Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:1434

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
05-03-2020
Datum publicatie
11-03-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 1127
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is niet bevoegd om kennis te nemen van de tegen het beheerplan Rijntakken ingestelde beroepen

Artikel 8.1, tweede lid, van de Wet natuurbescherming (Wnb) beperkt de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen een beheerplan. Op grond van dit artikel kan namelijk alleen beroep worden ingesteld tegen bepaalde onderdelen van het beheerplan. In de eerste plaats de beschrijving van die projecten waarvan artikel 2.9 van de Wnb bepaalt dat deze niet onder de vergunningplicht van artikel 2.7 vallen (vrijstelling van de vergunningplicht), of het ontbreken van een dergelijke beschrijving. In de tweede plaats de beschrijving van handelingen ten aanzien van soorten als bedoeld in artikel 3.3, zevende lid, onderdeel b, artikel 3.8, zevende lid, onderdeel b, al dan niet in samenhang met artikel 3.10, tweede lid, of het ontbreken van een dergelijke beschrijving. De bestuursrechter kan in deze procedure dus maar over zeer specifieke onderdelen van het beheerplan oordelen.

Meerdere eisers hebben beroep ingesteld, met name omdat de mogelijkheden voor delfstoffenwinning in het Natura 2000-gebied Rijntakken volgens hen drastisch worden beperkt door de in het vastgestelde beheerplan opgenomen conclusie over de benodigde foerageercapaciteit voor een aantal ganzensoorten en de smient.

De andere eisers hebben beroep ingesteld, met name omdat het vastgestelde beheerplan onvoldoende duidelijkheid geeft over de realisatie van in het beheerplan opgenomen doelen en daarmee van de gebruiksmogelijkheden van de landbouwgronden en ontwikkelmogelijkheden van hun bedrijven.

De onderwerpen die eisers in beroep noemen gaan niet over het al dan niet vrijstellen van de vergunningplicht, dan wel het al dan niet gelden van de verbodsbepalingen in hoofdstuk 3 van de Wnb. De rechtbank is daarom onbevoegd om van de beroepen kennis te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 19/1127, 19/1145, 19/1150, 19/1152, 19/1165 en 19/1171

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaken tussen

[eiseres 1] , te [woonplaats], eiseres 1 (zaaknummer 19/1127),

[eiseres 2] , te [woonplaats], eiseres 2 (gemachtigde: mr. R. Benhadi) (zaaknummer 19/1145),

[eiseres 3] , te [woonplaats], eiseres 3 (zaaknummer 19/1150),

[eiseres 4] , te [woonplaats], eiseres 4 (zaaknummer 19/1152),

[eiseres 5] , te [woonplaats], eiseres 5 (gemachtigde: drs. F.C. Wulterkens) (zaaknummer 19/1165),

[eisers 6] , te [woonplaats], [eisers 6], te [woonplaats], [eisers 6], te [woonplaats] en [eisers 6], te [woonplaats], eisers 6 (gemachtigde: mr. ir. J.M.M. Kroon) (zaaknummer 19/1171)

(samen: eisers),

en

het college van gedeputeerde staten van de provincie Gelderland, te Arnhem, verweerder 1,

het college van gedeputeerde staten van de provincie Overijssel, te Zwolle, verweerder 2,

het college van gedeputeerde staten van de provincie Utrecht, te Utrecht, verweerder 3,

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, te Den Haag, verweerder 4,

de minister van Infrastructuur en Waterstaat, te Den Haag, verweerder 5.

Procesverloop

Bij besluiten van 30 oktober 2018, 3 december 2018 en 17 december 2018 hebben verweerder 1, in overeenstemming met verweerders 2 en 3, en verweerders 4 en 5 het Beheerplan Natura 2000 Rijntakken vastgesteld.

Eisers hebben tegen het beheerplan beroep ingesteld.

Verweerder 1 heeft mede namens verweerders 2 tot en met 5 verweerschriften ingediend.

De beroepen zijn gelijktijdig ter zitting behandeld op 10 februari 2020. Namens eiseres 1 is [eiseres 1], directeur, verschenen. Namens eiseres 2 is [eiseres 2], directeur, verschenen, bijgestaan door mr. R. Benhadi. Namens eiseres 3 is [eiseres 3], directeur, verschenen. Namens eiseres 4 is [eiseres 4], milieucoördinator, verschenen. Namens eiseres 5 is [eiseres 5], directeur, verschenen, bijgestaan door drs. F.C. Wulterkens MeBa en van en namens eisers 6 zijn [eisers 6], [eisers 6], [eisers 6] en [eisers 6] verschenen, bijgestaan door mr. ir. J.M.M. Kroon. Verweerders hebben zich laten vertegenwoordigen door mr. M.M.H.J. Vroemen en ing. W.J. Bons.

Overwegingen

Besluitvorming

1. Het gebied Rijntakken is aangewezen als Natura 2000-gebied bij besluit van de staatssecretaris van Economische Zaken (EZ) van 23 april 2014. Het gebied is een samenvoeging van vier eerder al aangewezen Natura 2000-gebieden: IJssel, Neder-Rijn, Gelderse Poort en Waal. Naar aanleiding van beroepen tegen het aanwijzingsbesluit en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) op deze beroepen1 heeft de staatssecretaris van EZ op 30 maart 2017 een wijzigingsbesluit genomen. Tegen het wijzigingsbesluit is geen beroep ingesteld.

1.1.

In het beheerplan worden de in het aanwijzingsbesluit en het wijzigingsbesluit opgenomen instandhoudingsdoelen op hoofdlijnen uitgewerkt tot op 'deelgebied' niveau. Het beheerplan geeft daarbij aan welke maatregelen daarvoor in algemene zin nodig zijn. De in het beheerplan gemaakte keuzes worden gedurende de eerste planperiode van zes jaar nader uitgewerkt. In deze uitwerkingen zal, waar mogelijk, op perceelsniveau worden aangegeven wat waar wanneer moet gebeuren om de instandhoudings- en uitbreidingsdoelen te kunnen realiseren, zo hebben verweerders ter zitting nader toegelicht.

Is de rechtbank bevoegd om van de beroepen kennis te nemen?

2. Eiseressen 1 tot en met 5 hebben beroep ingesteld, met name omdat de mogelijkheden voor delfstoffenwinning in het Natura 2000-gebied Rijntakken volgens hen drastisch worden beperkt door de in het vastgestelde beheerplan opgenomen conclusie over de benodigde foerageercapaciteit voor een aantal ganzensoorten en de smient.

Eisers 6 hebben beroep ingesteld, met name omdat het vastgestelde beheerplan onvoldoende duidelijkheid geeft over de realisatie van in het beheerplan opgenomen doelen en daarmee van de gebruiksmogelijkheden van de landbouwgronden en ontwikkelmogelijkheden van de bedrijven van eisers 6. Zij vrezen voor onder meer de realisering van stikstofgevoelige natuurdoelen zoals meren met krabbenscheer en fonteinkruiden in hun directe omgeving en voor aanpassing van de waterpeilen in de Rijnstrangen. Daardoor worden zij in hun al dan niet stikstofgerelateerde agrarische activiteiten beperkt, aldus eisers 6.

2.1.

Artikel 8.1, tweede lid, van de Wet natuurbescherming (Wnb) beperkt de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen een beheerplan. Op grond van dit artikel kan namelijk alleen beroep worden ingesteld tegen bepaalde onderdelen van het beheerplan. In de eerste plaats de beschrijving van die projecten waarvan artikel 2.9 van de Wnb bepaalt dat deze niet onder de vergunningplicht van artikel 2.7 vallen (vrijstelling van de vergunningplicht), of het ontbreken van een dergelijke beschrijving. In de tweede plaats de beschrijving van handelingen ten aanzien van soorten als bedoeld in artikel 3.3, zevende lid, onderdeel b, artikel 3.8, zevende lid, onderdeel b, al dan niet in samenhang met artikel 3.10, tweede lid, of het ontbreken van een dergelijke beschrijving. Geen beroep kan worden ingesteld tegen in het beheerplan opgenomen instandhoudingsmaatregelen. Verder kan de juistheid van een (wijziging van een) aanwijzingsbesluit in een beroep tegen het beheerplan alleen bij bijzondere omstandigheden bij wijze van exceptieve toetsing nog aan de orde worden gesteld2.

De bestuursrechter kan in deze procedure dus maar over zeer specifieke onderdelen van het beheerplan oordelen.

2.2.

De onderwerpen die eisers in beroep noemen gaan niet over het al dan niet vrijstellen van de vergunningplicht, dan wel het al dan niet gelden van de verbodsbepalingen in hoofdstuk 3 van de Wnb. De rechtbank is daarom onbevoegd van de beroepen kennis te nemen.

De door de gemachtigde van eiseres 2 ter zitting genoemde uitspraak van de Afdeling van 20 juni 20183 maakt dat niet anders. In die uitspraak gaat het immers over een activiteit (baggerwerken (onderhoud)), die – onder voorwaarden – juist wel is vrijgesteld van de vergunningplicht (zie rechtsoverweging 5 van die uitspraak). Daarom kon de Afdeling in die zaak kennis nemen van beroepen tegen voorwaarden en beperkingen die waren verbonden aan die activiteit.

2.3.

Dat, ondanks intensieve betrokkenheid van eiseres 1 en andere maatschappelijke partijen bij het beheerplan vanaf 2008, verweerders het wijzigingsbesluit en de betekenis van daarvan voor het uiteindelijk vast te stellen beheerplan, niet specifiek onder haar aandacht hebben gebracht, kan niet afdoen aan de in artikel 8.1, tweede lid, van de Wnb, neergelegde beperking van de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen een beheerplan. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat niet gebleken is dat de bekendmaking van het wijzigingsbesluit niet op de wettelijk voorgeschreven wijze heeft plaatsgevonden. Het ontwerp van het wijzigingsbesluit is ter inzage gelegd als bijlage bij het ontwerp van het beheerplan. Eisers hadden dus bekend kunnen zijn met het ontwerp-wijzigingsbesluit. Van bijzondere omstandigheden die het niet instellen van beroep tegen het aanwijzings- en/of wijzigingsbesluit rechtvaardigen, is daarom niet gebleken. Daarom kan de juistheid van het aanwijzings- en wijzigingsbesluit niet meer in deze procedure over het beheerplan ter discussie worden gesteld.

Dat geldt ook voor de door eiseres 5 genoemde exclavering van de steenfabriek (en de daarnaast gelegen camping), die niet in het uiteindelijke beheerplan is opgenomen. Dat volgt namelijk al uit de wijziging van het oorspronkelijke aanwijzingsbesluit en kan in het beroep tegen het beheerplan niet meer aan de orde worden gesteld.

2.4.

Eisers 3, 4 en 6 hebben verder beroepsgronden gericht tegen de onderdelen van het beheerplan die betrekking hebben op de invulling van het begrip ‘bestaand gebruik’. Dat zijn onderdelen van het beheerplan die van belang zijn bij de toepassing van het tweede lid van artikel 2.9 van de Wnb, waartegen hier evenmin beroep mogelijk is.

2.5.

Dat eisers 6 mogelijk schade lijden als gevolg van niet vergunningplichtige maatregelen in het kader van beheer die al worden uitgevoerd, laat onverlet dat artikel 8.1, tweede lid, van de Wnb het niet mogelijk maakt om beroep in te stellen tegen de maatregelen die in het beheerplan zijn opgenomen om de instandhoudingsdoelstellingen van het aangewezen gebied te bereiken. Dat die maatregelen al worden uitgevoerd ondanks het globale karakter van het beheerplan, doet daaraan niet af.

Voor zover een bestuursrechtelijke schadevergoedingsmogelijkheid zou ontbreken, zullen eisers 6 zich daarvoor in voorkomend geval moeten wenden tot de burgerlijke rechter.

2.6.

De argumenten over de beperking van mogelijkheden voor delfstoffenwinning en al dan niet stikstofgerelateerde agrarische activiteiten en, in verband daarmee, de eisen die aan het beheerplan op grond van artikel 2.3 van de Wnb en uit het oogpunt van rechtszekerheid en zorgvuldigheid worden gesteld, kunnen eisers te zijner tijd in een eventuele vergunnings- of ontheffingsprocedure of handhavingsprocedure inbrengen. Verweerders zijn dan in beginsel gebonden aan hun eigen in het beheerplan opgenomen beleid, maar de bestuursrechter is dat dan niet.

Eventuele aanpassing van de eerder door het waterschap vastgestelde waterpeilen in de Rijnstrangen is niet mogelijk zonder een nader of nieuw peilbesluit van het waterschap, waartegen rechtsbescherming openstaat.

Conclusie

2.7.

De conclusie is dat de beroepen niet zien op onderdelen van het beheerplan waarover de rechtbank mag oordelen. De rechtbank is dus onbevoegd om van de beroepen kennis te nemen. Dat betekent dat de rechtbank niet toekomt aan de beoordeling van de beroepsgronden van eisers.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart zich onbevoegd om van de beroepen kennis te nemen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H. van Breda, voorzitter, mr. J.J.W.P. van Gastel en mr. M.J.M. Verhoeven, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Saedt, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 Uitspraak van 10 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:330.

2 ECLI:NL:RVS:2014:3491.

3 ECLI:NL:RVS:2018:2029.