Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:1514

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
27-02-2020
Datum publicatie
06-03-2020
Zaaknummer
08/180918-19, 08/770333-17 en 08/770234-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft een 39-jarige man uit Enschede veroordeeld voor mishandeling, bedreiging en diefstal tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden. De man verbleef in het kader van een gemaximeerde TBS-maatregel in een kliniek. Daar mishandelde hij zijn mentor. De man bedreigde verder een psychiater van de kliniek en zijn toezichthouder bij de reclassering met de dood. Eerder pleegde de man een diefstal.

De rechtbank achtte bedreigingen gericht tegen twee medewerkers van de kliniek niet bewezen en sprak de man daarvan vrij.

De officier van justitie heeft een (ongemaximeerde) TBS-maatregel gevorderd.

De rechtbank heeft geen TBS-maatregel opgelegd. Enerzijds is niet voldaan aan het wettelijke vereiste dat een advies van twee gedragsdeskundigen moet worden overgelegd, dan wel een rapport waaruit blijkt dat de man daar niet aan wilde meewerken. Anderzijds was de rechtbank van oordeel dat de ernst van de feiten de oplegging van een TBS-maatregel niet rechtvaardigen. De rechtbank heeft daarbij meegewogen dat de man al vanaf 11 december 2019 in zijn eigen woning verblijft en dat dit kennelijk door zijn toenmalige behandelaar verwantwoord werd geacht.

De rechtbank heeft bij het opleggen van de straf meegewogen dat de feiten al van langer geleden zijn. Daarnaast woont de man nu zelfstandig in zijn woning en lijkt het redelijk goed te gaan. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou dit kunnen doorkruisen. De rechtbank acht een stok achter de deur ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten in de vorm van een voorwaardelijke gevangenisstraf het meest passend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummers : 08/180918-19, 08/770333-17 (ttz gev.) en 08/770234-18 (ttz gev.)

Datum uitspraak : 27 februari 2020

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1980 in [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres 1] ,

raadsman: mr. R.F. Speijdel, advocaat in Enschede.

De zaken met parketnummer 08/770333-17 en 08/770234-18 (op 8 april 2019 ter terechtzitting van de rechtbank Overijssel gevoegd) zijn op 21 januari 2020 door de rechtbank Overijssel verwezen naar deze rechtbank.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 13 februari 2020.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Parketnummer 08/180918-19

1.

hij op of omstreeks 14 maart 2019 te Nijmegen [slachtoffer 1] (zijnde de mentor van verdachte in de Pompekliniek) heeft mishandeld door:

- warme koffie tegen de borst van die [slachtoffer 1] te gooien,

- meerdere malen, althans eenmaal, tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] te slaan en/of te stompen,

- meerdere malen, althans eenmaal, tegen het bovenlichaam van die [slachtoffer 1] te slaan en/of te stompen en/of

- meerdere malen, althans eenmaal, tegen de benen van die [slachtoffer 1] te schoppen en/of te trappen;

2.

hij op of omstreeks 16 oktober 2018 te Nijmegen, [slachtoffer 2] (werkzaam als behandelcoördinator in de Pompekliniek) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 2] (via [slachtoffer 3] werkzaam als sociotherapeut in de Pompekliniek) dreigend de woorden toe te voegen:

- als ik [slachtoffer 2] tegenkom ga ik achter hem staan en steek ik een priem in zijn nek, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

En/of

Hij op of omstreeks 16 oktober 2018 te Nijmegen (een sociotherapeute werkzaam in de Pompekiniek, genaamd) [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 3] (via [getuige 1] werkzaam als socuitherapeut in de

Pompekliniek) dreigend de woorden toe te voegen:

- ik pak medewerker [slachtoffer 3] wel een keer als ik alleen met haar op de afdeling ben. Dan maak ik haar kapot, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

En/of

hij op of omstreeks 18 oktober 2018 te Nijmegen [slachtoffer 4] (werkzaam als psychiater in opleiding in de Pompekliniek) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 4] (via [getuige 2] werkzaam als nachtportier in de Pompekliniek) dreigend de woorden toe te voegen:

- als ik die vrouw met die pukkel tegenover mij heb, die psychiater, dan trek ik haar door het luikje en maak ik haar kapot, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

Parketnummer 08/770333-17

hij op of omstreeks 29 juli 2017 in de gemeente Enschede met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen uit een tankstation van [slachtoffer 5] gevestigd aan de [adres 2] , althans een aantal pakjes, shag (merk Drum XL), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

Parketnummer 08/770234-18

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 02 februari 2018 tot en met 03 februari 2018 in de gemeente Borne [slachtoffer 7] , verdachtes toezichthouder van Reclassering Nederland, telefonisch en/of indirect heeft bedreigd (telkens) met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 7] dreigend de woorden toe te voegen “Wat maak jij mij nu kankerhoer, vuile stoephoer, jij probeert mij te naaien hé. Als ik jou tegen kom sla ik je op je bek!” en/of “Ik zal je op je bek slaan!” en/of “Als ik jou

tegen kom maak ik jou dood!” en/of “Ik maak [slachtoffer 7] dood!”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

2 Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten zoals ten laste gelegd onder de parketnummers 08/180918-19, 08/770333-17 en 08/770234-18. Ter terechtzitting heeft zij de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich wat betreft de mishandeling, ten laste gelegd in feit 1 onder parketnummer 08/180918-19, gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank nu verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer 1] heeft geschampt. Voor de bedreiging onder feit 2 van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft de raadsman vrijspraak bepleit, omdat er in beide gevallen slechts één verklaring ligt. De bedreiging van [slachtoffer 4] kan volgens de raadsman wel worden bewezen. Verdachte heeft deze bedreiging bekend. Ook de diefstal, ten laste gelegd onder parketnummer 08/770333-17, heeft verdachte bekend en kan worden bewezen. Voor de bedreiging van [slachtoffer 7] , ten laste gelegd onder parketnummer 08/770234-18, heeft de raadsman vrijspraak bepleit. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat de woorden “ik geef je een pets” juridisch niet kunnen worden gekwalificeerd als bedreiging met zware mishandeling en dat voor de bedreigingen met de dood onvoldoende wettig bewijs aanwezig is omdat er slechts één verklaring is.

Beoordeling door de rechtbank

Parketnummer 08/180918-19 1

Feit 1

[aangever 1] , zorgmanager bij de Pompekliniek, locatie [adres 3] te Nijmegen, heeft aangifte gedaan, omdat op 14 maart 2019 een incident heeft plaatsgevonden, waarbij [slachtoffer 1] is mishandeld door verdachte.2

[slachtoffer 1] , mentor van verdachte, heeft daarover verklaard dat verdachte van hem de afdeling niet mocht verlaten. Hij zei tegen verdachte dat hij naar zijn kamer moest gaan. Verdachte kwam toen dreigend op hem af. [slachtoffer 1] voelde dat hij een vuistslag tegen zijn linker oor kreeg. Verdachte is daarna doorgegaan met het uitdelen van stoten tegen zijn bovenlichaam. Vervolgens ging het over in trapbewegingen naar zijn benen en zag hij later blauwe plekken op zijn benen. Na het incident voelde [slachtoffer 1] pijn aan zijn oor en zijn oor was rood en dik.3

[getuige 3] , werkzaam als sociotherapeut, heeft gezien dat verdachte op [slachtoffer 1] (de rechtbank begrijpt [slachtoffer 1] ) afliep en hem tegen het hoofd sloeg. [slachtoffer 1] werd op zijn hoofd geraakt en vervolgens een paar keer op zijn bovenlichaam. Verdachte heeft ook nog geschopt en raakte hem zeker één keer.4

Volgens [getuige 4] heeft verdachte bij het slaan zijn vuisten gebruikt.5

De rechtbank acht op grond van deze bewijsmiddelen bewezen dat verdachte zijn mentor [slachtoffer 1] heeft mishandeld door hem tegen het hoofd en bovenlichaam te stompen en door hem tegen de benen te schoppen of te trappen. De rechtbank volgt de officier van justitie niet in haar standpunt dat het gooien van (een mok met) warme koffie tegen de borst van [slachtoffer 1] , wat op zichzelf wel bewijsbaar is, is aan te merken als een mishandeling in die zin dat dit een hevige onlust veroorzakende gewaarwording teweeg heeft gebracht. [slachtoffer 1] heeft daarover ook niet in die zin verklaard, noch overigens dat hij hierdoor pijn heeft ervaren. De rechtbank zal verdachte van dit onderdeel dan ook vrijspreken.

Feit 2

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft bedreigd. De bedreiging van [slachtoffer 2] is alleen door [slachtoffer 3] gehoord, de bedreiging van [slachtoffer 3] alleen door [getuige 1] . Nu uit het dossier geen feiten en omstandigheden naar voren komen die de bedreigingen ondersteunen, is er onvoldoende bewijs voor beide bedreigingen. Dat aangifte van beide bedreigingen is gedaan door [aangever 2] maakt het voorgaande niet anders, omdat de aangifte is gebaseerd op de waarnemingen door respectievelijk [slachtoffer 3] en [getuige 1] en dus uit dezelfde bron afkomstig zijn. Verdachte dient in zoverre van feit 2 te worden vrijgesproken.

Met betrekking tot de bedreiging van [slachtoffer 4] is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering. Daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt het bewijs op:

  • -

    het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] p. 14;

  • -

    de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 13 februari 2019.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank feit 2 bewezen voor zover het de bedreiging van [slachtoffer 4] betreft.

Parketnummer 08/770333-17 6

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering. Daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt het bewijs op:

  • -

    het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 6] , p. 3-4;

  • -

    de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 13 februari 2019.

De rechtbank acht de diefstal bewezen.

Parketnummer 08/770234-18 7

[slachtoffer 7] , werkzaam als reclasseringswerker bij Reclassering Nederland, heeft verklaard dat ze op 2 januari 2018 werd gebeld door de arrestantenwacht van het arrestantencomplex in Borne. Haar cliënt, verdachte, wilde haar spreken. Hij was boos omdat hij in Borne vast zat en schold haar uit voor stoephoer en meer woorden van gelijke strekking. [slachtoffer 7] hoorde verdachte zeggen: “als ik je tegenkom met die lelijke kop van jou, dan zal ik je op je bek slaan”. [slachtoffer 7] is later gebeld door arrestantenbewaarder [getuige 5] . Hij vertelde dat hij en zijn collega het hele gesprek hadden gehoord en dat verdachte, nadat hij het gesprek met [slachtoffer 7] had beëindigd, haar met de dood had bedreigd.8

Verbalisant [getuige 5] heeft in een proces-verbaal van bevindingen vermeld dat verdachte op 2 januari 2018 zeer onrustig was en meerdere malen op de intercom inbelde. Hij kwam agressief over. Verbalisant heeft gehoord dat verdachte een telefoongesprek had met [slachtoffer 7] . Hij hoorde verdachte zeggen: “Mooi dat ik jou spreek. Wat maak jij mij nu, kankerhoer, vuile stoephoer jij probeert mij te naaien he. Als ik jou tegenkom sla ik jou op je bek”. Hij hoorde verdachte ook zeggen: “als ik jou tegenkom, maak ik jou dood, stoephoer”. De verbinding bleek op dat moment al verbroken te zijn. Kort daarna belde verdachte via de intercom van zijn cel. Hij zei dat hij steeds stemmen in zijn hoofd hoorde die zeiden dat hij [slachtoffer 7] dood moest maken. Hij moest op haar gaan snijden, haar aan het mes steken. Op 3 januari 2018 belde verdachte via de intercom van zijn cel en zei hij “ik maak [slachtoffer 7] dood”.9

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij er helemaal klaar mee was. Hij heeft gezegd dat ze een pets kreeg, dat hij haar op haar bek zou slaan.10

De rechtbank overweegt dat de verbalisant meerdere keren heeft gehoord dat [slachtoffer 7] door verdachte met de dood werd bedreigd. Hoewel het dossier geen tweede verklaring bevat, waaruit direct blijkt van de bedreiging met de dood, acht de rechtbank niettemin bedreiging van [slachtoffer 7] met enig misdrijf tegen het leven gericht bewezen. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van verbalisant [getuige 5] voldoende steun vindt in de verklaring van verdachte en in die van [slachtoffer 7] . Verdachte bevestigt immers dat hij het betreffende telefoongesprek met [slachtoffer 7] heeft gevoerd en dat hij heeft verklaard dat hij haar zou slaan. [slachtoffer 7] verklaart ook dat verdachte heeft gezegd dat hij haar wilde slaan. Ook verklaart [slachtoffer 7] dat verdachte boos was op haar en haar uitschold. Dit wordt bevestigd door [getuige 5] . Bovendien is het relaas van [getuige 5] opgemaakt in een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal en hoeft het aanvullend bewijs niet de gehele tenlastelegging te omvatten. Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het op de mond slaan geen bedreiging in de zin van de wet oplevert zodat de rechtbank verdachte in zoverre zal vrijspreken.

De rechtbank merkt op dat de bedreiging in de periode van 2 januari 2018 tot en met
3 januari 2018 heeft plaatsgevonden. De tenlastelegging vermeld echter 2 februari 2018 tot en met 3 februari 2018. De rechtbank beschouwt dit als een kennelijke misslag. De raadsman heeft ter terechtzitting geen verweer gevoerd op de ten laste gelegde periode. Voor verdachte en zijn raadsman was duidelijk om welk feit het ging. Verdachte is gelet hierop dan ook niet in zijn verdediging geschaad.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 van parketnummer 08/180918-19 tenlastegelegde, het onder parketnummer 08/770333-17 tenlastegelegde en het onder 08/770234-18 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

Parketnummer 08/180918-19

1.

hij op of omstreeks 14 maart 2019 te Nijmegen [slachtoffer 1] (zijnde de mentor van verdachte in de Pompekliniek) heeft mishandeld door:

- warme koffie tegen de borst van die [slachtoffer 1] te gooien,

- meerdere malen, althans eenmaal, tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] te slaan en/of te stompen,

- meerdere malen, althans eenmaal, tegen het bovenlichaam van die [slachtoffer 1] te slaan en/of te stompen en/of

- meerdere malen, althans eenmaal, tegen de benen van die [slachtoffer 1] te schoppen en/of te trappen;

2.

hij op of omstreeks 18 oktober 2018 te Nijmegen [slachtoffer 4] (werkzaam als psychiater in opleiding in de Pompekliniek) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 4] (via [getuige 2] werkzaam als nachtportier in de Pompekliniek) dreigend de woorden toe te voegen:

- als ik die vrouw met die pukkel tegenover mij heb, die psychiater, dan trek ik haar door het luikje en maak ik haar kapot, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

Parketnummer 08/770333-17

hij op of omstreeks 29 juli 2017 in de gemeente Enschede met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen uit een tankstation van [slachtoffer 5] gevestigd aan de [adres 2] , althans een aantal pakjes, shag (merk Drum XL), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

Parketnummer 08/770234-18

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 02 januari 2018 tot en met
03 januari 2018 in de gemeente Borne [slachtoffer 7] , verdachtes toezichthouder van Reclassering Nederland, telefonisch en/of indirect heeft bedreigd (telkens) met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 7] dreigend de woorden toe te voegen “Wat maak jij mij nu kankerhoer, vuile stoephoer, jij probeert mij te naaien hé. Als ik jou tegen kom sla ik je op je bek!” en/of “Ik zal je op je bek slaan!” en/of “Als ik jou

tegen kom maak ik jou dood!” en/of “Ik maak [slachtoffer 7] dood!”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Parketnummer 08/180918-19

Feit 1: mishandeling;

Feit 2: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

Parketnummer 08/770333-17

Diefstal;

Parketnummer 08/770234-18

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van de ten laste gelegde feiten zal worden veroordeeld tot de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: TBS-maatregel) met dwangverpleging. Zij heeft in dit verband betoogd dat de stoornis die het gerechtshof in 2011 heeft vastgesteld, nog onverkort aanwezig is en dat het recidiverisico op gewelddadig gedrag zonder TBS-maatregel op korte termijn matig en op de langere termijn als hoog wordt beoordeeld. Verdachte heeft tijdens de eerder opgelegde TBS-maatregel niet aan een behandeling meegewerkt en was niet begeleidbaar. Hij heeft dus nog niet geleerd om in de toekomst probleemsituaties te voorkomen dan wel hoe hij daarmee om moet gaan. Gezien de ernstige problematiek zet de officier van justitie maximaal in op beveiliging.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft een werkstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf bepleit. Een TBS-maatregel acht hij niet aan de orde.

Beoordeling door de rechtbank

Verdachte heeft zich in 2017 schuldig gemaakt aan diefstal van een paar pakjes shag. Hij had problemen met het activeren van een belkaart en toen hem werd geadviseerd een daarvoor bedoeld telefoonnummer te bellen, voelde verdachte zich tekort gedaan en heeft hij de pakjes shag gepakt en meegenomen. Verdachte heeft hiermee gezorgd voor overlast en schade.

In 2018 en 2019 heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan bedreiging van zijn toezichthouder van de reclassering, bedreiging van een psychiater van de Pompekliniek en mishandeling van zijn mentor bij de Pompekliniek. De rechtbank vindt dit te meer bijzonder kwalijk, omdat dit personen zijn dit zich bezig hielden met hulpverlening aan verdachte en die het beste met hem voor hadden. Het gevoel van veiligheid van de slachtoffers is door deze feiten ernstig aangetast.

De rechtbank heeft in aanmerking genomen de justitiële documentatie van verdachte.

Verder heeft de rechtbank het reclasseringsadvies van Tactus van 16 januari 2020 in aanmerking genomen. Daaruit komt naar voren dat verdachte zich gedurende de gehele periode van een eerder reclasseringstoezicht, in het kader van de voorwaardelijke beëindiging van zijn TBS-maatregel, bedreigend, beledigend en diskwalificerend heeft uitgelaten over zijn reclasseringswerkers en dat hij bedreigende uitspraken richting derden deed. Dat was reden hem een officiële waarschuwing te geven. Op 21 december 2017 heeft de reclassering geadviseerd tot hervatting van de dwangverpleging, welk advies is overgenomen. Na het verstrijken van de einddatum van de gemaximeerde TBS-maatregel is verdachte met een BOPZ-maatregel (voorlopige machtiging) opgenomen in FPC de Pompekliniek. Tactus schat het recidiverisico en het risico op letselschade in als hoog. Ondanks het feit dat er wel een noodzaak tot behandeling is, acht Tactus een toezicht in een reclasseringskader niet mogelijk, ook niet binnen een TBS-maatregel met voorwaarden. Volgens Tactus is de basis voor een reclasseringstoezicht samenwerking. Die is er niet bij verdachte. Hij zal zich niet conformeren aan afspraken en ook geen openheid van zaken geven. De inschatting van Tactus is dat reclasseringsbemoeienis mogelijk juist een recidive verhogende factor kan zijn. Bij een veroordeling adviseert Tactus tot oplegging van een straf zonder bijzondere voorwaarden.

Anders dan de officier van justitie heeft gevorderd, zal de rechtbank verdachte geen TBS-maatregel opleggen.

De rechtbank overweegt dat artikel 37a, lid 3, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) voorschrijft dat een met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies wordt overgelegd van ten minste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, waaronder een psychiater, die de betrokkene hebben onderzocht. Indien dit advies eerder dan een jaar voor de aanvang van de terechtzitting is gedagtekend, kan de rechter hiervan slechts gebruik maken met instemming van het openbaar ministerie en de verdachte. Dit is volgens het vierde lid van artikel 37a anders als de betrokkene niet heeft meegewerkt aan het onderzoek ten behoeve van een dergelijk advies. In dat geval dient door de gedragsdeskundigen gerapporteerd te worden dat de betrokkene zijn medewerking heeft geweigerd en, voor zover mogelijk, wat de reden was van die weigering.

De rechtbank stelt vast dat geen rapport als bedoeld in artikel 37a Sr is uitgebracht en evenmin een rapport waaruit blijkt dat hij zijn medewerking aan het onderzoek heeft geweigerd en wat de reden daarvan was. Een en ander betekent dat niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor het opleggen van een TBS-maatregel. Dat in het verleden over verdachte is gerapporteerd dat hij een stoornis heeft en de constatering dat hij hiervoor niet is behandeld, leiden niet tot een ander oordeel, nu daarmee nog steeds niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor het opleggen van een TBS-maatregel.

De rechtbank overweegt ten overvloede dat de ernst van de bewezenverklaarde feiten (zijnde minder feiten ook dan de officier van justitie bewezen heeft geacht) de oplegging van een TBS-maatregel met dwangverpleging ook niet rechtvaardigen. De rechtbank merkt daarbij nog op dat de noodzaak van een TBS-maatregel met dwangverpleging zich niet goed laat rijmen met het feit dat verdachte vanaf 11 december 2019, na verkregen voorwaardelijk ontslag vanuit de Pompekliniek, in zijn eigen woning heeft verbleven. Kennelijk heeft de behandelaar van verdachte dit verantwoord geacht en de rechtbank is ook niet gebleken dat zich incidenten hebben voorgedaan. Gelet op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze feiten zijn gepleegd en het strafblad van verdachte acht de rechtbank een gevangenisstraf passend. In de sinds de feiten verstreken tijd -het laatste feit is bijna één jaar geleden en de overige feiten liggen nog verder terug in de tijd-, ziet de rechtbank aanleiding af te zien van het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank weegt daarbij tevens mee dat het uitzitten van een gevangenisstraf de huidige situatie, waarin verdachte sinds enkele maanden weer in zijn woning woont en het naar omstandigheden redelijk goed lijkt te gaan -zich althans geen incidenten hebben voorgedaan-, zou kunnen doorkruisen. De rechtbank acht dit niet wenselijk. In de gegeven omstandigheden acht de rechtbank een stevige stok achter de deur

-ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten- het meest passend, dit in de vorm van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met een proeftijd van drie jaren. Gelet op het reclasseringsadvies ziet de rechtbank af van het verbinden van bijzondere voorwaarden aan deze voorwaardelijke straf.

8. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer 5] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder parketnummer 08/770333-17 ten laste gelegde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 32,40 verhoogd met de wettelijke rente.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de vordering toewijsbaar met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat de vordering toewijsbaar is.

Beoordeling door de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder parketnummer 08/770333-17 bewezenverklaarde handelen tot het gevorderde bedrag schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vordering is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 juli 2017, voor toewijzing vatbaar.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partij.

9 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 285, 300 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

10 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden;

  • -

    bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarde voor het einde van de proeftijd die op drie jaren wordt bepaald;

  • -

    stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

  • -

    beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

  • -

    veroordeelt verdachte ten aanzien van parketnummer 08/770333-17 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 5], van een bedrag van € 32,40, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 juli 2017 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 5] , een bedrag te betalen van € 32,40, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 juli 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 1 (één) dag gijzeling zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Wasmann (voorzitter), mr. K.A.M. van Hoof en

mr. M.L. Plas, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.C.M. Althoff, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 februari 2020.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 1] van de politie Oost-Nederland, district Gelderland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2019337978, gesloten op 30 juli 2019, en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van aangifte door [aangever 1] , p. 21.

3 Proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 1] , p. 25-26.

4 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3] , p. 32.

5 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 4] , p.29.

6 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 2] van de politie Oost-Nederland, district Twente, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2017353716, gesloten op 17 november 2017, en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

7 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 3] van de politie Oost Nederland, district Twente, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2018003072, gesloten op 30 juli 2018 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

8 Proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer 7] , PL0600-2018003072-3.

9 Proces-verbaal van bevindingen van 3 januari 2018, PL0600-2018003072-2.

10 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 13 februari 2020.