Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:1393

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
04-03-2020
Datum publicatie
18-03-2020
Zaaknummer
AWB - 18 _ 5775
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wmo 2015. De rechtbank is van oordeel dat de muziek- en schilderactiviteiten van eiseres maatschappelijke activiteiten zijn en daarmee onder het begrip ‘participatie’ in de zin van de Wmo 2015 vallen. Voor participatie is niet noodzakelijk is dat een activiteit groepsgewijs wordt uitgevoerd en dat daarbij contact met meerdere personen plaatsvindt. In het geval van eiseres kan deelname aan activiteiten binnen een algemene voorziening echter een passende en adequate bijdrage leveren aan haar participatiebehoefte. Maatwerkvoorziening voor dagbesteding terecht geweigerd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2020/91
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Zutphen

Bestuursrecht

zaaknummer: 18/5775

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 maart 2020

in de zaak tussen

[Naam A] , te [woonplaats A] , eiseres

(gemachtigde: mr. M.F. Vermaat),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Doetinchem te Doetinchem, verweerder.

(gemachtigden: T.I. Gerritsen en G. Huurnink)

Procesverloop

Bij besluit van 27 juli 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres voor een maatwerkvoorziening in de vorm van Ondersteuning Buitenshuis – Dagbesteding op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) geweigerd.

Bij besluit van 16 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 februari 2020. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en haar begeleider A. de Blaauw. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1.1.

Eiseres heeft verschillende fysieke en cognitieve beperkingen. Tot en met maart 2015 had zij een indicatie op grond van de Algemene wet bijzondere ziektekosten (AWBZ) voor (maximaal) vijf dagdelen per week dagbesteding, waarmee zij schilder- en muzieklessen inkocht.

1.2.

Aan eiseres is een indicatie voor ‘Begeleiding individueel – stabiliseren en overnemen’ op grond van de Wmo 2015 verleend voor twee uur per week. Deze zorg wordt verleend door Ans de Blaauw Zorgregie. Eiseres heeft daarnaast een aanvraag ingediend voor een maatwerkvoorziening in de vorm van dagbesteding. Eisers wil ondersteuning bij het verrichten van schilder- en muziekactiviteiten. De schilderactiviteiten waar het eiseres om gaat worden begeleid door de heer H. Mulder en vinden – zo blijkt uit de beschrijving in de stukken – plaats in een kleine groep en in een huiselijke setting, waar eiseres op ongeplande tijden kan rusten of slapen. De muziekactiviteit betreft het onder begeleiding van [Naam B] met een speciaal voor eiseres ontwikkelde methode spelen op de door eiseres zelf gebouwde harp.

2. Verweerder heeft de aanvraag voor een maatwerkvoorziening voor Ondersteuning Buitenshuis – Dagbesteding afgewezen. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiseres gebruik kan maken van een algemene voorziening en dat zij voor wat betreft zelfredzaamheid en participatie voldoende gecompenseerd wordt met de aan haar toegekende maatwerkvoorziening voor Begeleiding individueel voor twee uur per week.

Is sprake van participatie?

3.1.

Eiseres voert in de eerste plaats aan dat de door haar gewenste activiteiten vallen onder het begrip participatie in de zin van de Wmo 2015 en dat het daarom aan verweerder is om in een passende bijdrage te voorzien om hieraan te kunnen deelnemen. Volgens eiseres is de door verweerder genoemde algemene voorziening, De Stadskamer, vanwege haar beperkingen daarvoor niet geschikt mede omdat zij geen aansluiting heeft met de doelgroep van De Stadskamer. Volgens eiseres heeft verweerder onvoldoende onderzoek gedaan naar de vraag of De Stadskamer passend is gelet op haar specifieke situatie en behoefte. Eiseres wijst er bovendien op dat de bezwarenadviescommissie heeft geadviseerd het bezwaar gegrond te verklaren. Volgens eiseres heeft verweerder niet deugdelijk gemotiveerd waarom van dit advies is afgeweken.

3.2.

Verweerder stelt daar tegenover dat eiseres ondersteuning nodig heeft om structuur te verkrijgen en activiteiten te verrichten. Hierin is volgens verweerder voldoende voorzien met de maatwerkvoorziening voor Begeleiding individueel. Volgens verweerder is er daarnaast geen reden om een maatwerkvoorziening voor harp- en/of schilderles toe te kennen. Verweerder wijst er daarbij op dat hiervoor geen medische reden bestaat. Verder is volgens verweerder de openbare dagbestedingsplek De Stadskamer in Doetinchem geschikt voor eiseres. Zij kan hier op door haar zelf gewenste (rustige) tijdstippen deelnemen aan schilderactiviteiten, zij kan haar hulphond meenemen en er kan een voor eiseres geschikte rustruimte gecreëerd worden. De door eiseres gewenste harpactiviteit is volgens verweerder niet aan te merken als participatie in de zin van de Wmo 2015, omdat eiseres met de beoogde ondersteuning enkel haar eigen harp kan bespelen.

3.3.

Artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 bepaalt, voor zover van belang, dat verweerder beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van verweerder niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen.

3.4.

De rechtbank is van oordeel dat de muziek- en schilderactiviteiten van eiseres maatschappelijke activiteiten zijn en daarmee onder het begrip ‘participatie’ in de zin van de Wmo 2015 vallen. De rechtbank wijst daarbij op de geschiedenis van de totstandkoming van de Wmo 2015, waaruit blijkt dat het bij participatie gaat om het deelnemen aan het maatschappelijke verkeer. Dit wil zeggen dat iemand, ondanks zijn lichamelijke of geestelijke beperkingen, op gelijke voet met anderen, in redelijke mate mensen kan ontmoeten, contacten kan onderhouden, boodschappen kan doen en aan maatschappelijke activiteiten kan deelnemen.1

3.5.

De rechtbank is van oordeel dat in het geval van eiseres zowel de schilder- als de harpactiviteiten het deelnemen aan een maatschappelijke activiteit vormen. Eiseres heeft toegelicht dat zij deze activiteiten al vele jaren heeft uitgeoefend, waarbij voor de harp overigens geldt dat zij dit de laatste twee jaar niet meer heeft gedaan. Eiseres heeft verder toegelicht dat zij daarnaast niet of nauwelijks andere maatschappelijke activiteiten ontplooit. De rechtbank is van oordeel dat het, om te kunnen spreken van participatie in de zin van de Wmo 2015, niet noodzakelijk is dat een activiteit groepsgewijs wordt uitgevoerd en dat daarbij contact met meerdere personen plaatsvindt, zoals verweerder stelt. Bepalend is dat het gaat om het deelnemen aan een maatschappelijke activiteit. Ook schilderen en muziek maken kan daar onder te scharen zijn. Het standpunt van verweerder dat eiseres ook al voldoende gecompenseerd is door de maatwerkvoorziening Begeleiding individueel volgt de rechtbank niet, nu deze gericht is op ondersteuning van de zelfredzaamheid van eiseres en niet op participatie. De rechtbank is daarom van oordeel dat aan eiseres in beginsel een maatwerkvoorziening zou kunnen worden verstrekt voor dagbesteding in de vorm van (begeleiding bij) schilder- en harpactiviteiten. Dit brengt echter nog niet mee dat eiseres daar zonder meer voor in aanmerking komt.

Ten aanzien van de schilderactiviteiten

4. Uit de systematiek van de Wmo 2015 vloeit voort dat een maatwerkvoorziening alleen wordt toegekend als iemand echt niet zelf of met behulp van zijn omgeving in staat is tot zelfredzaamheid en participatie, en ook een algemene voorziening geen uitkomst biedt. Een maatwerkvoorziening is volgens de wetgever uitdrukkelijk de hekkensluiter.2

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat De Stadskamer in Doetinchem een algemene voorziening is. In De Stadskamer kan worden deelgenomen aan diverse activiteiten, waaronder schilderen. Om te kunnen vaststellen of dit voor eiseres een passende oplossing is, moet verweerder onderzoek doen. Verweerder heeft dit aanvankelijk onvoldoende gedaan. Bij de heroverweging in bezwaar heeft verweerder zich echter alsnog een beeld gevormd van de persoonskenmerken van eiseres en de passendheid van De Stadskamer in haar situatie. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met dit onderzoek het gebrek in het primaire besluit heeft hersteld. In bezwaar vindt immers een algehele heroverweging plaats op basis van de dan geldende feiten en omstandigheden.

4.2.

Uit het bestreden besluit en het verweerschrift blijkt dat verweerder bij een medewerker van De Stadskamer, [naam C] , heeft geïnformeerd naar de geschiktheid van De Stadskamer voor eiseres en over de mogelijkheid om tegemoet te komen aan haar rustbehoefte. Daarbij is door [naam C] aangegeven dat de hulphond van eiseres welkom is en dat eiseres kan komen schilderen op door haar gewenste tijdstippen op rustige dagen, bijvoorbeeld de maandagochtend, de woensdag en de vrijdagochtend. Ook is gemeld dat er desgewenst de gelegenheid is voor eiseres om te rusten in een aparte ruimte. Voor zover eiseres stelt dat deze rustruimte niet geschikt is voor haar, overweegt de rechtbank dat ter zitting door verweerder is verklaard dat de kamer zodanig kan worden aangepast dat het een adequate rustruimte zal zijn. De rechtbank ziet geen reden om hieraan te twijfelen.

4.3.

Ter zitting is door eiseres verder aangevoerd dat het niveau van schilderen bij De Stadskamer onder haar eigen niveau ligt. Wat daar ook van zij, de rechtbank is van oordeel dat gelet op de vrije opzet van de activiteiten in De Stadskamer verondersteld mag worden dat het voor eiseres mogelijk is haar schilderactiviteiten naar eigen wens en op haar eigen niveau uit te oefenen. Voor zover eiseres stelt dat zij niet past bij de doelgroep van De Stadskamer en dat het publiek daar niet aansluit bij haar persoon en haar behoeften, geldt het volgende. Hoewel de rechtbank begrip heeft voor het gevoel van eiseres, kan dit niet leiden tot het oordeel dat De Stadskamer om die reden geen geschikte voorziening is. Uit de website en ook uit het verhandelde ter zitting blijkt niet dat de activiteiten in De Stadskamer uitsluitend zijn bedoeld voor een andere doelgroep dan eiseres.

Ten aanzien van de harpactiviteiten

5. Vervolgens moet de rechtbank de vraag beantwoorden of verweerder gehouden is een maatwerkvoorziening te verstrekken voor (begeleiding bij) muziekactiviteiten.

5.1.

De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is. In de eerste plaats is daarbij van belang dat eiseres de afgelopen twee jaar de harpactiviteiten al niet meer heeft gedaan. In zoverre kan dan ook niet worden gezegd dat deze activiteit een essentieel onderdeel is van haar leven.

5.2.

De rechtbank is daarnaast van oordeel dat eiseres, met de activiteiten die zij kan ontplooien in De Stadskamer (waaronder schilderen) voldoende is gecompenseerd, dat wil zeggen dat zij daarmee in redelijke mate aan maatschappelijke activiteiten kan deelnemen. De rechtbank merkt daarbij op dat het eiseres daarbij vrij staat om ook deel te nemen aan andere activiteiten die bij De Stadskamer worden aangeboden.

Conclusie

6. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat deelname aan activiteiten binnen de algemene voorziening De Stadskamer voor eiseres een passende en adequate bijdrage kan leveren aan haar participatiebehoefte. Het voorgaande betekent dat verweerder terecht heeft geweigerd om eiseres een maatwerkvoorziening voor Ondersteuning Buitenshuis – Dagbesteding te verlenen. Het beroep is ongegrond.

Overschrijding van de redelijke termijn

7. Eiseres heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, als bedoel in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EVRM).

7.1.

De rechtbank wijst het verzoek toe. Voor een uitspraak in eerste aanleg geldt in beginsel dat deze niet binnen een redelijke termijn is gedaan, indien de rechtbank niet binnen twee jaar (24 maanden) nadat de termijn is gestart uitspraak doet. Daarbij geldt dat de behandeling in bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar mag duren. De termijn start in beginsel op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. In dit geval is dat op 5 september 2017. Vanaf dat moment tot de datum van deze uitspraak zijn twee jaar en bijna zes maanden verstreken. De rechtbank is van oordeel dat de aard van de zaak en de opstelling van eiseres geen aanleiding geven voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure langer zou mogen zijn. Dat betekent dat de redelijke termijn met bijna zes maanden is overschreden. Omdat de behandeling door de rechtbank niet meer dan anderhalf jaar heeft geduurd, is de overschrijding van de redelijke termijn toe te rekenen aan verweerder. Vast uitgangspunt is dat een schadevergoeding van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn overschreden is, gepast is.3 De door eiseres geleden immateriële schade wordt daarom vastgesteld op een bedrag van € 500,-.Verweerder zal worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade aan eiseres.

7.2.

Ook bestaat aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseres. Deze kosten worden begroot op € 525,- voor verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het verzoek om vergoeding van schade en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met wegingsfactor 0,5). Daarnaast moet verweerder het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt verweerder tot betaling aan eiseres van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 500,-;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 525,-;

- draagt verweerder op het door eiseres betaalde griffierecht van € 46,- te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Klein Egelink, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M. Kool, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 4 maart 2020

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 Kamerstukken II 2013-2014, 33 841, nr 3, p. 123.

2 Kamerstukken II 2013-2014, 33 841, nr 3, p. 34 en 148.

3 Bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2020:260.