Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:1618

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
07-01-2020
Datum publicatie
10-03-2020
Zaaknummer
356224
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Deelgeschil. Medische fout huisarts? Allergie/contra-indicatie voor toegediende stof. Deskundigenonderzoek noodzakelijk. Zaak leent zich niet voor deelgeschil. Kosten deelgeschil niet begroot want deelgeschil onnodig/onterecht ingesteld

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0184
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rekestnummer: C/05/356224 / HA RK 19-195 / 592 / 876

Beschikking van 7 januari 2020

in de zaak van

[naam verzoeker] ,

wonende te [woonplaats]

verzoeker,

advocaat mr. T.P. Boer te Arnhem,

toevoegingsnummer 2FL2233

tegen

[naam verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder,

advocaat mr. A.N.L. de Hoogh te Utrecht (voorheen: mr. O.L. Nunes)

Partijen worden hierna [naam verzoeker] en [naam verweerder] genoemd.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift

  • -

    het verweerschrift

  • -

    de mondelinge behandeling van 26 november 2019. Verschenen zijn: [naam verzoeker] , bijgestaan door mr. Boer voornoemd, en [naam verweerder] , bijgestaan door mr. de Hoogh voornoemd, en de heer [naam] , namens de aansprakelijkheidsverzekeraar van [naam verweerder] (VvAA).

2 De feiten

2.1.

[naam verweerder] is als huisarts werkzaam bij huisartsenpraktijk [naam huisartsenpraktijk] . [naam verzoeker] is als patiënt ingeschreven geweest bij huisarts [naam verweerder] . Hij heeft [naam verweerder] eind 2016/begin 2017 een aantal keren bezocht vanwege pijn aan zijn schouders en nek. Van deze bezoeken is in het huisartsenjournaal, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

“28-12-2016 S Pijn in li-schouder

O geen duidelijke painful arc; wel pijn vanuit nek

P proefinjectie met beetje kenacort

(…)

11-01-2017 S Li-schouder wel beter maar toch weer klachten

O redelijke functie

P injectie kenacort

P R/1 st kenacort a 40 40 mg/ml 1 ml (1K1JA)

(…)

01-02-2017 [naam verweerder] veel pijn rondom de R schouder, vergaat van de pijn!! MDL zei dat t met de darmen te maken had vlgs pt. had gister een bult bij het schouderblad

O alle bewegingen doen veel pijn, dus moeilijk te beoordelen. ook punt scapula doet al pijn bij lichte aanraking

E schouder

P inj lidocaine R. geen kenacort, evt over 2 wk nog eens als er goed effect is.”

2.2.

Op verzoek van [naam verzoeker] heeft [naam verweerder] hem op 9 februari 2017 verwezen naar de afdeling Orthopedie van het ziekenhuis Rijnstate. Tijdens een onderzoek op

13 februari 2017 heeft de orthopedisch chirurg [naam verzoeker] een echogeleide subacromiale Cortison-injectie in beide schouders gegeven met 40 mg Kenacort en 20 mg Bupivacaïne.

2.3.

Vanwege aanhoudende oorklachten (benoemd in de stukken als een krekelgeluid) en kaakproblemen heeft de huisartsenpraktijk op 14 februari 2017 een verwijsbrief opgesteld naar de afdeling KNO-heelkunde van het ziekenhuis Rijnstate.

2.4.

Bij brief van 10 april 2017 heeft de advocaat van [naam verzoeker] [naam verweerder] aansprakelijk gesteld voor de schade die [naam verzoeker] stelt te hebben geleden als gevolg van onzorgvuldig handelen. [naam verzoeker] stelt dat de door [naam verweerder] toegediende injecties bij hem een allergische reactie hebben veroorzaakt, terwijl [naam verweerder] wist dan wel behoorde te weten dat [naam verzoeker] voor de toegediende stoffen allergisch is. Hij verwijt [naam verweerder] onzorgvuldig handelen in de uitvoering van de geneeskundige behandelingsovereenkomst.

2.5.

[naam verweerder] heeft de aansprakelijkheidsstelling doorgestuurd naar zijn verzekeraar, VvAA. In de brief van 1 november 2017 heeft VvAA aansprakelijkheid afgewezen.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

Het verzoek van [naam verzoeker] strekt ertoe dat de rechtbank op de voet van artikel 1019w Rv.:

I. voor recht zal verklaren dat sprake is van onzorgvuldig handelen van [naam verweerder] ten opzichte van [naam verzoeker] en dat [naam verweerder] daartoe aansprakelijk is,

II. [naam verweerder] zal veroordelen in de kosten van het deelgeschil, begroot op € 1.500,00.

3.2.

Aan zijn verzoek legt [naam verzoeker] primair ten grondslag dat [naam verweerder] als huisarts niet de zorg in acht heeft genomen die hij als goed hulpverlener ingevolge artikel 7:453 BW in acht had moeten nemen, omdat [naam verweerder] bij het toedienen van de injecties een aantal fouten heeft gemaakt. Subsidiair legt [naam verzoeker] aan zijn verzoek ten grondslag dat [naam verweerder] onrechtmatig heeft gehandeld ex artikel 6:162 BW.

3.3.

[naam verweerder] voert verweer, onder meer inhoudende dat hij bij de geneeskundige behandeling niet in negatieve zin is afgeweken van hetgeen van een redelijk handelend en redelijk bekwaam huisarts onder gelijke omstandigheden mag worden verwacht, uitgaande van de professionele standaard van 2016/2017.

3.4.

Op de standpunten van partijen wordt, voor zover van belang, hierna nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Artikel 1019w Rv biedt de persoon die een ander aansprakelijk houdt voor zijn letselschade, de mogelijkheid, ook voordat de zaak ten principale aanhangig is, de rechter te verzoeken te beslissen over een geschil omtrent, of in verband met, een deel van hetgeen ter zake tussen hen rechtens geldt en waarvan de beëindiging kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst over de vordering in de hoofdzaak. Het verzoek leent zich voor beoordeling in deelgeschil, hetgeen tussen partijen ook niet in geschil is. Op de vraag of in het kader van het in dit deelgeschil voorgelegde verzoek ter beantwoording van de daarmee opgeworpen vragen bewijslevering nodig zal zijn, gaat de rechtbank hierna in.

4.2.

Tussen partijen is een geneeskundige behandelingsovereenkomst gesloten als bedoeld in artikel 7:446 e.v. BW. Artikel 7:453 BW bepaalt dat de hulpverlener bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht moet nemen en daarbij moet handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard. Het gaat om de vraag of [naam verweerder] de zorgvuldigheid in acht heeft genomen die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend huisarts mag worden verwacht.

4.3.

[naam verzoeker] stelt dat [naam verweerder] niet als redelijk bekwaam huisarts heeft gehandeld, vanwege het feit dat (I) [naam verzoeker] allergisch is voor de ingespoten stoffen en [naam verweerder] daarvan op de hoogte was of had kunnen zijn, (II) [naam verweerder] als huisarts niet bevoegd was om deze injecties te zetten, (III) [naam verweerder] de injecties onjuist heeft gezet, (IV) [naam verweerder] , gelet op de toename van klachten, ten onrechte een tweede injectie heeft gezet en tot slot (V) dat [naam verweerder] het medicijn niet had mogen toedienen bij [naam verzoeker] vanwege zijn hartklachten.

4.4.

Het eerste verwijt betreft de eventuele wetenschap bij [naam verweerder] van een allergie bij [naam verzoeker] voor de ingespoten stoffen Xylocaine en Kenacort. [naam verweerder] betwist dat door een behandelend arts is vastgesteld dat [naam verzoeker] allergisch is voor deze stoffen. Indien dit wel is vastgesteld, betwist [naam verweerder] dat de allergie ten tijde van de behandeling reeds bekend was. [naam verzoeker] verwijst voor wat betreft de vaststelling van de allergie naar een vastlegging van een consult van 17 maart 2017 bij een KNO-arts (productie 4 bij verzoekschrift). Hierin is onder ‘Tractus anamnese’ vermeld: ‘Allergie voor: morfine, xylocaine, diclofenac (darmproblematiek)’. Zelfs indien de rechtbank op grond van deze vastlegging zou uitgaan van een op medisch onderzoek gebaseerde vaststelling van een allergie, dan heeft nog te gelden dat dit pas is vastgelegd nadat de injecties zijn gegeven, zodat [naam verweerder] tijdens de behandelingen niet heeft kunnen weten dat [naam verzoeker] allergisch is voor de ingespoten stoffen. Niet gesteld of gebleken is op grond waarvan [naam verweerder] op andere wijze had kunnen weten dat [naam verzoeker] mogelijk allergisch is voor de toegediende stoffen. Het verwijt onder I kan daarom niet slagen.

4.5.

Ten aanzien van de bevoegdheid van [naam verweerder] om als huisarts dergelijke injecties te zetten en de plaats waar de injectie is gezet (verwijten II en III), oordeelt de rechtbank dat [naam verweerder] onweersproken heeft aangevoerd dat zijn bevoegdheid tot het verrichten van deze behandeling volgt uit de NHG-Standaard schouderklachten en dat hij de behandeling conform deze standaard heeft uitgevoerd. [naam verzoeker] heeft zijn stellingen, gelet op dit verweer van [naam verweerder] , onvoldoende onderbouwd. De verwijten II en III zijn daarmee niet vast komen te staan.

4.6.

Het vierde verwijt houdt, naar de rechtbank begrijpt, in dat volgens [naam verzoeker] [naam verweerder] de tweede injectie niet had mogen zetten, omdat [naam verzoeker] tijdens dat spreekuur heeft verteld dat zijn klachten waren toegenomen en dit voor [naam verweerder] een aanwijzing had moeten zijn voor een allergische reactie op de eerdere injectie. Voor de beantwoording van de vraag of [naam verweerder] hier niet de zorg van een goed hulpverlener in acht heeft genomen, acht de rechtbank van belang dat [naam verzoeker] zowel in zijn verzoekschrift als in de toelichting ter zitting geen duidelijkheid heeft gegeven over wanneer precies de allergische reactie is opgetreden, waar deze allergische reactie uit bestond en hoe de allergische reactie is vastgesteld en behandeld en of dit tot (blijvend) letsel en schade heeft geleid. Dit is niet alleen belangrijk om het gestelde onzorgvuldig handelen te beoordelen, maar ook om dit in de juiste tijdslijn te plaatsen. [naam verzoeker] is immers vanaf 13 februari 2017 in het ziekenhuis Rijnstate behandeld met eveneens toediening van een injectie met het middel Kenacort.

4.7.

Uit het verzoekschrift lijkt te volgen dat [naam verzoeker] bij dit vierde verwijt uitgaat van de injectie gegeven op 11 januari 2017, nu [naam verzoeker] dit onder punt 5. ‘de tweede injectie’ noemt. In het huisartsenjournaal staan drie injecties van de huisarts vermeld, namelijk een proefinjectie met een beetje Kenacort in de linkerschouder op 28 december 2016, een injectie met Kenacort op 11 januari 2017 en vervolgens, na klachten rondom de rechterschouder, op 1 februari 2017 een injectie met Lidocaine in de rechterschouder. Ter onderbouwing van zijn stelling dat de klachten waren toegenomen, verwijst [naam verzoeker] naar de als productie 7 overgelegde verwijsbrief van de huisartsenpraktijk van 14 februari 2017 naar KNO-heelkunde. In deze brief is een weergave uit het huisartsenjournaal opgenomen, zoals ook weergegeven onder 2.1. Uitgaande van de door [naam verzoeker] als tweede injectie aangemerkte injectie van 11 januari 2017, gaat het om de toevoeging ‘li-schouder wel beter maar toch weer klachten’. Zonder nadere concretisering en/of medische onderbouwing kan hieruit niet worden afgeleid dat sprake was van een zodanige toename of verergering van klachten dat [naam verweerder] op een bepaald moment had moeten vermoeden dat [naam verzoeker] klachten had die aan te merken waren als een (allergische) reactie op de eerder gegeven injectie en dat dit [naam verweerder] ervan had moeten weerhouden om nogmaals een injectie te zetten. Ditzelfde heeft te gelden indien uitgegaan wordt van de injectie gegeven op

1 februari 2017.

4.8.

Tot slot moet de vraag worden beantwoord of, zoals [naam verzoeker] betoogt, een contra- indicatie bij hem bestaat voor het toedienen van het gegeven medicijn vanwege hartklachten. De rechtbank gaat ervan uit dat [naam verzoeker] hier doelt op de injectie die op

1 februari 2017 is gegeven, de injectie met Lidocaine, aangezien [naam verzoeker] ter onderbouwing de ‘Bijsluiter: informatie voor de patiënt Xylocaine (+adrenaline), oplossing voor injectie lidocaïnehydrochloride (en epinefrine)’ heeft overgelegd. [naam verzoeker] stelt dat hij hartklachten heeft en onderbouwt dit met medische gegevens van bezoeken aan de huisartsenpost en het ziekenhuis in de periode van 2007 tot en met 2013. [naam verzoeker] stelt voorts dat uit de overgelegde bijsluiter volgt dat het middel niet bij patiënten met hartklachten mag worden toegepast. [naam verweerder] betwist dat uit de bijsluiter een contra-indicatie van Xylocaine bij hartpatiënten volgt en stelt dat uit de bijsluiter slechts volgt dat voorzichtigheid is geboden bij het gebruik van dit medicijn bij hartpatiënten. [naam verweerder] betwist verder dat objectief is vastgesteld dat [naam verzoeker] hartpatiënt is. Volgens [naam verweerder] tonen de overgelegde medische gegevens alleen aan dat [naam verzoeker] de huisartsenpost en het ziekenhuis heeft bezocht vanwege, subjectief ervaren, hartklachten, zonder dat daaruit volgt dat een hartafwijking objectief is vastgesteld. Ter zitting heeft [naam verweerder] verder onweersproken gesteld dat alleen een injectie waaraan adrenaline is toegevoegd gevaar kan opleveren voor mensen met hartklachten en dat aan de aan [naam verzoeker] toegediende injectie geen adrenaline is toegevoegd.

4.9.

De rechtbank stelt vast dat op basis van de thans voorliggende stukken de gestelde contra-indicatie voor de gegeven Lidocaine injectie niet kan worden vastgesteld. Daarvoor is (nadere) medische informatie nodig waarin door een arts wordt vastgesteld dat [naam verzoeker] een hartaandoening/hartafwijking heeft waardoor het gebruik van Lidocaine is verboden of dat, indien bij toediening daarvan slechts voorzichtigheid geboden is, deze voorzichtigheid niet in acht is genomen. In dat oordeel zal eveneens moeten worden betrokken of dit alleen geldt indien adrenaline is toegevoegd en, indien dit het geval is, of aan de gegeven injectie adrenaline is toegevoegd.

4.10.

De conclusie is dat de onder IV en V opgenomen verwijten niet zonder medische onderbouwing kunnen worden vastgesteld. Het is aan [naam verzoeker] om zijn stelling dat [naam verweerder] niet zorgvuldig, dat wil zeggen als een redelijk handelend en redelijk bekwaam huisarts, heeft gehandeld, te onderbouwen. [naam verzoeker] heeft daarvoor onvoldoende medische informatie overgelegd. Gelet op de aanwezige (althans overgelegde) medische informatie had het starten van een procedure ter verkrijging van een voorlopig deskundigenbericht meer in de rede gelegen. De stelling van [naam verzoeker] dat hij nog niet over een deskundigenbericht beschikt omdat hij de kosten daarvan, gelet op de betwisting van aansprakelijkheid, zelf moet betalen en hiervoor onvoldoende financiële middelen heeft, gaat niet op. Zoals de advocaat van [naam verweerder] ter zitting heeft betoogd, had de staat deze kosten, vanwege het feit dat [naam verzoeker] met een toevoeging procedeert, op grond van het bepaalde in artikel 195 en artikel 199 lid 3 Rv voorgeschoten. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat voor beantwoording van de vraag of [naam verweerder] als huisarts op (één van) deze punten (verwijt IV en V) is afgeweken van de professionele standaard, nadere voorlichting door (een) deskundige(n) nodig is. Daarvoor is binnen het kader van dit deelgeschil, gelet op de investering in tijd, geld en moeite die daarmee gemoeid zal zijn, afgewogen tegen het belang van de vordering en de bijdrage die een beslissing op dit punt aan de totstandkoming van een minnelijke regeling kan leveren, geen plaats.

4.11.

Uit het voorgaande volgt dat aansprakelijkheid van [naam verweerder] in dit deelgeschil niet kan worden vastgesteld en dat het verzoek onder I. wordt afgewezen.

Kosten deelgeschil

4.12.

Ten aanzien van de kosten van dit deelgeschil heeft [naam verzoeker] verzocht op de voet van artikel 1019aa lid 1 Rv een bedrag van € 1.500,00 aan advocaatkosten te begroten en [naam verweerder] te veroordelen in deze kosten. Afwijzing van het verzoek van [naam verzoeker] staat in beginsel niet in de weg aan begroting van de kosten. Dat is slechts anders indien het maken van proceskosten niet redelijk wordt geoordeeld in de zin van artikel 6:96 lid 2 BW, bijvoorbeeld omdat de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld (TK 2007-2008, 31518, nr. 3, p. 12). [naam verweerder] stelt dat het verzoek onnodig is ingesteld.

De rechtbank oordeelt dat [naam verzoeker] een verzoek heeft gedaan zonder dit verzoek van voldoende (medische) onderbouwing te voorzien. De (medische) feiten die voor beoordeling nodig zijn staan niet vast, terwijl duidelijk is dat in een deelgeschil voor de benodigde bewijslevering geen plaats is. In deze omstandigheden had voor [naam verzoeker] duidelijk moeten zijn dat het verzoek zonder nadere medische onderbouwing geen kans van slagen had en had hij daarvan moeten afzien. Zoals onder 4.10. is overwogen, bestond voor [naam verzoeker] wel een mogelijkheid om een medische expertise te verkrijgen door een voorlopig deskundigenbericht te verzoeken. De met het deelgeschil gemoeide kosten kunnen daarom niet als redelijk worden beoordeeld in de zin van artikel 6:96 lid 2 BW. De kosten van de behandeling van het verzoek komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking, waardoor de begroting achterwege kan blijven.

5 De beslissing

De rechtbank

wijst de verzoeken af.

Deze beschikking is gegeven door mr. S.J. Peerdeman en in het openbaar uitgesproken op

7 januari 2020.