Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:1399

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
02-03-2020
Datum publicatie
08-06-2020
Zaaknummer
C/05/360844 / FZ RK 19-2808
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek vaststelling omgangsregeling van een in Duitsland woonachtige moeder (die aldaar betrokken is bij een ‘high-profile’ strafrechtelijke procedure en daarom aan een getuigenbeschermingsprogramma deelneemt) met haar minderjarige dochter in Nederland.

In verband met de veiligheid van betrokkenen zijn het verzoek, het verweer en het zelfstandig verzoek, en het advies van de Raad voor de Kinderbescherming weggelaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Familie- en jeugdrecht

Zittingsplaats Zutphen

Zaakgegevens: C/05/360844 / FZ RK 19-2808

Datum uitspraak: 2 maart 2020

beschikking ex artikel 1:253a BW

in de zaak van

[verzoekster] (nader te noemen: de moeder),

wonende op een bij deze rechtbank bekend adres in de Bondsrepubliek Duitsland,

advocaat mr. L.E.I.K. Jaminon te Heerlen,

tegen

[verweerder] (nader te noemen: de vader),

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. E.N. Mulder te Nijkerk.

Het verloop van de procedure

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoekschrift ingekomen ter griffie op 23 oktober 2019;

- het journaalbericht van mr. Jaminon van 8 november 2019;

- de brief van mr. Mulder van 23 januari 2020 met als bijlage het verweerschrift ingekomen ter griffie op 24 januari 2020;

- het e-mailbericht van mr. Jaminon van 28 januari 2020 met bijlagen;

Ter zitting van 5 februari 2020 zijn gehoord:

- de moeder, ondersteund door de tolk Duits dhr. [naam] (beiden via telehoren), bijgestaan door mr. Jaminon, en;

- de vader, bijgestaan door mr. Mulder, en (als toehoorder) de partner van de vader;

- een zittingsvertegenwoordigster van de Raad voor de Kinderbescherming (nader te noemen: de Raad).

De feiten

Uit het huwelijk van partijen is geboren het thans nog minderjarige kind:

- [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [plaats in buitenland] (nader te noemen: [de minderjarige] ).

Bij [een Gerecht in het buitenland] van [datum] is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken.

De vader en de moeder zijn gezamenlijk belast met het ouderlijke gezag over [de minderjarige] die haar hoofdverblijfplaats heeft bij de vader.

Na beëindiging van het huwelijk hebben partijen eerst in de vorm van een co-ouderschap voor [de minderjarige] gezorgd. Later woonde [de minderjarige] bij de vader maar verbleef zij minimaal om de 14 dagen een weekend bij de moeder alsmede de helft van alle vakanties.

Sedert 2014 is de vader met [de minderjarige] naar Nederland verhuisd. Sindsdien is er wel contact geweest tussen de moeder en [de minderjarige] maar partijen verschillen van mening of dit conform de omgangsregeling is geweest.

De beoordeling

Op grond van artikel 8 van EG Verordening 2201/2003 van 27 november 2003, komt aan de Nederlandse rechter rechtsmacht toe nu [de minderjarige] in Nederland haar gewone verblijf heeft.

Op grond van artikel 15 van het Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen (Den Haag, 19 oktober 1996, Trb. 1997, 299, “Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996”) past de Nederlandse rechter op het onderhavige verzoek het interne recht toe omdat [de minderjarige] haar gewone verblijf in Nederland heeft.

Ten aanzien van de zorg- en contactregeling

Uitgangspunt is dat een kind recht heeft op omgang met beide ouders. Van dit uitgangspunt kan niet eenvoudig worden afgeweken. In de onderhavige situatie is echter sprake van uitzonderlijke omstandigheden. De vraag is of onder deze omstandigheden omgang met de moeder in het belang is van [de minderjarige] . De kinderrechter is van oordeel dat dit niet het geval is en dat er sprake is van zwaarwegende gronden die in de weg staan aan omgang tussen de moeder en [de minderjarige] . Daartoe wordt het volgende overwogen.

Gebleken is dat de moeder in Duitsland in een getuigenbeschermingsprogramma zit. Zij is aldaar kennelijk verwikkeld in een langlopende strafzaak die ziet op ernstige feiten. Dat brengt onherroepelijk een milieu met zich van criminaliteit, gevaar en mogelijk gewapende afrekening. Dit blijkt niet alleen uit het feit dat de moeder is opgenomen in het getuigenbeschermingsprogramma maar ook uit de beveiligingsmaatregelen die nodig waren om de zitting van 5 februari 2020 te kunnen laten doorgaan.

Onduidelijk is precies wat de rol van de moeder is in de strafzaak, hoe reëel de kans op een langdurige gevangenisstraf is en wat de precieze stand van zaken van de strafzaak is. De moeder is hier niet transparant over geweest of heeft dit niet kunnen zijn.

Los van de vraag in hoeverre dit alles een eigen keuze van de moeder is geweest, brengt een omgangsregeling in deze situatie onvermijdelijk verregaande praktische en emotionele consequenties met zich.

Zo speelt de fysieke veiligheid van [de minderjarige] (en haar vader) een belangrijke rol. De Duitse politie stelt de fysieke veiligheid van [de minderjarige] te willen garanderen tijdens de omgang. Hoewel dit ongetwijfeld professionele beveiliging zal inhouden, zal [de minderjarige] toch aan veiligheidsrisico’s worden blootgesteld. Dit zal met name spelen als de omgang zich buiten een beveiligde (binnen)locatie gaat afspelen. Belangrijker nog is dat onduidelijk is hoe de veiligheid van [de minderjarige] na afloop van de omgang gegarandeerd kan worden. Kennelijk moet de vader met [de minderjarige] vanuit Duitsland zonder beveiliging weer terug naar huis in Nederland. Niet duidelijk is geworden hoe voorkomen kan worden dat de vader gevolgd wordt en dat daarmee de woonplaats van [de minderjarige] aan het licht komt.

Er zijn omstandigheden denkbaar waaronder alle praktische obstakels opgelost worden en ook de fysieke veiligheid van de vader en [de minderjarige] voldoende gegarandeerd kunnen worden tot en met in Nederland. De kinderechter is echter van oordeel dat omgang dan alsnog een te zware emotionele belasting voor [de minderjarige] zou betekenen. Het is nauwelijks voorstelbaar dat de omgang voldoende onbezorgd en vrij zal kunnen zijn. De moeder heeft dit in ieder geval niet voldoende kunnen toelichten. Evenmin is bekend wat [de minderjarige] precies weet over de omstandigheden van de moeder en wat de moeder hiervan kan, mag en wil vertellen. Ook is onduidelijk wat de omgang voor [de minderjarige] gevoel van veiligheid zal betekenen en voor het beeld dat zij van haar moeder krijgt. Zij zal rechtstreeks worden geconfronteerd met het gegeven dat haar moeder in gevaar verkeert en kennelijk (in het recente verleden) in aanraking kwam met een crimineel netwerk. De moeder heeft ook niet uitgelegd wat [de minderjarige] na afloop van een beveiligde omgang in haar nabije omgeving wel en niet mag vertellen over haar moeder. Als haar dat niet duidelijk is, kan bij [de minderjarige] het gevoel ontstaan dat zij medeverantwoordelijk wordt voor zowel de veiligheid van haar moeder als haarzelf en haar vader.

Op doorvragen ter zitting heeft de moeder geen blijk gegeven over deze essentiële vragen te hebben nagedacht of zich te kunnen inleven in dat wat zij vraagt van haar dochter en de impact van dit alles op haar dochter. Dit maakt dat de kinderrechter twijfelt over in hoeverre de moeder in staat is om tijdens een beveiligde en emotioneel beladen omgangsregeling het belang van [de minderjarige] voor ogen te houden.

Tot slot heeft de kinderrechter laten meewegen dat de moeder in voorafgaande jaren ook maar een beperkte en niet stabiele factor in het leven van haar dochter is geweest. Zou dit anders zijn geweest, dan zou het belang van [de minderjarige] om contact met haar moeder te hebben zwaarwegender zijn geweest. Ook zou dan mogelijk van de vader een grotere inspanning verwacht kunnen worden om een regelmatige omgang mogelijk te maken. Daarvan is nu echter geen sprake.

De kinderrechter concludeert op grond van het voorgaande dat het recht van [de minderjarige] en de vader op een rustig en veilig leven dient te prevaleren boven de wens van de moeder om fysiek omgang te hebben met haar dochter. De kinderrechter realiseert zich terdege dat het verdrietig is voor zowel de moeder als [de minderjarige] dat er geen fysieke omgang zal zijn. Dit is echter grotendeels het gevolg van de situatie waarin de moeder zich bevindt en de keuzes die zij heeft gemaakt.

Ten aanzien van het telefonisch contact

De vader heeft onweersproken gesteld dat de moeder tijdens haar telefonische contact met [de minderjarige] , de minderjarige belast door aan haar te vragen: “Wanneer gaan wij elkaar weer zien?” en “Wanneer kom je bij mij wonen?”. Deze uitspraken brengen [de minderjarige] onnodig in verwarring. Daarbij komt dat de moeder, gezien de situatie waarin zij zich bevindt, deze uitspraken richting haar dochter niet kan waarmaken. Volgens de vader hebben de moeder en [de minderjarige] geen moeder-dochter relatie maar meer een vriendschappelijke band. De moeder heeft dit erkend. Onder de gegeven omstandigheden acht de kinderrechter driemaal in de week een vast contactmoment per telefoon emotioneel te ontregelend voor [de minderjarige] en daarom niet in haar belang.

De kinderrechter concludeert dat het in het belang is van [de minderjarige] om zich in een veilige en rustige omgeving zo onbezorgd mogelijk te ontwikkelen. Gebleken is dat [de minderjarige] hiertoe bij de vader en diens partner al jarenlang die mogelijkheid krijgt. De vader wordt dan ook in staat geacht een juiste belangenafweging te maken voor [de minderjarige] in het contact met de moeder. Om die reden zal het zelfstandig verzoek van de vader ten aanzien van het belcontact worden toegewezen in die zin dat de moeder éénmaal per week op zondag om 19:00 uur telefonisch contact kan hebben met [de minderjarige] waarbij het initiatief bij de moeder ligt. Het overige deel van het verzoek van de vader zal de kinderrechter niet toewijzen nu dit in de toekomst ligt. Daarbij komt dat als de moeder zich niet aan de afspraak houdt, daarmee het initiatief als vanzelf bij de vader komt te liggen.

Ten aanzien van het raadsonderzoek

Gezien het voorgaande ziet de rechtbank geen meerwaarde gelegen in een raadsonderzoek.

Er bestaan op dit moment teveel praktische en emotionele bezwaren tegen de omgang. Het is niet voldoende duidelijk geworden hoe de uitkomst van een raadsonderzoek deze zouden kunnen veranderen of wegnemen. Dat de situatie voor [de minderjarige] hoe dan ook belastend is, moge duidelijk zijn. Er zijn echter op dit moment geen grote zorgelijke signalen over haar ontwikkeling.

Ten aanzien van de proceskosten

Omdat de vader en de moeder elkaars gewezen echtelieden zijn, zal de rechtbank de kosten als volgt compenseren.

De beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek van de moeder af,

wijst het zelfstandig verzoek van de vader toe in die zin dat de moeder éénmaal per week op zondag 19:00 uur telefonisch contact kan hebben met [de minderjarige] waarbij het initiatief bij de moeder ligt;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het overige deel van het zelfstandig verzoek van de vader af;

compenseert de kosten van dit geding aldus, dat zowel de vader als de moeder met de eigen kosten belast blijft.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.G.J. Post, (kinder)rechter, in tegenwoordigheid van L.W. Evers, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2020.

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.