Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:1608

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
13-03-2020
Datum publicatie
17-03-2020
Zaaknummer
7360330 \ CV EXPL 18-4549
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. Pensioenovereenkomst. Eenzijdig wijzigingsbeding, artikel 7:613 BW. Wijziging eindloonregeling in middelloonregeling toegestaan. Invoering werknemersbijdrage over de pensioengrondslag niet toegestaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-0331
PR-Updates.nl PR-2020-0057
PJ 2020/70
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Nijmegen

zaakgegevens 7360330 \ CV EXPL 18-4549 \ 25115 \ 576

uitspraak van 13 maart 2020

vonnis

in de zaak van

1 [eiser sub 1]

[woonplaats]

2. [eiser sub 2]

[woonplaats]

3. [eiser sub 3]

[woonplaats]

4. [eiser sub 4]

[woonplaats]

5. [eiser sub 5]

[woonplaats]

eisende partijen

gemachtigde mr. C.P.R.M. Dekker

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Also Nederland B.V.

gevestigd te Nijmegen

gedaagde partij

gemachtigde mr. E.H. Deur

Partijen worden hierna [Eiser] en Also genoemd.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 18 januari 2019 en de daarin genoemde processtukken

- de comparitie van partijen van 10 mei 2019

- de akte na comparitie tevens akte overlegging aanvullende producties tevens akte aanvulling eis

- de antwoordakte na comparitie tevens houdende antwoord aanvulling eis met producties

- de akte uitlating producties.

2 De feiten

2.1.

[Eiser] kwam voor 1 januari 2001 bij (een rechtsvoorgangster van) Also in dienst. Als onderdeel van de arbeidsverhouding bestond tot 1 januari 2018 tussen [Eiser] enerzijds en Also anderzijds een pensioenovereenkomst als bedoeld in de artikelen 1 en 10 van de Pensioenwet. De pensioenovereenkomst, waarvan het Pensioenreglement 2012 vanaf 2012 onderdeel uitmaakte, betrof een eindloonregeling zonder eigen bijdrage voor [Eiser] . Op grond van artikel 23 Pensioenwet was de uitvoering van de pensioenovereenkomst ondergebracht bij Nationale-Nederlanden (hierna: NN).

2.2.

De uitvoeringsovereenkomst tussen Also en NN liep af op 31 december 2017. Bij brief van 23 juni 2017 aan Also heeft NN de uitvoeringsovereenkomst per 1 januari 2018 opgezegd. In de brief is te lezen dat NN de pensioenregeling van Also – Profiel Pensioen (eindloon) – niet meer aanbiedt en dat bij NN voortaan kan worden gekozen voor een pensioenregeling op basis van middelloon dan wel beschikbare premie.

2.3.

Teneinde de pensioenregeling te wijzigen heeft Also advies ingewonnen bij de heer [naam 1] van [naam B.V.] heeft in samenwerking met [naam actuarieel bureau] , de eindloonregeling van [Eiser] vergeleken met een pensioenregeling op basis van middelloon. In een memo van 2 oktober 2017 aan Also van [naam B.V.] staat, voor zover hier van belang, het volgende vermeld.

“(…)

2 De situatie bij ALSO Nederland BV en ALSO International BV

Voor beide bedrijven is sprake van een afloop van de contractperiode met de pensioenuitvoerders Nationale-Nederlanden van ALSO Nederland en Zwitserleven van ALSO International. Beide contracten komen per 1-1-2018 voor vernieuwing in aanmerking. (…)

ALSO Nederland BV en de medewerkers met een DB pensioenregeling (eindloon)

Tot 1-1-2001 en daarna is sprake van een eindloonregeling (DB) voor medewerkers die op de loonlijst stonden voor 1-1-2001 en nu nog in dienst zijn. De regeling werd bevroren op 1-1-2001. Er is geen sprake van een bijdrage medewerker in deze regeling.

Er zitten 9 actieve medewerkers in de DB regeling en de overige, ongeveer 90, zitten in de DC regeling. Bij een eindloonregeling is het ouderdomspensioen op pensioendatum gekoppeld aan het laatst genoten inkomen op de pensioendatum x het aantal dienstjaren x het opbouwpercentage.

Dit systeem is erg duur, omdat bij een salarisverhoging gedurende het dienstverband, additionele premies moeten worden betaald, alsof de deelnemer het nieuwe salaris altijd al heeft genoten gedurende zijn gehele dienstverband, de zogenoemde “back service” verplichting. Mede om deze redenen is de eindloonregeling voor nieuwe medewerkers met een dienstverband op of na 1-1-2001 gesloten en is een DC regeling geïntroduceerd.

Ondanks dit, zijn de pensioenpremies, met name voor de groep met een DB regeling, in de afgelopen contractperiode van ongeveer € 60.000,- naar € 90.000,- gestegen. Een stijging van 50% van de pensioenlasten. Om de kosten van de DB regeling in het perspectief te plaatsen, bedragen de totale kosten van de DC regeling Nederland ongeveer € 160.000,-. In geval, ten aanzien van de DB regeling geen verandering optreedt, zal door bijvoorbeeld een verdere stijging van de levensverwachting de kosten van een DB regeling verder toenemen.

Management heeft in 2017 besloten, dat dit geen houdbare situatie is, om de volgende redenen:

- een significante stijging van de pensioenlasten is niet gewenst (hierdoor blijft minder ruimte over voor reguliere salarisstijgingen, binnen de groep van de DB regeling). Dit zonder verdere stijging van de kwaliteit van het pensioen.

- kosten zijn niet voldoende voorspelbaar binnen de contractperiode met uitvoerder (grotendeels veroorzaakt door back service verplichtingen). Bij vernieuwing van het pensioencontract door uitvoerder, de contractduur is gebruikelijk 5 jaar, is sprake van een aanpassing van het tarief en de rente voor bepaling inkoop aanspraken, uitsluitend ten laste van de werkgever.

- De bijdrage van de werknemer, op dit moment geen en type regeling is niet meer in lijn met de maatschappelijke ontwikkelingen. Met name het laatste punt was voor NN, de reden om vanaf 1-1-2018 geen eindloonregelingen meer uit te voeren en aan te bieden. Alleen nog een DB middelloonregeling. Bijdrage werknemer niet in lijn met peer groepen. Voorbeeld bijdrage pensioenfonds ICK is 50%/50%.

- Een ongewenste stijging binnen dezelfde werkgever van het verschil in pensioentoezegging en met name lastenverdeling pensioen.

- Moeilijk uit te leggen waarom de ene groep (DC) wel bijdraagt voor zijn/haar pensioen en de (DB) groep helemaal niet, terwijl de lasten met name in de laatst genoemde regeling in de afgelopen 5 jaar significant zijn gestegen met hogere uitkomsten.

- Er dient een duidelijk en één uniforme bijdrage voor alle werknemersgroepen te komen. Een voorstel van een werknemersbijdrage van 5% van de pensioengrondslag zal worden voorgesteld.

- pensioenlasten beheersbaar en voorspelbaar houden. Management heeft dit idee goedgekeurd en aangemoedigd verder hier invulling aan te geven.

- Om laatst genoemde redenen kunnen salarisverhogingen een belemmering vormen voor de werkgever om dit uit te voeren binnen deze groep.

ALSO draagt volledig in de kosten van de DB pensioenregeling. De werknemer draagt niet bij, waarbij de werkgevers pensioenlasten fluctueren, sterker nog, ieder jaar zijn deze geleidelijk gestegen.

(…)

3 Een voorstel voor een nieuwe pensioenregeling

Management stelt voor, voor de groep met een eindloonregeling, de regeling per 1-1-2018 om te zetten naar een middelloonregeling. Management heeft in haar overwegingen rekening gehouden, dat een aanpassing van een DB naar een DC regeling voor deze groep te groot is, alhoewel maatschappelijke ontwikkelingen deze trend juist wel laten zien in verband met het beheersbaar en betaalbaar houden van regelingen.

Dit betekent dat de eindloonregeling stopt en premievrij wordt gemaakt per 1-1-2018. Tevens betekent dit dat de reeds opgebouwde aanspraken voor iedere individuele medewerker tot 1-1-2018 premievrij bij NN verzekerd achterblijven. De voorwaarden voor dit premievrije deel blijven in stand, ook in de toekomst, immers zijn deze aanspraken reeds gefinancierd en ingekocht. Belangrijk dat er vanaf 1-1-2018 in deze regeling niet meer verdere opbouw van eindloon aanspraken plaats vindt.

Het middelloonsysteem beoogt op basis van een gemiddeld en werkelijk inkomen de opbouw van het toekomstig ouderdomspensioen, gedurende het dienstverband vanaf 1-1-2018 tot pensioenrichtdatum te realiseren. Dit systeem kent daarentegen geen “backservice verplichtingen”, zoals bij een eindloonregeling het geval is, aangezien de te betalen premies, gekoppeld zijn aan het werkelijk genoten (pensioengevend) inkomen. (…)

Het management erkent dat het voorstel op een aantal punten maatregelen behoeft en stelt het volgende voor aan de OR.

ALSO Nederland BV (DB regeling)

1. handhaven van een DB regeling, o.b.v. een maximale middelloonregeling wat betreft het opbouwpercentage ten aanzien van OP (ouderdomspensioen, toevoeging kantonrechter), PP (partnerpensioen, toevoeging kantonrechter) en WZP (wezenpensioen, toevoeging kantonrechter). De hoogte van de huidige franchise wordt overgenomen en geïndexeerd conform het huidig reglement.

2. opbouw op basis van 68 jaar.

3. compensatie in verband met de verandering van een eindloon naar een middelloonregeling, conform actuariële berekening.

4. de werknemersbijdrage wordt per 1-1-2018 5% van de pensioengrondslag, gelijk aan alle overige werknemers groepen van ALSO NL en INT, in het kader van het solidariteitsbeginsel en is meer in lijn met maatschappelijke ontwikkelingen. Nog steeds is deze regeling beter dan de DC regelingen van ALSO en peergroepen, zoals bijvoorbeeld van deelnemers van het Pensioenfonds ICK. Premie is bij het pensioenfonds namelijk 50%/50%.

(…)

4 Wat betekent dit voor mij?

De implicaties van de voorgestelde wijzigingen zullen per individu kunnen verschillen. Management heeft [naam B.V.] en een externe actuaris gevraagd, met name voor de werknemers in de eindloongroep, de impact te berekenen van een wijziging van opbouw van eindloon naar middelloon op basis van een zekere aannames, die gelijk zijn voor iedere werknemer in de eindloonregeling. Deze individuele uitkomsten en berekening van de eigen bijdrage zal beschikbaar zijn voor alle werknemers binnen de eindloonregeling (DB).

(…)”

2.4.

Also heeft de voorgestelde pensioenregeling voorgelegd aan haar ondernemingsraad (hierna: OR). Bij e-mail van 25 oktober 2017 aan Also heeft de voorzitter van de OR het volgende laten weten.

“(…)

Met betrekking tot het voorstel om de pensioenregelingen van Also NL te gaan verlengen met de wijzigingen zoals voorgesteld in het document in de bijlage (…) geven wij als OR Also NL het onderstaande advies.

Wij gaan akkoord met het voorgestelde plan met dien verstande dat voor de 9 personen met een DB regeling gesprekken zullen plaatsvinden waarbij voor hen wordt berekend en uitgezocht wat voor consequenties deze verandering voor hen zal hebben. Daarbij zien wij graag dat met deze 9 personen wordt gekeken of het zinvol en wenselijk is om zich bij te verzekeren.”

2.5.

Bij brief van 17 januari 2018 heeft Also aan de medewerkers met een eindloonregeling, onder wie [Eiser] , gemeld, kort weergegeven, dat met ingang van 1 januari 2018 de eindloonregeling wijzigt naar een middelloonregeling en dat een werknemersbijdrage van 5% over de pensioengrondslag wordt ingevoerd. Volgens de brief heeft Also iedere medewerker een individuele berekening gestuurd over de (gevolgen van de) wijzigingen. Voor zover volgens de in deze procedure overgelegde individuele berekeningen een medewerker door de verandering van de eindloonregeling naar de middelloonregeling met een achteruitgang qua kapitaal op de einddatum te maken krijgt, is in de individuele berekening het bedrag opgenomen dat aan de betreffende medewerker maandelijks als compensatie zal worden uitgekeerd over het nog resterende maximaal aantal dienstmaanden. Deze compensatie is niet pensioengevend, staat vermeld op de salarisstrook van de betreffende medewerker en wordt gelijktijdig met het salaris betaald.

2.6.

[Eiser] heeft zonder succes geprotesteerd tegen de wijziging van de pensioenregeling.

3 De vordering en het verweer

3.1.

[Eiser] vordert, na eiswijziging en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. een verklaring voor recht dat Also geen zwaarwichtig belang respectievelijk geen redelijke grond heeft om de eindloonregeling eenzijdig te wijzigen in een middelloonregeling met als gevolg een verslechtering van de arbeidsvoorwaarde pensioen van [Eiser] die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is;

2. primair, indien wordt geoordeeld dat de eindloonregeling kan worden voortgezet, de vernietiging van de eenzijdige wijziging van de eindloonregeling in de middelloonregeling per 1 januari 2018 en de veroordeling van Also om binnen 14 dagen na betekening van het vonnis de eindloonregeling hersteld te hebben zonder afwenteling van de gestelde kostenstijging op de reguliere salarisverhogingen voor [Eiser] en zonder invoering van een eigen bijdrage ten laste van [Eiser] , op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag voor iedere dag dat Also niet aan deze veroordeling voldoet, zulks met een maximum van € 100.000,00;

3. subsidiair, indien wordt geoordeeld dat de eindloonregeling niet kan worden voortgezet, de vernietiging van de eenzijdige wijziging van de eindloonregeling in de middelloonregeling per 1 januari 2018 en de veroordeling van Also om binnen 14 dagen na betekening van het vonnis aan [Eiser] een pensioenovereenkomst aan te bieden waarin [Eiser] een ouderdomspensioen opbouwt dat qua niveau gelijk is aan het ouderdomspensioen dat [Eiser] zou kunnen opbouwen in eindloonregeling als deze eindloonregeling wel zou kunnen worden voortgezet, een en ander in combinatie met een partner- en wezenpensioen dat qua niveau ook gelijk moet zijn aan het partner- en wezenpensioen dat in de eindloonregeling zou worden verzekerd, zonder afwenteling van de kostenstijgingen op de reguliere salarisverhogingen voor [Eiser] en zonder invoering van een eigen bijdrage ten laste van [Eiser] , op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag voor iedere dag dat Also niet aan deze veroordeling voldoet, zulks met een maximum van € 100.000,00;

4. de veroordeling van Also tot terugbetaling aan [Eiser] van de ten onrechte vanaf 2018 ingehouden eigen bijdrage, met dien verstande dat Also deze terugbetaling mag verrekenen met de aan [Eiser] toegekende compensatie;

5. de veroordeling van Also in de proceskosten, daaronder begrepen de nakosten.

3.2.

[Eiser] onderbouwt, kort weergegeven, de vorderingen als volgt. Also heeft in weerwil van de bezwaren van [Eiser] de pensioenovereenkomst van [Eiser] eenzijdig gewijzigd in die zin dat Also met ingang van 1 januari 2018 voor [Eiser] een middelloonregeling en een werknemersbijdrage van 5% over de pensioengrondslag van [Eiser] heeft ingevoerd. [Eiser] heeft niet ingestemd met deze wijzigingen. De instemming van de OR kan niet worden gelijkgesteld aan instemming van [Eiser] De door Also eenzijdig doorgevoerde wijzigingen moeten worden beoordeeld in het licht van artikel 7:613 Burgerlijk Wetboek (BW) en artikel 19 Pensioenwet. Dit betekent dat Also een belangenafweging had moeten maken. Also heeft dat nagelaten. Er is geen noodzaak of verplichting om de pensioenovereenkomst van [Eiser] aan te passen. De gronden van Also om de pensioenovereenkomst van [Eiser] te wijzigen zijn van een dermate algemene aard dat deze niet als redelijk kunnen worden gezien. Bovendien houden de wijzigingen voor [Eiser] een dermate verslechtering van de arbeidsvoorwaarden in dat het accepteren hiervan door [Eiser] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

3.3.

Also voert verweer waarop hierna, waar nodig, wordt ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Niet in geschil is dat partijen zijn overeengekomen dat Also onder bepaalde voorwaarden de bevoegdheid heeft om de pensioenregeling eenzijdig te wijzigen (artikel 27 van het Pensioenreglement 2012). Partijen nemen terecht tot uitgangspunt dat Also die bevoegdheid enkel toekomt, indien Also bij de wijziging een zodanig zwaarwichtig belang heeft dat het belang van [Eiser] dat door de wijziging zou worden geschaad daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken (zowel artikel 27 van het Pensioenreglement 2012 als artikel 7:613 BW). De voor eenzijdige wijziging van de arbeidsvoorwaarden vereiste zwaarwegende reden moet objectief bepaalbaar zijn. Er moet zich een objectieve omstandigheid voordoen op grond waarvan van Also in redelijkheid niet kan worden verlangd dat zij de geldende arbeidsvoorwaarden onverkort blijft toepassen. Met andere woorden: een arbeidsovereenkomst kan alleen ten nadele van de werknemer worden gewijzigd indien voldoende zwaarwegende belangen aan de zijde van de werkgever dat rechtvaardigen. Bij deze belangenafweging wordt het in het gegeven geval voor het doorvoeren van de wijziging vereiste gewicht van de belangen van de werkgever mede bepaald door het gewicht van de belangen van de werknemer die daartegenover staan (HR 29 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1864).

4.2.

Uit de wetshistorie op de Wet op de Ondernemingsraden (WOR, zie de Memorie van Toelichting, TK 1995-1996, 24 615, nr. 3, p. 21-22) blijkt dat met de invoering van het huidige artikel 7:613 BW is beoogd om de mogelijkheid tot eenzijdige wijziging van arbeidsvoorwaarden door werkgevers terug te dringen, waarbij onder meer als uitgangspunt is genomen dat arbeidsvoorwaarden niet eenzijdig kunnen worden gewijzigd, maar waarbij ook rekening is gehouden met het belang van werkgevers om de arbeidsvoorwaarden te kunnen ordenen. Dit heeft uiteindelijk geleid tot het bepaalde in artikel 7:613 BW, op grond waarvan een werkgever slechts een beroep kan doen op een schriftelijk beding dat hem de bevoegdheid geeft een in de arbeidsovereenkomst voorkomende arbeidsvoorwaarde te wijzigen, indien hij bij de wijziging een zodanig zwaarwichtig belang heeft dat het belang van de werknemer dat door de wijziging zou worden geschaad, daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken. Artikel 19 Pensioenwet is gelijkluidend. Zwaarwichtige belangen kunnen bestaan in bedrijfseconomische, bedrijfstechnische en bedrijfsorganisatorische omstandigheden, waarbij te denken valt aan de situatie dat een werkgever in grote financiële moeilijkheden verkeert. Voorts is denkbaar dat een zwaarwichtige belang als bedoeld in artikel 7:613 BW ook kan worden gevormd door een financieel belang om ook op langere termijn een bedrijfseconomisch verantwoorde situatie in stand te houden, waarbij de continuïteit van de onderneming en de belangen van alle werknemers zoveel mogelijk zijn gewaarborgd (vgl. Hof Arnhem 15 maart 2011, ECLI:NL:GHARN:2011:BQ1305). Wanneer de werkgever zich op het bestaan van een zwaarwichtig belang beroept, is het aan de werkgever om dat standpunt deugdelijk te onderbouwen door feiten of omstandigheden aan te voeren waaruit dit kan blijken en, bij betwisting door de werknemer, het bewijs van het bestaan daarvan te leveren (vgl. Kamerstukken II 1996/97, 24 615, nr. 9, blz. 32).

4.3.

Het partijdebat spitst zich toe op twee door Also eenzijdig doorgevoerde wijzigingen. De eerste wijziging betreft de omzetting van de eindloonregeling in de aangeboden middelloonregeling. De tweede wijziging is de invoering van een werknemersbijdrage van 5% over de pensioengrondslag. De wijzigingen zullen hierna afzonderlijk worden behandeld.

4.4.

Also stelt dat de omzetting van de eindloonregeling in de aangeboden middelloonregeling als volgt kan worden gerechtvaardigd:

- met ingang van 1 januari 2018 biedt NN geen eindloonregeling meer aan;

- ook andere verzekeraars bieden niet langer een eindloonregeling aan;

- bij ongewijzigde continuering van de pensioenovereenkomst met [Eiser] op basis van de bestaande eindloonsystematiek zonder uitvoeringsovereenkomst zou Also met ingang van 1 januari 2018 in strijd handelen met artikel 23 Pensioenwet en daardoor met boetes tot wel 1 miljoen euro geconfronteerd kunnen worden;

- aan [Eiser] is een gegarandeerde middelloonregeling aangeboden;

- aan [Eiser] is compensatie aangeboden teneinde het verwachte verschil tussen de eindloonregeling en de aangeboden middelloonregeling te compenseren buiten de pensioensfeer;

- de OR heeft ingestemd met de omzetting.

4.5.

Tussen partijen is niet in discussie dat de uitvoeringsovereenkomst tussen Also en NN door opzegging aan de kant van NN op 31 december 2017 is geëindigd en dat NN geen regeling gebaseerd op eindloon meer aanbiedt. Ten aanzien van de wijziging van de eindloonregeling in de aangeboden middelloonregeling betwist [Eiser] evenwel dat Also een zwaarwichtig belang heeft in de zin van artikel 7:613 BW. De in de vorige overweging genoemde argumenten van Also rechtvaardigen volgens [Eiser] niet de gebruikmaking van de wijzigingsbevoegdheid door Also voor zover het gaat om aanpassing van de tussen [Eiser] en Also overeengekomen pensioenopbouw op basis van eindloon. Volgens [Eiser] heeft Also onvoldoende gezocht naar een andere verzekeraar die wel een eindloonregeling aanbiedt en heeft Also zich niet genoeg ingespannen om te komen tot een regeling die een eindresultaat biedt dat (nagenoeg) gelijk is aan het eindresultaat in de eindloonregeling. [Eiser] gaat er bij de gewijzigde regeling op achteruit en de aangeboden compensatie is onvoldoende om het nadeel van [Eiser] als gevolg van de wijziging weg te nemen. Daarbij komt nog dat [Eiser] onvoldoende bij het proces betrokken is geweest en dat de instemming van de OR [Eiser] niet bindt, aldus [Eiser]

4.6.

Niet in geschil is dat de OR met gebruikmaking van haar instemmingsrecht akkoord is gegaan met de wijziging naar de op middelloon gebaseerde pensioenovereenkomst. De instemming van de OR levert naar het oordeel van de kantonrechter een aanwijzing op dat van een zwaarwichtig belang sprake is. De instemming van de OR vormt bovendien een zwaarwegend gezichtspunt bij de beoordeling van de redelijkheid van de wijziging. Dat neemt niet weg dat op Also de bewijslast rust dat haar belang zodanig zwaarwichtig is dat het belang van [Eiser] daarvoor moet wijken.

4.7.

Vaststaat dat Also bij NN, Aegon en Zwitserleven, drie grote Nederlandse pensioenverzekeraars, navraag heeft gedaan over de mogelijkheid om in haar geval, kort gezegd, een eindloonregeling te verzekeren. Dat bleek niet het geval. In dit licht kon [Eiser] niet volstaan met de blote stelling dat Also geen deugdelijk benchmark onderzoek heeft verricht en dat zij onvoldoende heeft gezocht naar een andere verzekeraar die wel een uitvoeringsovereenkomst voor pensioenovereenkomsten met een eindloonregeling aanbiedt. Dit betekent dat [Eiser] niet of onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken dat een eindloonregeling voor Also niet langer verzekerbaar is. De objectieve omstandigheid op grond waarvan van Also in redelijkheid niet kan worden verlangd dat de pensioenopbouw op basis van eindloon plaatsvindt, is daarmee gegeven. Bij dit oordeel is ook betrokken dat wanneer een werkgever geen uitvoeringsovereenkomst (meer) heeft of als sprake is van een uitvoeringsovereenkomst die niet direct aansluit op een pensioenovereenkomst van een werknemer, de werkgever niet voldoet aan de zogenoemde “onderbrengingsplicht” van artikel 23 van de Pensioenwet. Als een werkgever niet aan de onderbrengingsplicht voldoet, is de pensioenregeling van de werkgever niet verzekerd en kan De Nederlandsche Bank een boete tot € 1.000.000,00 opleggen aan de werkgever.

4.8.

De vraag is nu of het belang van Also bij de wijziging in relatie tot het belang van [Eiser] bij ongewijzigde toepassing van de eindloonregeling zodanig zwaarwichtig is dat het belang van Also naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet prevaleren. Gezien het hiervoor overwogene in combinatie met de aan [Eiser] aangeboden middelloonregeling en compensatie, kan de door Also gegeven rechtvaardiging naar het oordeel van de kantonrechter als zodanig zwaarwegend worden gekwalificeerd dat het individuele belang van [Eiser] ten aanzien van de omzetting van de eindloonregeling in de aangeboden middelloonregeling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken. Weliswaar heeft [Eiser] aangevoerd dat de wijziging naar de middelloonregeling een verslechtering is omdat de wijziging volgens [Eiser] voor [Eiser] resulteert in een koopkrachtdaling van de toekomstige pensioenaanspraken en dat de in dit verband aangeboden compensatie ontoereikend is, maar dat is onvoldoende voor een andersluidend oordeel gezien het volgende. Anders dan [Eiser] heeft betoogd, brengt de onderhavige middelloonregeling niet zonder meer een lager eindresultaat mee. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de individuele berekening betreffende [eiser sub 2]. Bovendien blijkt uit de individuele berekeningen van de overige in deze procedure betrokken medewerkers – de juistheid van de uitgevoerde berekeningen is op zichzelf niet betwist – dat voor hen de individuele negatieve financiële gevolgen – rekening houdend met de aangeboden compensatie en de mogelijkheid die deze biedt voor een aanvullende pensioenverzekering op individueel niveau – afwezig of naar verhouding zodanig beperkt zijn dat niet kan worden geoordeeld dat de conclusie dat het belang van Also naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet prevaleren, niet is gerechtvaardigd. Geen sprake is van een belang van [Eiser] dat door de wijziging noemenswaardig wordt geschaad. Also heeft voldoende aangetoond dat voor [Eiser] de aangeboden middelloonregeling met compensatie een passend alternatief is voor de eindloonregeling.

4.9.

De slotsom is dat de noodzaak van de wijziging van de op eindloon gebaseerde pensioenovereenkomst voldoende is gebleken en dat de wijziging naar de aangeboden middelloonregeling, mede omdat sprake is van een passend alternatief, op gronden van redelijkheid en billijkheid gerechtvaardigd is. Het individuele belang van [Eiser] moet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid wijken voor het zwaarwichtig belang van Also. Het voorgaande betekent dat de in dit vonnis onder 3.1 weergegeven vorderingen 1 tot en met 3 zullen worden afgewezen.

4.10.

De tweede wijziging die partijen verdeeld houdt, is de invoering van een werknemersbijdrage van 5% over de pensioengrondslag voor [Eiser] Also stelt dat de invoering van deze werknemersbijdrage voor [Eiser] kan worden gerechtvaardigd omdat de werknemersbijdrage bijdraagt aan:

- een op lange termijn financieel houdbare pensioenregeling van [Eiser] ;

- beheersbare en voorspelbare kosten van de pensioenregeling;

- het voorkomen van een significante verdere stijging van de pensioenlasten;

- het tegengaan van negatieve bedrijfsresultaten van Also;

- ruimte voor toekomstige salarisverhogingen van [Eiser] ;

- solidariteit tussen en gelijke behandeling van alle werknemers en het voorkomen van arbeidsonrust en onvrede op de werkvloer: de overige circa 90 werknemers van Also hebben een aanmerkelijk soberder pensioenregeling (premieovereenkomst), zij betalen wel een eigen bijdrage voor pensioen en zij dragen bij in de kosten van de pensioenregeling van [Eiser]

4.11.

Voorts beroept Also zich erop dat de OR ook heeft ingestemd met de invoering van de werknemersbijdrage van 5% over de pensioengrondslag voor [Eiser] , dat de invoering van de werknemersbijdrage past bij een brede maatschappelijke ontwikkeling, dat de hoogte van de werknemersbijdrage van 5% marktconform is en zorgt voor een zekere mate van harmonisering van de arbeidsvoorwaarden, alsmede dat Also heeft besloten als tegemoetkoming van [Eiser] voor de jaren 2020 en 2021 geen eigen bijdrage aan [Eiser] in rekening te brengen.

4.12.

Dat de OR heeft ingestemd met de invoering van de werknemersbijdrage, levert een aanwijzing op dat sprake is van een zwaarwichtig belang en vormt een zwaarwegend gezichtspunt bij de beoordeling van de redelijkheid van de onderhavige wijziging. Daarmee staat echter nog niet vast dat het belang van Also bij de wijziging dient te prevaleren boven het belang van [Eiser] Daarvoor is meer nodig.

4.13.

De overwegingen van Also om een werknemersbijdrage voor [Eiser] in te voeren, overtuigen de kantonrechter echter niet. De stellingen van Also dat de invoering van de werknemersbijdrage past binnen een maatschappelijke trend, dat de hoogte van de bijdrage marktconform is en zorgt voor een bepaalde mate van harmonisering met de arbeidsvoorwaarden van de overige werknemers en dat de bijdrage ruimte schept voor toekomstige salarisverhogingen van [Eiser] , leveren, wat daar ook van zij, geen (zwaarwichtige) reden op om inbreuk te maken op de arbeidsvoorwaarden van [Eiser] Voorts valt niet in te zien, althans dat wordt niet door Also onderbouwd, dat de invoering van de werknemersbijdrage bijdraagt aan het beheersbaar en voorspelbaar houden van de pensioenkosten en een significante verdere stijging van de pensioenlasten voorkomt, zodat ook deze argumenten geen (zwaarwichtige) reden opleveren waarvoor het individuele belang van [Eiser] moet wijken. Verder heeft Also niet of onvoldoende aangetoond dat de pensioenkosten voor haar zonder de invoering van de eigen bijdrage voor [Eiser] zodanig zullen stijgen, dat daardoor (op langere termijn) de continuïteit van het pensioen van alle werknemers in gevaar dreigt te komen of dat zij de pensioenkosten met betrekking tot [Eiser] niet langer kan dragen. Also heeft geen analyse overgelegd van de door haar in het geding gebrachte jaarcijfers, terwijl daaruit wel blijkt dat de omvang van de pensioenkosten van Also als onderdeel van haar totale kosten, mede bezien in het licht van de gehele omzet van Also, zodanig gering is dat de argumenten ‘een op lange termijn financieel houdbare pensioenregeling’ en ‘het tegengaan van negatieve bedrijfsresultaten’ evenmin als zwaarwegende gezichtspunten aan [Eiser] kunnen worden tegengeworpen.

4.14.

Ook het beroep van Also op de beginselen van solidariteit en gelijke behandeling faalt. Op zichzelf zijn solidariteit tussen en gelijke behandeling van alle werknemers en het voorkomen van arbeidsonrust en onvrede op de werkvloer begrijpelijke overwegingen om te streven naar wijziging van de pensioenovereenkomst met [Eiser] De invoering van de werknemersbijdrage vraagt van [Eiser] echter een substantieel loonoffer. Volgens vaste rechtspraak mag van werknemers een offer op het terrein van de arbeidsvoorwaarden worden verwacht als een onderneming in zwaar weer verkeert, om verdergaande maatregelen, zoals ontslagen, te voorkomen. In deze zaak doet zich niet de situatie voor, althans dat is niet gebleken, dat de continuïteit van de onderneming zozeer wordt bedreigd dat van [Eiser] een loonoffer kan worden gevergd. Dat Also [Eiser] voor 2020 en 2021 heeft vrijgesteld van de betaling van de werknemersbijdrage, werpt geen ander licht op de zaak.

4.15.

De conclusie is dat de invoering van de werknemersbijdrage voor [Eiser] niet is gerechtvaardigd. De noodzaak van wijziging van de pensioenovereenkomst van [Eiser] op dit punt is niet, althans onvoldoende, gebleken. Het belang van Also bij de invoering van de werknemersbijdrage voor [Eiser] , afgezet tegen het belang van [Eiser] bij ongewijzigde instandhouding van een pensioenregeling zonder werknemersbijdrage, is niet zodanig zwaarwichtig, dat het belang van [Eiser] , van wie een loonoffer wordt verlangd, op gronden van redelijkheid en billijkheid moet wijken voor het belang van Also.

4.16.

Niet in geschil is dat Also met ingang van 1 januari 2018 op het loon van [Eiser] een werknemersbijdrage van 5% over de pensioengrondslag heeft ingehouden. Uit hetgeen in de voorgaande rechtsoverwegingen is overwogen volgt dat Also ten aanzien van [Eiser] ten onrechte een werknemersbijdrage heeft ingehouden. Daarom zal de gevorderde terugbetaling van de vanaf 1 januari 2018 ingehouden werknemersbijdrage worden toegewezen.

4.17.

De kantonrechter ziet echter geen grond te bepalen dat Also hetgeen zij aan [Eiser] moet terugbetalen mag verrekenen met de aan [Eiser] toegekende compensatie. De aan [Eiser] toegekende compensatie is bedoeld om de financiële gevolgen op te vangen van de wijziging van eindloonregeling naar middelloonregeling.

4.18.

Gelet op de uitkomst van de procedure, waarbij partijen over en weer zowel in het gelijk als in het ongelijk zijn gesteld, acht de kantonrechter grond aanwezig om de proceskosten te compenseren. Dit betekent dat elke partij de eigen kosten moet dragen.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt Also tot terugbetaling aan [Eiser] van de ten onrechte vanaf 2018 ingehouden eigen bijdrage;

5.2.

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

5.3.

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. M.J.P. Heijmans en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2020