Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:1709

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
13-03-2020
Datum publicatie
16-03-2020
Zaaknummer
20-239
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

“Handhavend optreden tegen het gebruik van recreatiewoningen op recreatiepark De Groene Heuvels door arbeidsmigranten. Gebruik recreatiewoningen is in strijd met het bestemmingsplan. Verweerder heeft op basis van controleverslagen en stellingen van partijen terecht geconcludeerd dat het bestemmingsplan overtreden wordt. Er lopen allerlei initiatieven om te komen tot revitalisatie van de Groene Heuvels en gebruik van de recreatiewoningen in overeenstemming met het bestemmingsplan. Deze initiatieven zijn echter nog te weinig concreet om te leiden tot het oordeel dat verweerder had moeten afzien van handhaving.”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Zutphen

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 20/239

uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 maart 2020

op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekers] , te [woonplaats] ,

[verzoekers] B.V., te [woonplaats] ,

verzoekers,

(gemachtigde: mr. H.P. Wiersema),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Beuningen, verweerder.
(gemachtigde: mr. C.M.M. van Mil).

Procesverloop

Bij besluit van 18 oktober 2019 heeft verweerder aan de [verzoekers] een last onder dwangsom opgelegd.

Verzoekers hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Verzoekers hebben tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 februari 2020. Op deze zitting zijn de volgende zaken gelijktijdig behandeld: AWB 20/221, 20/222, 20/223, 20/224, 20/225, 20/227, 20/228, 20/230, 20/231, 20/232, 20/233, 20/235, 20/236, 20/237, 20/238, 20/239, 20/240, 20/241, 20/242, 20/244, 20/245, 20/246, 20/247, 20/248, 20/249, 20/251, 20/253, 20/254, 20/255, 20/256, 20/258, 20/259, 20/260, 20/261, 20/262, 20/264, 20/265, 20/266, 20/267, 20/268, 20/270, 20/272, 20/273, 20/276, 20/278, 20/279, 20/280, 20/282, 20/283, 20/284, 20/285, 20/288, 20/289, 20/290, 20/291, 20/292 en 19/7310 . Verzoekers hebben zich laten vertegenwoordigen door de gemachtigde en door mr. V.J. Rakovitch. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door de gemachtigde, T. van Balkom, A. Kooymans en Y.J.A. van Breda-Kuipers.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. Verweerder is één van de twintig gemeenten die mee doet aan het project Ariadne. De politie, het openbaar ministerie en de provincie doen ook aan dit project mee. Onderdeel van het project is de advisering en ondersteuning van gemeenten bij toezicht en handhaving op en rondom vakantieparken, onder meer voor wat betreft permanente bewoning in strijd met het bestemmingsplan.

In het kader van dit project hebben in februari 2019 controles op vakantiepark “De Groene Heuvels” plaatsgevonden en is vervolgens tegen een groot aantal eigenaren en gebruikers van recreatiewoningen op het park handhavend opgetreden.

3. Verweerder heeft de Holding gelast het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bestaande uit het (laten) gebruiken van het perceel Groene Heuvels 3 en de daarop aanwezige opstallen voor huisvesting van personen die daarvandaan naar hun werk gaan en/of het (laten) gebruiken als centrum van hun sociaal maatschappelijk leven, binnen zes maanden na verzenddatum van dit besluit te beëindigen en beëindigd te houden. Voldoet zij niet aan deze last, dan verbeurt zij een dwangsom van € 10.000 per maand of een gedeelte daarvan, tot een bedrag van € 60.000.

Griffierecht

4. Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen het geheven griffierecht. In de eerste plaats wijzen zij erop dat verweerder afzonderlijke handhavingsbesluiten heeft genomen voor de recreatiewoningen Groene Heuvels 3 en 4, waar de Holding eigenaar van is. Voor beide besluiten geldt dat verzoekers één verzoek om voorlopige voorziening hebben ingediend. Omdat volgens hen sprake is van samenhangende besluiten, hoefde in die twee zaken maar één keer griffierecht te worden geheven. In de tweede plaats vinden zij het onredelijk dat het hoge tarief in rekening is gebracht, gezien het grote aantal natuurlijke personen die het verzoek hebben ingediend.

4.1

Op grond van artikel 8:82, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt van verzoeker door de griffier een griffierecht geheven.

In het tweede lid is bepaald dat dit griffierecht gelijk is aan het griffierecht dat voor de hoofdzaak verschuldigd is. In 8:41, tweede lid, wordt voor het griffierecht in de hoofdzaak onderscheid gemaakt tussen het griffierecht dat in rekening wordt gebracht aan natuurlijke personen (onder a en b) en aan anders dan natuurlijke personen (onder c).

In het derde lid is bepaald dat indien het een beroepschrift tegen twee of meer samenhangende besluiten dan wel van twee of meer indieners tegen hetzelfde besluit betreft, eenmaal griffierecht is verschuldigd. Dit griffierecht is gelijk aan het hoogste van de bedragen die bij toepassing van het tweede lid verschuldigd zouden zijn geweest.

Dit lid is van overeenkomstige toepassing als sprake is van verzoeken om voorlopige voorziening.

4.2

Vast staat dat de gemachtigde van verzoekers één verzoekschrift heeft ingediend. Van samenhangende besluiten is vervolgens sprake indien het besluiten betreft die gebaseerd zijn op een complex van regelgeving dat dezelfde belangen beoogt te beschermen, waarmee hetzelfde doel wordt nagestreefd en waaraan hetzelfde feitensubstraat ten grondslag ligt.1

De voorzieningenrechter stelt vast dat het verzoek is gericht tegen afzonderlijke lasten, gericht tegen het gebruik van twee afzonderlijke recreatiewoningen op de Groene Heuvels. Aan die lasten heeft verweerder een afzonderlijke beoordeling voor elke recreatiewoning ten grondslag gelegd. De voorzieningenrechter is van oordeel dat onder die omstandigheden geen sprake is van samenhangende besluiten.

4.3

Omdat het verzoek tevens namens rechtspersonen (en dus niet slechts door natuurlijke personen) is ingediend, is bovendien het (hoge) tarief vermeld onder artikel 8:41, tweede lid, onder c, van de Awb verschuldigd.

Belanghebbendheid [verzoekers] en [verzoekers]

5. Verweerder heeft betoogd dat [verzoekers] en [verzoekers] niet als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Awb zijn aan te merken.

5.1

Omdat de last onder dwangsom is opgelegd aan één van de overige verzoekers en deze in ieder geval is aan te merken als belanghebbende, komt de voorzieningenrechter in ieder geval toe aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek. Hij ziet daarom geen aanleiding nader te onderzoeken of er verzoekers zijn die niet als belanghebbenden zijn aan te merken. In de beslissing op bezwaar zal verweerder op dit punt nader in moeten gaan.

Procedureel gebrek?

6. Voor zover is betoogd dat de opgemaakte controlerapporten eerst na het starten van de bezwaarprocedure zijn ontvangen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het enkele niet tijdig verstrekken van controlerapporten niet tot de conclusie kan leiden dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. De controlerapporten zelf dateren immers van vóór het bestreden besluit. Het betoog faalt.

6.1

Dat een van de controleformulieren pas is ondertekend ver ná de controle en ver ná de last onder dwangsom en dat de ondertekeningsdatum afwijkt van de datum die op andere controlerapporten staat maakt bovendien niet dat niet uit kan worden gegaan van de inhoud van de controles. Ook dit betoog faalt derhalve.

Past het gebruik door tijdelijke werknemers in het bestemmingsplan?
7. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan Buitengebied Beuningen, onherroepelijk sinds 1 augustus 2012 (verder: het bestemmingsplan). Het perceel heeft de enkelbestemming ‘recreatie’ en de functieaanduiding ‘verblijfsrecreatie’.

7.1

De voor Recreatie aangewezen gronden zijn op grond van artikel 11.1.1 bestemd voor:

a. verblijfsrecreatie;

b. dagrecreatie;

c. waterhuishoudkundige doeleinden;

d. de opwekking van duurzame energie in de vorm van windenergie en zonne-energie alsmede warmte-koude opslag;

7.2

Op grond van artikel 11.4.1 van het bestemmingsplan wordt onder gebruik strijdig met de bestemming in ieder geval begrepen het gebruiken en/of laten gebruiken van gronden en/of opstallen voor :

(…)

f. de huisvesting van tijdelijke werknemers;

g. voor permanente bewoning van recreatiewoningen en kampeermiddelen inclusief stacaravans.

Artikel 1.88 van het bestemmingsplan verstaat onder de huisvesting van tijdelijke werknemers: het huisvesten van werknemers, die in een periode van grote arbeidsbehoefte gedurende enkele maanden op een agrarisch bedrijf werkzaam zijn om naar de aard kortdurend werk te verrichten, voor zover noodzakelijk voor een doelmatige bedrijfsvoering.

7.3

Als tijdelijke werknemers als bedoeld in artikel 1.88 van het bestemmingsplan de recreatiewoning gebruiken voor hun huisvesting, is al sprake van strijd met het bestemmingsplan. Dat volgt uit artikel 11.4.1, onder f. Aan het betoog van verzoekers dat de tijdelijke werknemers elders hun hoofdwoonverblijf hebben – wat daar ook van zij – gaat de voorzieningenrechter daarom voorbij.

Het betoog treft geen doel.

Bewijs van overtreding

8. Aan de vaststelling dat de recreatiewoning in strijd met het bestemmingsplan wordt gebruikt heeft verweerder op ambtseed opgemaakte controlerapporten ten grondslag gelegd. Deze rapporten zijn door toezichthouders werkzaam bij verweerder opgesteld na een controle op het park.

8.1

In bezwaar heeft de gemachtigde van verzoekers aangevoerd dat de toezichthouders niet hebben voldaan aan diverse vereisten voor het vorderen van inlichtingen. De eerste vraag die dient te worden beantwoord is of de toezichthouders door burgemeester en wethouders als toezichthouders waren aangewezen om ter plaatse controles uit te oefenen.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dat het geval. Op 21 februari 2019 heeft verweerder besloten ambtenaren aan te wijzen als toezichthouders als bedoeld in artikel 5:11 van de Awb in het kader van de naleving van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Wet basisregistratie personen ten behoeve van het park. In de bijlage bij dat besluit staan de aangewezen ambtenaren bij naam vermeld. Er zijn geen aanwijzingen dat de overgelegde bijlage niet deel uitmaakt van het aanwijzingsbesluit, zoals verzoekers ter zitting hebben betoogd.

De voorzieningenrechter stelt vervolgens vast dat het bestreden besluit is gebaseerd op controlerapporten die zijn opgemaakt door ambtenaren die op die lijst staan vermeld.

Het betoog slaagt daarom niet.

8.2

De volgende vraag die beantwoord moet worden is of verweerder gebruik mag maken van standaard-controlerapporten. Blijkens het gestandaardiseerde formulier moet op de volgende punten antwoord worden gegeven:

- naam toezichthouder;

- datum controle;

- waar bevindt de toezichthouder zich ten tijde van de controle: bij of in de directe nabijheid van de uitgang van het vakantiepark, dan wel op het vakantiepark zelf;

- met wie heeft de toezichthouder gesproken;

- in welk huisje verblijft de betreffende persoon;

- hoe is de betreffende persoon aan dit huisje gekomen;

- doel van het verblijf;

- huurbedrag;

- aantal medehuurders;

- of de betreffende persoon staat ingeschreven in de basisregistratie personen;

- naam van de werkgever;

- of de betreffende persoon dagelijks terugkomt in de woning;

- hoogte van het loon;

- of sprake is van een uitkering;

- of toeslagen worden ontvangen;

- of gebruik wordt gemaakt van een motorvoertuig.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat, hoewel geen sprake is van een geïndividualiseerde verklaring, de ingevulde formulieren een goed beeld geven van het gebruik van de recreatiewoning. Verweerder heeft deze formulieren daarom aan het besluit ten grondslag mogen leggen.

8.3

De volgende vraag die beantwoord moet worden is of een enkele controle voldoende is om de last te dragen. De voorzieningenrechter stelt vast dat ook in de gevallen dat sprake is van één enkele controle verzoekers op geen enkel moment in de procedure hebben ontkend dat in de recreatiewoning tijdelijke werknemers wonen. De gronden van het verzoek bevestigen dat nog eens. Dit betoog leidt daarmee niet tot het beoogde doel.

8.4

Het enkele feit dat niet alle personen die worden genoemd in het bestreden besluit (nog altijd) gebruik maken van de recreatiewoning maakt het onderzoek niet onzorgvuldig, omdat uit die controles blijkt dat er tijdelijke werknemers verblijven.

8.5

De conclusie is dat de formulieren ten grondslag mochten worden gelegd aan het bestreden besluit.

Last opgelegd aan de overtreder?

9. Op grond van artikel 5:32, eerste lid, van de Awb wordt de last onder dwangsom opgelegd aan de overtreder. Onder overtreder wordt verstaan: degene die de overtreding pleegt of medepleegt.2

9.1

Nu onder gebruik in strijd met de bestemming ook het laten gebruiken ten behoeve van de huisvesting van tijdelijke werknemers wordt verstaan,3 heeft verweerder de last terecht aan de verhuurder van de recreatiewoning opgelegd. Dat de last niet tevens is opgelegd aan de eigenaar van de ondergrond – wat daar ook van zij – maakt dat niet anders. Het betoog faalt.

Beginselplicht tot handhaving

10. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Het bestuursorgaan mag slechts onder bijzondere omstandigheden van het opleggen van een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom afzien. Dergelijke omstandigheden kunnen zich voordoen als concreet zicht op legalisatie bestaat, of als het opleggen van een dergelijke last zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat in die concrete situatie van het opleggen van die last behoort te worden afgezien.

Concreet zicht op legalisatie

11. Verzoekers betogen dat sprake is van concreet zicht op legalisatie. Er is een aanvraag ingediend voor een tijdelijke omgevingsvergunning voor 5 jaar voor de huisvesting van tijdelijke werknemers op het park. Deze aanvraag is afgewezen en inmiddels is bezwaar gemaakt. Als verweerder met verzoekers in overleg zou treden, zou mogelijkerwijs tot vergunningverlening kunnen worden gekomen. Bovendien is door de erfpacht- en opstalhouders een overeenkomst gesloten, waarin is overeengekomen dat de recreatieobjecten tot 2022 worden ingezet voor huisvesting van tijdelijke werknemers, waarna per object zal worden geïnventariseerd welke investeringen nodig zijn om het object weer geschikt te maken voor recreatief gebruik. Het strijdig gebruik wordt dus binnen afzienbare termijn beëindigd, aldus verzoekers.

11.1

De voorzieningenrechter is in de eerste plaats van oordeel dat de aanvraag om omgevingsvergunning geen concreet zicht op legalisatie oplevert. De vergunning is geweigerd en verweerder heeft ter zitting bevestigd dat hij geen medewerking wil verlenen aan vergunningverlening in afwijking van het bestemmingsplan.

Dat er verder initiatieven in gang zijn gezet die op termijn mogelijk leiden tot beëindiging van het strijdige gebruik, levert op dit moment evenmin concreet zicht op legalisatie op. Daarvoor zijn die initiatieven nog onvoldoende concreet. Het betoog treft geen doel.

11.2

Verder kan de voorzieningenrechter in deze procedure geen rekening houden met mogelijke toekomstige politieke ontwikkelingen (in de Tweede Kamer) rond de legalisering van de bewoning van recreatiewoningen. Daarvoor is die ontwikkeling nog onvoldoende concreet.

Handhaving is onevenredig bezwarend en ineffectief; begunstigingstermijn

12. Verzoekers hebben gewezen op de gevolgen die het ‘schoonvegen’ van het park heeft voor de tijdelijke werknemers en de verhuurders. De tijdelijke werknemers verblijven al sinds 2005 op het park. Uit het rapport ‘Arbeidsmigranten op recreatiepark de Groene Heuvels in Ewijk’ van het Expertisecentrum Flexwonen van 17 juli 2019 blijkt er in de regio Nijmegen onvoldoende locaties zijn voor huisvesting van arbeidsmigranten; voor verweerders gemeente bestaat volgens het rapport een tekort van 250 – 300 plekken. Voor huisvesting van de tijdelijke werknemers bestaat geen alternatief.
Verzoekers hebben er verder op gewezen dat uit het rapport ‘Vitaliteitsscan Vakantiepark de Groene Heuvels te Ewijk’ uit november 2019 blijkt dat het park niet vitaal is en dat er tientallen miljoenen euro’s nodig zijn om het park op te knappen. Handhaving zal leiden tot verloedering. Die wordt nog versterkt doordat verweerder in tranches handhaaft; delen van het park zullen leegstaan terwijl andere delen worden bewoond. Als de woningen leeg komen te staan, zijn die niet geschikt om te verhuren aan recreanten.

Om op termijn te komen tot een vitaal park en om een einde te maken aan de huisvesting van arbeidsmigranten, hebben erfpacht- en opstalhouders een overeenkomst gesloten. Daarin is overeengekomen dat de recreatiewoningen tot 2022 worden ingezet voor huisvesting van tijdelijke werknemers, waarna per woning zal worden geïnventariseerd welke investeringen nodig zijn om het object weer geschikt te maken voor recreatief gebruik. Om deze investeringen te financieren, is een stichting opgericht, Stichting Spaarsysteem Groene Heuvels. Eind december 2019 zat een bedrag van € 141.560 in deze ‘spaarpot’.

Verzoekers hebben een verlenging van de begunstigingstermijn bepleit om deze ontwikkelingen mogelijk te maken. Deze ontwikkelingen leiden er op termijn immers toe dat het park wordt gebruikt overeenkomstig de bestemming, aldus verzoekers.

12.1

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het algemeen belang het meest is gediend met handhaving van het bestemmingsplan op het park. Verweerder vindt dat het park een recreatieve bestemming heeft en moet houden. Samen met grondeigenaar [naam] wordt een visie ontwikkeld met als doel de recreatieve en toeristische aantrekkingskracht van het park en het gebied rondom het park, te vergroten. Deze visie zal onderdeel uitmaken van de omgevingsvisie voor de hele gemeente. De visie zal in 2020 worden behandeld in de gemeenteraad. Het gebied rondom de Groene Heuvels vraagt een snellere doorontwikkeling en zal vooruitlopend op de omgevingsvisie een bouwsteen vormen voor de visie, aldus verweerder.

12.2

Bij de beoordeling of sprake is van bijzondere omstandigheden die ertoe zouden moeten leiden dat wordt afgezien van handhaving, dienen de algemene belangen bij handhaving en de belangen van verzoekers bij het afzien van handhaving tegen elkaar te worden afgewogen.

12.3

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder het belang van handhaving van het bestemmingsplan zeer zwaar heeft mogen laten wegen, afgezet tegen de belangen van verzoekers. Handhaving leidt ertoe dat tijdelijke werknemers hun huisvesting verliezen. Maar het was duidelijk dat de huisvesting op het park van deze mensen illegaal was en is. De periode dat niet is opgetreden, is zodanig dat dit in deze belangenafweging geen rol speelt.

Dat handhavend optreden mogelijk ernstige financiële gevolgen heeft voor verzoekers (met name voor de verhuurders van de woningen) leidt om evenmin tot het oordeel dat dit optreden zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat het bestuursorgaan daarvan om die reden behoort af te zien.4

De voorzieningenrechter herhaalt nog eens dat zowel verweerder als verhuurders van recreatiewoningen initiatieven ontplooien om aan de illegale situatie een einde te maken en het park te revitaliseren. Al deze plannen zijn echter nog weinig concreet – hoezeer ook valt te waarderen dat in ieder geval een spaarpot wordt gecreëerd voor het opknappen van de woningen. Zo is onduidelijk op welke termijn de illegale situatie wordt beëindigd en het park weer geschikt wordt voor recreatie. Ter zitting is bovendien duidelijk geworden dat niet alle huiseigenaren deelnemen in deze spaarpot. Al met al is hierin geen grond gelegen voor het oordeel dat verweerder had moeten afzien van handhavend optreden.

12.4

Het is verder vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat bij het bepalen van de lengte van de begunstigingstermijn als uitgangspunt geldt dat deze termijn niet wezenlijk langer mag worden gesteld dan noodzakelijk is om de overtreding te kunnen opheffen.5 Bovendien geldt dat een begunstigingstermijn niet hoeft te worden gekoppeld aan de termijn die nodig is om een overtreding te legaliseren.6

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder in redelijkheid de begunstigingstermijn heeft kunnen bepalen op zes maanden. Beëindiging van de overtreding binnen deze termijn is mogelijk. Dat er bij het aflopen van die termijn nog geen gemeentelijke visie ligt op het park en dat de huisjes leeg zouden komen te staan, doet daar niet aan af. Afstemming van de begunstigingstermijn op de uitvoering van de gemeentelijke visie of voortzetting van de illegale bewoning totdat de woningen geschikt zijn gemaakt voor recreatie, leidt in wezen tot een gedoogsituatie. Het is immers nog onduidelijk wanneer dit allemaal zijn beslag krijgt.

12.5

Het betoog treft geen doel.

Belangenverstrengeling; détournement de pouvoir

13. Verzoekers hebben erop gewezen dat de ondergrond van het park eigendom is van [naam] Enig aandeelhouder van deze B.V. is [naam] , dat eigendom is van onder meer verweerders gemeente. Verzoekers zien hierin een verklaring waarom verweerder aan [naam] enkel een voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom heeft opgelegd en niet meer dan dat. In dat voornemen was een ruimere begunstigingstermijn van 18 maanden opgenomen. Verder hebben zij erop gewezen dat het festival Down the Rabbit Hole sinds 2014 jaarlijks wordt gehouden in de Groene Heuvels. Als medeaandeelhouder van [naam] profiteert de gemeente van de verhuur van het festivalterrein. Handhaving is verder ingegeven door het innen van toeristenbelasting en leges, aldus verzoekers.

13.1

Artikel 2:4, eerste lid, van de Awb luidt: "Het bestuursorgaan vervult zijn taak zonder vooringenomenheid."

Artikel 3:3 van de Awb luidt: “Het bestuursorgaan gebruikt de bevoegdheid tot het nemen van een besluit niet voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend.”

13.2

De voorzieningenrechter ziet onvoldoende concrete aanknopingspunten voor de conclusie dat gehandeld is in strijd met artikel 2:4, eerste lid, van de Awb. Verweerder heeft benadrukt dat de handhaving is ingegeven door de wens dat het park in overeenstemming met het bestemmingsplan behouden wordt en blijft voor recreatie. Er zijn geen omstandigheden aangedragen die de voorzieningenrechter overtuigen dat andere motieven een rol hebben gespeeld. Het belang dat verweerder hecht aan handhaving van het bestemmingsplan blijkt ook uit de betrokkenheid van de gemeente bij het project Ariadne.

Bovendien, of een ander al dan niet is aangeschreven doet aan de aanschrijving van de Holding niet af. Van strijd met artikel 3:3 van de Awb is daarom geen sprake.

Hoogte van de dwangsom

14. De voorzieningenrechter stelt voorop dat een dwangsom strekt tot het voorkomen van (de voortzetting van) een overtreding. Artikel 5:32b, derde lid, van de Awb bepaalt dat de hoogte van de op te leggen dwangsom in redelijke verhouding dient te staan tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom. Daarbij geldt dat een dwangsom een redelijke prikkel moet zijn om aan een last te voldoen.

14.1

Op 18 februari 2019 heeft verweerder de ‘Beleidsregel handhaving tegen bestemmingsplanstrijdig gebruik van gronden en opstallen met een recreatieve bestemming’ vastgesteld (verder: de Beleidsregel). In de Beleidsregel is bepaald dat indien verweerder handhavend optreedt in het geval sprake is van een eigenaar van een opstal en/of gronden de

last zal inhouden dat het strijdige gebruik op het betreffende kadastrale perceel (dus voor alle opstallen op dat perceel) binnen zes maanden moet worden beëindigd en beëindigd moet worden gehouden. Na deze periode zal voor iedere maand, of gedeelte daarvan een dwangsom worden verbeurd van € 10.000 met een maximum van € 60.000.

Dat, zoals verzoekers ter zitting hebben betoogd, de hoogte afhankelijk zou zijn van het aantal tijdelijke werknemers dat gebruik maakt van de recreatiewoning, kan niet worden afgeleid uit de Beleidsregel.

14.2

De hoogte van de opgelegde dwangsom is in overeenstemming met de Beleidsregel. Er is ook overigens geen grond voor het oordeel dat de hoogte van de dwangsom niet in een redelijke verhouding staat tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom. Het betoog dat de dwangsom onredelijk hoog is, slaagt daarom niet.

Conclusie

15. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het bestreden besluit naar verwachting in bezwaar in stand zal blijven. Voor het treffen van een voorlopige voorziening is daarom geen aanleiding. Het verzoek zal worden afgewezen.

16. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H. van Breda, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van C. Kuiper, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 13 maart 2020

griffier

voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4059.

2 Zie artikel 5:1, tweede lid, van de Awb.

3 Zie artikel 11.4.1 van het bestemmingsplan.

4 De voorzieningenrechter vindt steun voor dit standpunt in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW5957.

5 zie onder andere de uitspraak van 19 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2661

6 vergelijk de uitspraak van 23 juni 2010, ECLI:NL:RVS:BM8862