Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:1569

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
20-02-2020
Datum publicatie
09-03-2020
Zaaknummer
19-800
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

Procesvertegenwoordiging door 2 gemachtigden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaakgegevens 8113897 \ BR VERZ 19-800 \ 814

cjib-nr / registratienr 223265270 / ON5550

zitting van 20 februari 2020

beslissing inzake Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)

in de zaak van

[betrokkene]

wonende te [adres]

betrokkene

gemachtigde mr. N.G.A. Voorbach, Verkeersboete.nl

tegen

de officier van justitie

Gronden voor de beslissing:

Het beroep is tijdig ingesteld tegen een beslissing van de officier van justitie met bovenvermeld CJIB nummer.

Aan betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd vanwege het, met het voertuig met kenteken [kenteken] , overschrijden van de maximum snelheid binnen de bebouwde kom, met 22 km/h, op 5 februari 2019 om 13.34 uur, te Arnhem, Nijmeegseweg.

De kantonrechter stelt allereerst vast dat in deze zaak door twee gemachtigden afzonderlijk beroep is ingesteld namens betrokkene, te weten door mr. N.G.A. Voorbach en door

mr. drs. C.M.J.E.P Meerts (hierna: Voorbach en Meerts). Zowel Voorbach als Meerts hebben daaraan voorafgaand administratief beroep ingesteld bij de Officier van Justitie tegen dezelfde inleidende beschikking en zij hebben in die fase beiden een machtiging van betrokkene bij de officier van justitie overgelegd. Bij brief van 5 augustus 2019 heeft de officier van justitie Meerts te kennen gegeven dat er een beslissing is genomen in deze zaak en dat hij geen partij is, omdat de betrokkene al in een eerder stadium ervoor heeft gekozen om zich door een andere gemachtigde te laten vertegenwoordigen. In de brief staat vermeld dat de beslissing is verstuurd naar de andere beroepsinsteller(s). Uit het dossier volgt echter dat op diezelfde datum aan zowel Voorbach als aan Meerts een beslissing op het administratief beroep is verzonden.

De griffier van de rechtbank heeft vervolgens naar analogie van artikel 8:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij brieven d.d. 27 november 2019 aan Voorbach en Meerts gevraagd om een actuele volmacht.

Bij brief van 12 december 2019 heeft Meerts zich samengevat op het standpunt gesteld dat betrokkene twee personen heeft kunnen machtigen en dat de aan hem verleende machtiging nog steeds geldig is. Meerts is van mening dat van hem geen nieuwe machtiging kan worden verlangd en dat hij, gelet op de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem- Leeuwarden van 19 november 2018 (ECLI:GHARL:2018:10790) als degene die het administratief beroep heeft ingesteld een zelfstandig recht heeft om in beroep te gaan.

Op 18 december 2019 heeft betrokkene verklaard dat hij Voorbach als gemachtigde kiest, dat hij de volmachten voor alle overige gemachtigden intrekt en dat post uitsluitend dient te worden gericht aan Voorbach.

Aangezien betrokkene expliciet heeft aangegeven dat slechts Voorbach nog zijn gemachtigde is, zal de kantonrechter het beroep, voor zover dat is ingediend door Meerts, niet-ontvankelijk verklaren. De kantonrechter deelt niet de opvatting van Meerts dat hem een zelfstandig beroepsrecht toekomt. Daarover overweegt de kantonrechter als volgt.

In artikel 6, eerste lid, van de Wahv is bepaald dat degene tot wie de beschikking is gericht beroep kan instellen tegen de oplegging van de administratieve sanctie.

Op grond van artikel 9, eerste lid, van de Wahv kan degene die administratief beroep heeft ingesteld beroep instellen bij de rechtbank tegen de beslissing van de officier van justitie.

In artikel 12, tweede lid, van de Wahv is bepaald dat degene die het beroep bij de kantonrechter heeft ingesteld, zich ter zitting kan doen bijstaan of doen vertegenwoordigen door een advocaat of door een daartoe schriftelijk door hem gemachtigde.

Op grond van artikel 2:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een ieder zich ter behartiging van zijn belangen in het verkeer met een bestuursorgaan laten bijstaan of door een gemachtigde laten vertegenwoordigen.

In artikel 6:17 van de Awb is bepaald dat indien iemand zich laat vertegenwoordigen, het bestuursorgaan dat bevoegd is op het bezwaar of beroep te beslissen, de op de zaak betrekking hebbende stukken in elk geval aan de gemachtigde zendt.

In de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (24 oktober 2007, ECLI:NL:2007:BB6318) is bepaald dat uit de artikel 2:1 en 6:17 van de Awb voortvloeit dat het optreden van een gemachtigde tot gevolg heeft dat ook de bekendmaking van een besluit kan geschieden door toezending aan de gemachtigde.

Dat een besluit wordt geadresseerd aan de gemachtigde die het administratief beroep heeft ingediend, maakt echter niet dat de gemachtigde degene is die zelfstandig het recht heeft om beroep bij de kantonrechter in te stellen.

Naar het oordeel van de kantonrechter is en blijft degene tot wie de beschikking is gericht, in dit geval [betrokkene] , degene die beroep kan instellen. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wahv volgt immers dat degene die een overtreding van een wetsvoorschrift begaat waarop een administratieve sanctie volgt, administratief beroep moet kunnen instellen. Degene die beroep instelt tegen de beslissing van de officier van justitie kan van diens beslissing beroep instellen bij de kantonrechter.1

De kantonrechter leidt hieruit af dat de wetgever met “degene die administratief beroep heeft ingesteld” in artikel 9 van de Wahv geen andere persoon kan hebben bedoeld dan de persoon die op grond van artikel 6 van die wet tot het instellen van administratief beroep gerechtigd is, namelijk degene aan wie de inleidende beschikking is gericht.

Opmerking verdient nog dat uit artikel 12, tweede lid, van de Wahv volgt dat degene die beroep bij de kantonrechter heeft ingesteld zich kan doen bijstaan door een advocaat of schriftelijke gemachtigde. De wetgever kan met dat artikel niet hebben beoogd dat een rechtshulpverlener die namens een betrokkene administratief beroep heeft ingesteld zich in beroep op zijn beurt kan doen bijstaan of vertegenwoordigen.

Uit het voorgaande leidt de kantonrechter af dat ingevolge artikel 9 van de Wahv slechts degene tot wie de inleidende beschikking is gericht, en niet de (beweerdelijk) gemachtigde die het administratief beroep feitelijk indient en aan wie de beslissing op het administratief beroep is geadresseerd, wordt aangemerkt als degene die administratief beroep heeft ingesteld en dus als degene die beroep kan instellen.

De kantonrechter wil niet onopgemerkt laten dat een andersluidende opvatting neerkomt op het aanvaarden van een zelfstandig beroepsrecht van een gemachtigde, geheel onafhankelijk van de wil van degene die de boetebeschikking heeft ontvangen. Daarmee zou een procedure bij de kantonrechter aanhangig gemaakt kunnen worden met als enkel doel het verkrijgen van een proceskostenvergoeding. Een dergelijke mogelijkheid acht de kantonrechter niet wenselijk en zal door de wetgever ook niet zijn beoogd.

Ten aanzien van het door Meerts ingenomen standpunt dat van hem in beroep geen machtiging kon worden verlangd, merkt de kantonrechter volledigheidshalve het volgende op. In het geval dat een gemachtigde (beweerdelijk) namens de betrokkene zowel administratief beroep als beroep bij de kantonrechter heeft ingediend kan ook in beroep bij de kantonrechter een toereikende machtiging worden verlangd van de betrokkene, indien een dergelijke machtiging ontbreekt of indien daar onduidelijkheid over bestaat. Zo’n onduidelijkheid doet zich voor wanneer, zoals hier, meerdere personen zich als gemachtigde stellen in één en dezelfde zaak, waarbij verschillende postadressen worden gehanteerd. Voor de toepassing van artikel 6:17 Awb, moet voor de kantonrechter immers duidelijk zijn aan wie de correspondentie moet worden gericht.

Het beroep, voor zover ingediend door Meerts, is niet-ontvankelijk.

Ten aanzien van het beroep, voor zover ingediend door Voorbach overweegt de kantonrechter als volgt.

In Wahv-zaken biedt de ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB, in beginsel voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de ambtsedige verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken (Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

7-9-2017, ECLI:NL:GHARL:2017:7825).

Naast de in de inleidende beschikking vermelde gegevens, houdt de verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB onder meer het volgende in: “De werkelijke snelheid stelde ik vast m.b.v. de gekalibreerde snelheidsmeter van het dienstvoertuig, door bestuurder met een gelijkblijvende of vrijwel gelijkblijvende tussenafstand te volgen..

Afgelezen snelheid boordsnelheidsmeter: 80.

Werkelijke (gecorrigeerde) snelheid: 72.

Toegestane snelheid: 50.

Overschrijding met: 12.

Meetafstand: 600 m.

Tussenafstand: 100 m.

Er is geen reden om te twijfelen aan de bevindingen van de daartoe bevoegde verbalisant.

Naar het oordeel van de kantonrechter is de gedraging begaan.

Terecht wordt namens de betrokkene aangevoerd dat de Officier van Justitie in zijn beslissing heeft opgenomen dat de beschikking door een BOA is opgelegd, terwijl dit een politiefunctionaris betreft. De kantonrechter ziet dit echter als een verschrijving en niet als een motiveringsgebrek dat tot gegrondverklaring van het beroep moet leiden.

In het beroep worden verder twijfels geuit over de bevoegdheid van de verbalisant. De kantonrechter is van oordeel, met verwijzing naar het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 23 december 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:10797) dat het aangevoerde onvoldoende is te twijfelen aan de bevoegdheid van de verbalisant.

Namens betrokkene is verder aangevoerd dat hij had moeten worden staandegehouden of dat beter had moeten worden gemotiveerd waarom van staandehouding is afgezien. De kantonrechter overweegt dat in artikel 5 van de Wahv is bepaald - voor zover hier van belang - dat indien is vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, en niet aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is, de administratieve sanctie wordt opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken ten tijde van de gedraging in het kentekenregister was ingeschreven. Deze bepaling moet zo worden begrepen dat als zich een reële mogelijkheid tot staandehouding voordoet van de bestuurder van het motorrijtuig, de sanctie aan die bestuurder dient te worden opgelegd.

In dit geval heeft betrokkene geen feiten en omstandigheden aangevoerd die aannemelijk maken dat zich wel een reële mogelijkheid tot staandehouding zou hebben voorgedaan. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat in deze zaak met het verbaliseren op kenteken kon worden volstaan. Met de mededeling van de verbalisanten in zaakoverzicht dat zij met andere werkzaamheden waren belast, is in de gegeven omstandigheden voldoende gemotiveerd dat er geen reële mogelijkheid tot staandehouding was.

Overigens zijn er geen omstandigheden aangevoerd of gebleken die aanleiding geven tot matiging of kwijtschelding van de opgelegde sanctie.

Het beroep, voor zover ingediend door Voorbach, zal ongegrond worden verklaard.

Er bestaat geen aanleiding voor toekenning van proceskosten.

Ten aanzien van de gevraagde toekenning van een dwangsom is de kantonrechter van oordeel dat de ingebrekestelling die is ontvangen op 18 juli 2019, prematuur is. Immers, de Officier van Justitie heeft voorafgaand aan de ingebrekestelling met een brief van 9 juli 2019, overeenkomstig artikel 4:14 van de Awb, de beslistermijn verlengd. Ter zitting heeft de Officier van Justitie de verzendadministratie van deze brief overgelegd. Het verzoek tot toekenning van een dwangsom zal daarom worden afgewezen.

Er wordt beslist als volgt.

Beslissing

De kantonrechter:

- verklaart het beroep, voor zover ingediend door Meerts, niet-ontvankelijk;

-verklaart het beroep, voor zover ingediend door Voorbach, ongegrond;

-wijst af het verzoek om toekenning van proceskosten;

-wijst het dwangsomverzoek af.

Deze beschikking is gegeven door de kantonrechter mr. G.W.B. Heijmans, en in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier, De kantonrechter,

Rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzending van een afschrift hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, doch alleen indien:

a. de bij deze beslissing opgelegde sanctie meer dan € 70,00 bedraagt, of

b. het beroepschrift niet-ontvankelijk is verklaard omdat de zekerheid niet (tijdig) is gesteld.

Het beroepschrift dient schriftelijk te worden ingediend bij de rechtbank Gelderland, Team strafrecht, Mulderzaken, kamer H.1.100, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem en dient door degene die beroep heeft ingesteld, of door zijn gemachtigde te zijn ondertekend. Beroepschriften die per e-mail worden ingediend, kunnen gezien de wettelijke regeling niet in behandeling worden genomen.

De procedure bij het gerechtshof verloopt geheel schriftelijk, tenzij in het beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting wordt gevraagd waarbij u uw standpunt mondeling wilt toelichten.

Een afschrift van deze uitspraak is aan betrokkene en de officier van justitie verzonden op:

1 Tweede Kamer, vergaderjaar 1987-1988 20 329, nr. 3, pag 42 en 44