zijn been. Bij een operatie is een 6.35mm kogelpunt uit dat been verwijderd. Deze kogelpunt is verschoten door een in de auto van verdachte aangetroffen pistool. Op dat pistool is het DNA van (onder meer) verdachte aangetroffen. Ten tijde van het lossen van het schot waren zowel verdachte als [slachtoffer] in de loods aan de [adres 2] te Ermelo aanwezig.

[slachtoffer] heeft bij de politie verklaard dat hij vanwege financiële problemen een einde aan zijn leven wilde maken. Hij wilde dat in de loods doen middels een pistoolschot. Verdachte zou dit hebben willen voorkomen door hem het wapen af te nemen. In de daarop volgende worsteling is het wapen afgegaan.

Het dossier bevat echter geen bewijsmiddelen waaruit rechtstreeks volgt dat verdachte opzettelijk (al dan niet in voorwaardelijke vorm) met het wapen richting [slachtoffer] heeft geschoten.

Uit de beluisterde gesprekken, waarnaar de officier van justitie verwijst, voorafgaand aan en na afloop van het incident, kan weliswaar blijken dat verdachte en [slachtoffer] zeer geëmotioneerd of opgewonden op elkaar reageerden. Uit deze gesprekken kan echter niet worden afgeleid dat verdachte voornemens was zijn vader te beschieten, dan wel dat hij had geschoten.

De rechtbank overweegt dat het (forensische) bewijs bovendien in overwegende mate past bij het door de verdediging aangedragen alternatieve scenario, te weten dat het schot is gelost tijdens een worsteling tussen verdachte en [slachtoffer] . Uit het dossier blijkt onvoldoende vanaf welke plek in het been van [slachtoffer] is geschoten, zodat zonder nadere informatie, die ontbreekt, niet kan worden uitgesloten dat het bewuste schot gedurende de worsteling is gelost. Dat verdachte zich bij de politie eerst op zijn zwijgrecht heeft beroepen en pas in een later stadium over dit scenario heeft verklaard, doet daaraan niet af. Immers, verdachte heeft reeds op 19 april 2019, dus de dag na zijn aanhouding, bij de reclassering al wel deze lezing over de gebeurtenissen gegeven.

Concluderend is de rechtbank van oordeel dat de bewijsstukken in het dossier, ook in onderlinge samenhang bezien, onvoldoende overtuigend zijn voor het oordeel dat verdachte opzettelijk op [slachtoffer] heeft geschoten. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van al het onder feit 1 tenlastegelegde.

Ten aanzien van feit 2

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.1

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van forensisch onderzoek plaats delict, p. 190 en 191;

- het proces-verbaal van onderzoek wapen, op ambtsbelofte opgesteld door verbalisant [verbalisant 1] op 13 december 2019, procesverbaalnummer: PL0600-2019168722-62, bladen 1 tot en met 3;

- het proces-verbaal van onderzoek wapen, op ambtsbelofte opgesteld door verbalisant [verbalisant 1] op 16 december 2019, procesverbaalnummer: PL0600-2019168722-62, bladen 1 tot en met 3;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 13 februari 2020.

2b. Overwegingen ten aanzien van het bewijs ten aanzien van 05/780037-19

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht dit feit wettig en overtuigend bewezen. Van verdachte mocht worden verwacht dat hij nader onderzoek had gedaan naar de echtheid van het geld, nu hij het geld van een persoon van twijfelachtige reputatie zou hebben ontvangen en nu het ongebruikelijke coupures van € 500,00 betreft. Door dat onderzoek na te laten, heeft verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat het geld vals zou zijn, aldus de officier van justitie.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft voor vrijspraak gepleit.

Beoordeling door de rechtbank

Bij verdachte zijn zeven biljetten van € 500,00 aangetroffen. Deze biljetten zijn in de telmachine van de politie gedaan, waarbij één biljet niet werd geaccepteerd omdat dit mogelijk vals zou zijn. De overige biljetten zijn vervolgens afgestort. Eerst na enige tijd kwam het bericht dat ook die overige biljetten vals zouden zijn. Een bankbiljettenexpert heeft vervolgens de biljetten onderzocht. Met betrekking tot de zes bankbiljetten heeft deze expert opgemerkt dat valse biljetten betreffen van goede kwaliteit, waarbij de controle iets meer aandacht verdient. De falsificatie valt te onderscheiden door middel van de voel, kijk en kantelmethode, aldus de expert.

De rechtbank overweegt dat uit het dossier niet blijkt dat verdachte ten tijde van het ontvangen van de biljetten bekend was met de valsheid van de biljetten.

Dat verdachte de biljetten van [naam 2] zou hebben ontvangen, maakt niet dat op verdachte een (verdergaande) onderzoekplicht rustte om de biljetten op echtheid te controleren. Daarbij komt dat zelfs een telmachine van de politie de valsheid van zes van de zeven biljetten niet heeft herkend. Niet tegengeworpen kan worden dat verdachte niet bekend was met de “voel, kijk en kantelmethode”, zoals deze door een expert is gehanteerd.

Dat verdachte de aanmerkelijke kans op de valsheid van die biljetten heeft aanvaard, zoals de officier van justitie betoogde, volgt de rechtbank dan ook niet.

De rechtbank concludeert dat niet bewezen kan worden dat verdachte ten tijde van het ontvangen van de biljetten bekend was met de valsheid daarvan en zal verdachte daarom vrijspreken van dit feit.

2c. Overwegingen ten aanzien van het bewijs ten aanzien van 05/780038-19 2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastegelegde voorbereidingshandelingen voor het (kort gezegd) vervaardigen van heroïne en/of (met)amfetamine bewezen kan worden geacht. Wel dient verdachte te worden vrijgesproken van het voorhanden hebben van een productieopstelling. Het overtreden van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën kan weliswaar bewezen worden, maar omdat de Douane heeft aangegeven niet op te treden bij de aanwezigheid van minder dan 100 liter azijnzuuranhydride en nu niet bewezen kan worden dat verdachte meer dan 100 liter daarvan voorhanden had, hoefde verdachte op 18 april 2019 niet over een registratie te beschikken en dient verdachte ook van dat feit te worden vrijgesproken, aldus de officier van justitie.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft voor vrijspraak gepleit en heeft daartoe naar voren gebracht dat van hetgeen is aangetroffen in de loods slechts bij de MAPA een bestemming tot het vervaardigen van middelen voorkomende op lijst I van de Opiumwet kan worden bewezen. Deze MAPA was echter bestemd voor een derde. Met betrekking tot de overige goederen blijkt niet uit het dossier dat deze bestemd zouden zijn voor het vervaardigen van verdovende middelen.

Met betrekking tot de wet voorkoming misbruik chemische middelen heeft de verdediging gesteld dat uit het dossier niet volgt dat verdachte op 18 april 2019 100 liter of meer azijnzuuranhydride voorhanden had, zodat verdachte, op grond van de van toepassing zijnde verordening, niet tot registratie verplicht was. Derhalve levert het voorhanden hebben van (restanten van) azijnzuuranhydride geen strafbaar feit op en dient verdachte voor dit deel te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Beoordeling door de rechtbank

Ten aanzien van de voorbereidingshandelingen

[slachtoffer] had een aantal bedrijven op zijn naam en beschikte over bedrijfspand met loods aan [adres 2] . Verdachte deed daarbij zaken voor [slachtoffer] en hielp hem in die bedrijven. Zo hielp verdachte onder andere bij het contact met de Douane, dan wel belastingdienst.3 Ook bestelde hij goederen voor die bedrijven.4 Een van de bedrijven van [slachtoffer] , [naam 3] , waarvoor verdachte werkzaamheden verrichte5, heeft de CDIU (een onderdeel van de Douane) benaderd voor een uitvoervergunning van azijnzuuranhydride. Naar aanleiding hiervan is een integriteitsonderzoek ingesteld. Op 8 juni 2017 heeft verdachte per email laten weten dat de aanvraag voor een registratieverklaring voor azijnzuuranhydride door [naam 3] wordt ingetrokken.6

Aangetroffen goederen

Op 18 april 2019 heeft een doorzoeking plaatsgevonden in voornoemd bedrijfspand. Daarbij zijn (onder meer) de volgende goederen aangetroffen:

  • -

    twee volgelaatsmaskers;

  • -

    een RVS reactieketel (deels in zwart folie verpakt);

  • -

    twee kogelkranen, een buis, bouten en een temperatuurmeter, welke voorwerpen passen op de RVS reactieketel;

  • -

    een mondkapje;

  • -

    een postpakket met daarin een zilveren sealzak met daarin een plastic zak met circa 520 gram wit poeder.7 Dit postpakket is aangetroffen op de vloer van de kantine.8

Met betrekking tot de aangetroffen RVS reactieketel (inhoud 1.000 liter) hebben verbalisanten, werkzaam bij de groep landelijke Faciliteit Ondersteuning Ontmantelen, opgemerkt dat een dergelijk vat veelal wordt gebruikt in productieplaatsen ten behoeve van de productie van amfetamine.9

Bemonsteringen van het in het postpakket aangetroffen witte poeder bevat voornamelijk MAPA (methyl 3-oxo-2-fenylbutanoaat). In relatie tot drugs wordt MAPA omgezet in BMK, een grondstof voor met name amfetamine of metamfetamine. Voor MAPA zijn bij het NFI momenteel geen reguliere chemische toepassingen bekend.10

Verdachte heeft verklaard dat hij dit postpakket heeft aangenomen voor een derde wiens naam hij niet wil noemen. Hij had wel het vermoeden dat er iets ‘ondeugends’ in zou zitten, iets in de zin van drugsprecursoren afkomstig uit China. Verdachte had tegen deze derde gezegd dat hij het pakje op naam van [naam 4] moest zetten en het moest laten opsturen naar het adres van de loods. De (RVS)ketel had verdachte in de loods zien staan en hij wist dat daar spullen bij hoorden.11

Ondersteunende bewijsmiddelen

Uit onderzoek aan de telefoon van verdachte is gebleken dat verdachte in de maanden maart en april 2019 naar diverse chemische stoffen heeft gezocht die te gebruiken zijn als grondstof voor de productie van synthetische drugs, te weten:

  • -

    4468-48-8, zijnde het CAS nummer van Apaan. Apaan kan worden gebruikt om BMK te maken. BMK is een precursor voor de productie van amfetamine;

  • -

    azijnzuuranhydride, hetgeen kan worden gebruik voor de omzetting van morfine in heroïne;

  • -

    efedrine/pseudo efedrine, zijnde een grondstof voor de productie van metamfetamine.12

Ook zijn op de telefoon van verdachte chatgesprekken aangetroffen. Zo is onder andere aangetroffen een gesprek tussen verdachte en ‘ [naam 5] ’ waarin [naam 5] op 6 februari 2018 een foto stuurde van een jerrycan met de tekst ‘Phenyl Acetone’, (zijnde BMK).
Verdachte: “Ik zal vragen wat de markt is. Hoeveel ton?”

[naam 5] : “(….). In de eerste etappe 4 ton

Twee dagen later stuurde verdachte een foto van een telefoontoestel met daarop een berichtenwisseling in het Duits. Onder andere staat te lezen: “Aceton price min 50/60”.13

Hieruit leidt de rechtbank af dat verdachte gevraagd wordt om BMK te regelen, waarop hij onderzoek doet naar de markt voor BMK en met specifieke informatie komt.

Op de in de loods inbeslaggenomen computer is een document aangetroffen genaamd ‘Drugsprecursoren’, welk document is opgesteld door de Douane belastingdienst en informatie over drugsprecursoren bevat.14

Samenwerking

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte met [slachtoffer] samenwerkte en in de loods bovenstaande goederen voorhanden had. Deze goederen zijn geschikt voor de productie van amfetamine of metamfetamine. Naar het oordeel van de rechtbank hadden verdachte en [slachtoffer] deze goederen ook voorhanden met het oog op een dergelijke productie.

Concluderende overweging

Nu goederen zijn aangetroffen die gebruikt kunnen worden bij de productie van synthetische drugs, verdachte zich bezig hield met het bemachtigen dan wel leveren van BMK en MAPA, zijnde drugsprecursoren, een document daaromtrent op de computer in de loods is aangetroffen en gelet op het hiervoor weergegeven beluisterde gesprek, is de rechtbank van oordeel dat zowel [slachtoffer] als verdachte de goederen voorhanden hadden met het oog op het voorbereiden dan wel het bevorderen van het vervaardigen van synthetische drugs, waaronder amfetamine of metamfetamine. De rechtbank komt in zoverre dan ook tot een bewezenverklaring.

Gedeeltelijke vrijspraak

Voor het overige komt de rechtbank tot een (gedeeltelijke) vrijspraak. Meer in het bijzonder overweegt de rechtbank daartoe als volgt.

Onder meer is ten laste gelegd het op 18 april 2019 voorhanden hebben van een grote hoeveelheid (gespecificeerde) chemicaliën met als doel het vervaardigen van drugs. Bij een doorzoeking op die datum is een aantal jerrycans met een hoeveelheid azijnzuur aangetroffen. Echter, in het dossier is niet beschreven of en in hoeverre azijnzuur kan bijdrage aan de vervaardiging van (synthetische) drugs. Voorts zijn in een groot aantal jerrycans restanten van azijnzuuranhydride aangetroffen. De totale hoeveelheid van die stof blijkt niet uit het dossier en ook niet of deze aangetroffen hoeveelheid nog gebruikt zou kunnen worden voor de productie van (synthetische) drugs.

Met betrekking tot de loods overweegt de rechtbank dat uit het dossier niet blijkt dat deze loods beoogd was als opslag- dan wel productieruimte, zoals in de tenlastelegging omschreven.

Tot slot is de rechtbank van oordeel dat niet gebleken is van een productieopstelling, zodat ook van dat deel van de tenlastelegging vrijspraak zal volgen.

Ten aanzien van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën

Verdachte kan niet als marktdeelnemer in de zin van de Verordening nr. 273/2004 (hierna: de Verordening) worden aangemerkt en niet bewezen kan worden dat verdachte op 18 april 2019 azijnzuuranhydride op de markt heeft gebracht. In zoverre zal verdachte worden vrijgesproken.

Zoals reeds vermeld zijn tijdens de doorzoeking restanten van azijnzuuranhydride aangetroffen.15 Nu verdachte azijnzuuranhydride in opslag had, is hij aan te merken als gebruiker in de zin van artikel 2 onder h van de Verordening.

Niet is gebleken dat verdachte een door de bevoegde autoriteit afgegeven registratie had. De rechtbank komt tot een bewezenverklaring.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder parketnummer 05/78007-19, feit 2, en het onder parketnummer 05/780038-19 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

ten aanzien van parketnummer 05/78007-19 feit 2:

hij op of omstreeks 18 april 2019 te Ermelo, in ieder geval in Nederland, twee, althans een of meer vuurwapen(s) van categorie III, te weten een (geladen) revolver ( [merk 1] ) en/of een pistool (te weten een [merk 2] ) en/of munitie van categorie III, te weten:

- ( in totaal) 21 kogelpatronen, althans een of meer kogelpatronen, van het merk [merk 3] en/of

- ( in totaal) 20 kogelpatronen, althans een of meer kogelpatronen, van het merk [merk 4] voorhanden heeft gehad.

ten aanzien van parketnummer 05/780038-19

hij op of omstreeks 18 april 2019, te Ermelo, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, om een feit bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet,

te weten het (telkens) opzettelijk vervaardigen van heroïne en/of amfetamine en/of metamfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne amfetamine en/of MDMA, zijnde (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

voor te bereiden en/of te bevorderen

- een of meer anderen heeft/hebben getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of

- zich en/of een of meer ander(en) gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft/hebben getracht te verschaffen en/of

- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en/of gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft/hebben gehad,

waarvan verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) om te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en) hebbende hij, verdachte, en/of een of meer van zijn mededader(s)

- een loods, gelegen op het perceel aan [adres 2] (als opslagruimte voor de benodigde chemicaliën en/of als productieruimte(n)) met daarin een verborgen ruimte, voorhanden gehad en/of

- in het kader van voornoemde activiteit(en) met elkaar contact gelegd/onderhouden en/of (een) afspra(a)k(en) gemaakt en/of

- (een) productieopstelling(en) ten behoeve van de productie van heroïne en/of amfetamine en/of metamfetamine voorhanden gehad en/of

- (een) hoeveelhe(i)d(en) (laboratorium)benodigdheden voorhanden gehad, waaronder: een RVS reactieketel en/of twee kogelkranen en/of een temperatuurmeter en/of jerrycans en/of mondkapjes en/of

- (een) grote hoeveelhe(i)d(en) chemicaliën/grondstoffen voorhanden gehad, waaronder: (restanten van) azijnzuuranhydride, azijnzuur en/of MAPA zijnde methyl 3-oxo-2-Fenylbutanoaat;

en/of

hij als marktdeelnemer en/of gebruiker op of omstreeks 18 april 2019 te Ermelo, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk, een geregistreerde stof van categorie 2A van bijlage 1 van de Verordening 273/2004 van het Europees Parlement en de Raad, te weten Azijnzuuranhydride zonder een door de bevoegde instanties afgegeven registratie, in zijn bezit heeft gehouden en/of in de handel heeft gebracht.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van parketnummer 05/78007-19 feit 2:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

ten aanzien van parketnummer 05/780038-19:

het medeplegen van een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderden door te trachten zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit te verschaffen, en door voorwerpen en stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit

en

het medeplegen van het overtreden van een voorschrift gesteld bij artikel 1 onder a van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën, opzettelijk begaan.

5 De strafbaarheid van het feit

Ten aanzien van het cumulatief/alternatief tenlastegelegde feit onder parketnummer 05/780038-19 overweegt de rechtbank als volgt.

Verdachte wordt verweten artikel 2 onder a van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën, waarin is verboden te handelen in strijd met voorschriften bij of krachtens (onder meer) artikel 3, zesde lid van de Verordening 273/2004 van het Europees Parlement en de Raad te hebben overtreden.

Op grond van die bepaling in de Verordening dient een gebruiker over een door de bevoegde overheidsinstantie afgegeven registratie te beschikken voordat deze geregistreerde stoffen van subcategorie 2A van bijlage I in bezit kan houden. In die bijlage staat Azijnzuuranhydride vernoemd.

Dit voorschrift geldt, ingevolge artikel 6 van de Verordening en de bijbehorende bijlagen, niet voor transacties in azijnzuuranhydride, indien het gaat om hoeveelheden die, over een periode van één jaar, niet groter zijn dan 100 liter.

Niet is komen vast te staan welke hoeveelheid azijnzuuranhydride verdachte voorhanden had op 18 april 2019 en daarmee is ook niet komen vast te staan of verdachte in strijd heeft gehandeld met het in artikel 2 van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën neergelegde verbod en is dan ook niet te kwalificeren als strafbaar feit. Verdachte zal van dit feit worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De overige bewezenverklaarde feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de (door hem bewezen geachte) poging doodslag, het voorhanden hebben van wapens en munitie, de voorbereidingshandelingen voor het vervaardigen van heroïne en (met)amfetamine en het in voorraad hebben van vals geld, zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren met aftrek van de periode van voorarrest.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging acht de eis van de officier van justitie buiten alle proporties. Indien de rechtbank aan strafoplegging toekomt kan, volgens de verdediging, worden volstaan met onvoorwaardelijk strafdeel gelijk aan de periode van voorarrest.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel justitiële documentatie, gedateerd 14 januari 2020;

- een reclasseringsadvies van 25 september 2019.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het samen met anderen treffen van voorbereidingshandelingen voor het vervaardigen van synthetische drugs. In een loods had verdachte 520 gram MAPA, een reactievat met een inhoud van 1.000 liter en diverse andere benodigdheden voor de productie van (met)amfetamine. Gebruikmakend van de berekening in het stamproces-verbaal (p. 16) zou 520 gram MAPA bewerkt kunnen worden tot uiteindelijk ongeveer 1.750 gram amfetamine.

Hoewel verdachte niet zelf synthetische drugs heeft geproduceerd, is zijn gedrag zeer laakbaar. Met zijn handelen faciliteert hij namelijk de drugsproducenten. Verdachte houdt daarmee de productie van synthetische drugs in stand. De productie van synthetische drugs, de ongecontroleerde opslag van chemicaliën ten behoeve van deze productie en de dumpingen van drugsafval brengen grote veiligheidsrisico’s en risico’s voor de volksgezondheid met zich. Het is ook algemeen bekend dat het gebruik van synthetische drugs grote gezondheidsrisico’s met zich brengt voor de gebruikers van deze drugs, dat voornoemde drugs kunnen leiden tot een lichamelijke of geestelijke verslaving en dat verslaafde gebruikers misdrijven plegen om aan geld te komen om in hun verslaving te kunnen voorzien. Het is tot slot ook een feit van algemene bekendheid dat de productie van en handel in synthetische drugs in handen is van grote, georganiseerde criminele verbanden die daarmee grote winsten maken en hun belangen in deze handel en productie beschermen met geweld en bedreiging met geweld.

Verdachte heeft zich niet bekommerd om de maatschappelijke gevolgen van zijn handelen. Hij heeft slechts oog voor eigen financieel gewin gehad.

Daarnaast zijn bij verdachte twee vuurwapens en een ruime hoeveelheid munitie aangetroffen.

In het voordeel van verdachte houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte geen recente relevante justitiële geschiedenis heeft. De rechtbank komt tot een fors lagere straf dan door de officier van justitie gevorderd, nu zij, anders dan de officier van justitie, tot diverse vrijspraken is gekomen.

Bij het bepalen van de strafmaat voor de voorbereidingshandelingen sluit de rechtbank aan bij de LOVS-oriëntatiepunten voor het vervaardigen van 1.750 gram amfetamine, waarbij een factor 0,5 wordt gebruikt, gelet op de verhouding tussen de voorbereidingshandelingen en het daadwerkelijk vervaardigen van amfetamine.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat passend en geboden is een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en een taakstraf voor de duur van 240 uren.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 10a van de Opiumwet en op de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

9 De beslissing

De rechtbank:

 spreekt verdachte vrij van het onder parketnummer 05/780007-19 feit 1 en het onder 05/780037-19 tenlastegelegde;

 verklaart bewezen dat verdachte de overige tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging ter zake van het cumulatief/alternatief onder parketnummer 05/780038-19 tenlastegelegde;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte (in zoverre) strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;

  • -

    bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf groot 3 (drie) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, vanwege het niet nakomen van de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd, die op twee jaren wordt gesteld, niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

  • -

    beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

  • -

    veroordeelt verdachte tevens tot een taakstraf gedurende 240 (tweehonderdveertig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen;

  • -

    heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. Y.M.J.I. Baauw (voorzitter), mr D.S.M. Bak en
mr. J.M. Hamaker, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C. Aalders, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 maart 2020.

Mr. Hamaker is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 2] van de politie Oost- Nederland, district recherche NO Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, proces-verbaalnummer 201904241115.RLS, gesloten op 23 juni 2019 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 3] van de politie, Landelijke Eenheid, dienst landelijke recherche, opgemaakte proces-verbaal met nummer 26Adamsville-245, gesloten op 2 december 2019 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

3 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , proces-verbaalnummer 26Adamsville-00251, opgesteld op ambtseed op 10 december 2019, bladen 3 en 4, proces-verbaal van verhoor verdachte [slachtoffer] , proces-verbaalnummer 26Adamsville-00252, opgesteld op ambtseed op 9 december 2019, blad 3, proces-verbaal van verhoor verdachte [slachtoffer] , proces-verbaalnummer 26Adamsville-00254, blad 3, opgesteld op ambtseed op 9 december 2019, blad 3, en verklaringen van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 13 februari 2020.

4 Proces-verbaal van verhoor verdachte [slachtoffer] , proces-verbaalnummer 26Adamsville-00254, blad 3, opgesteld op ambtseed op 9 december 2019, blad 23.

5 Proces-verbaal van ontvangst, p. 33.

6 Proces-verbaal van bevindingen, p. 29.

7 Proces-verbaal van bevindingen, p. 111 t/m 113.

8 Een bijlage bij een proces-verbaal van bevindingen, p. 152.

9 Proces-verbaal van bevindingen, p. 117 en 122.

10 Een NFI-rapport, p. 160 en 164.

11 Verklaringen van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 13 februari 2020.

12 Proces-verbaal van bevindingen, p. 190 t/m 193

13 Proces-verbaal van bevindingen, p. 177 t/m 179.

14 Proces-verbaal van bevindingen, p. 228 en 229 en een schriftelijk bescheid, p. 233 t/m 246.

15 Zie proces-verbaal van bevindingen, p. 117 t/m 122.