Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:1358

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
28-02-2020
Datum publicatie
10-03-2020
Zaaknummer
05/211909-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Man van 82 jaar wordt veroordeeld wegens het ontuchtig betasten van 8-jarig meisje. Voor bewijs wordt gebruik gemaakt van proces-verbaal bevindingen van mededelingen van reclasseringswerker over hetgeen zij van verdachte heeft gehoord tijdens vroeghulpgesprek.

Deze uitlatingen zijn niet gedaan in kader van hulpverleningstaak, maar in kader van voorlichtingstaak van de reclassering, waarbij geen sprake was van vertrouwensrelatie tussen verdachte en reclasseringswerker. Verdachte lijdt aan vasculaire dementie, hetgeen, in combinatie met onderhavige veroordeling voor een zedenfeit, problemen oplevert bij het vinden van de juiste zorginstelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/211909-19

Datum uitspraak : 28 februari 2020

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1948 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres 1]

thans gedetineerd te P.I. [penitentiaire inrichting] .

Raadsman: mr. S.F.W. van ‘t Hullenaar, advocaat te Arnhem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 17 januari 2020 en 14 februari 2020.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 7 augustus 2019 te Zevenaar, in elk geval in Nederland, met [benadeelde] , geboren op [geboortedatum benadeelde] 2011 , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, door die [benadeelde] op de mond te zoenen en/of die [benadeelde] (over de kleding) bij de vagina en/of borsten te betasten en/of het brengen van de hand van die [benadeelde] naar zijn, verdachtes, penis en/of die [benadeelde] (onder de broek en over de onderbroek) zijn penis te laten betasten.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde ontuchtige handelingen met de 8-jarige [benadeelde] . De officier van justitie baseert zich hierbij op de verklaring van [benadeelde] , de aangifte van [moeder benadeelde] en de verklaring van [vader benadeelde] . Verder kan voor het bewijs gebruik worden gemaakt van het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] , inhoudende wat hij van [reclasseringswerker] van de reclassering heeft gehoord.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak gevraagd wegens onvoldoende wettig bewijs, omdat niet wordt voldaan aan het bewijsminimum.

De raadsman heeft gesteld dat het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] van het bewijs moet worden uitgesloten. Hij heeft hiertoe primair aangevoerd dat het de verbalisant weliswaar vrij stond een proces-verbaal op te maken van wat hij heeft gehoord van [reclasseringswerker] van de reclassering, maar dat dit proces-verbaal niet voor het bewijs mag worden gebruikt omdat een medewerker van de reclassering het verschoningsrecht heeft. [reclasseringswerker] wist niet dat zij een verschoningsrecht had op het moment dat zij de politie belde, zodat niet gezegd kan worden dat zij daar bewust afstand van heeft gedaan. Dit blijkt ook uit het feit dat [reclasseringswerker] ervoor gekozen heeft om bij de rechter-commissaris niet te verklaren over wat zij van de verdachte heeft gehoord.

Subsidiair heeft de raadsman gesteld dat dit proces-verbaal niet voldoet aan de eisen van betrouwbaarheid. Niet kan worden gecontroleerd hoe die verklaring tot stand is gekomen, of er bijvoorbeeld sturende vragen zijn gesteld en of verdachte een helder moment had of niet toen hij [reclasseringswerker] vertelde over wat er is gebeurd. Ook om deze reden moet het proces-verbaal van [verbalisant 1] worden uitgesloten van het bewijs.

Als dit verweer gevolgd wordt blijft alleen de verklaring van [benadeelde] over. De raadsman is het eens met de officier van justitie dat het moment van “disclosure” de verklaring van [benadeelde] authentiek maakt, maar er is geen steunbewijs. De verklaring van de [vader benadeelde] is daarvoor onvoldoende, omdat dit alleen maar over een vage spijtbetuiging van verdachte gaat. Verdachte lijdt aan beginnende dementie. Hetzelfde geldt voor de verklaring van [moeder benadeelde] . Het feit dat verdachte op dat moment op de plaats van het delict was is niet bijzonder in deze zaak omdat verdachte altijd zijn hond bij deze plek uitlaat.

Beoordeling door de rechtbank

Ten aanzien van het verweer tot bewijsuitsluiting

De vraag die de rechtbank als eerste moet beantwoorden is of het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] voor het bewijs mag worden gebruikt. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

In het dossier zit een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] van 3 september 2019, waarin hij verklaart dat hij op 2 september 2019 om 16:30 uur werd gebeld door [reclasseringswerker] van Reclassering Nederland. [reclasseringswerker] vertelde hem dat zij verdachte voor een gesprek had bezocht in verband met zijn inverzekeringstelling. Verdachte zei tegen haar dat hij iets had gedaan en haar dat wel wilde vertellen. Hij vroeg met wie zij dat zou gaan delen. Nadat [reclasseringswerker] de verdachte had gezegd dat zij dat zou gaan delen met de politie, het OM en de rechtbank, heeft verdachte haar verteld over het feit waarvan hij wordt verdacht.

Op verzoek van de verdediging is [reclasseringswerker] op 9 december 2019 als getuige bij de rechter-commissaris gehoord, waarbij namens verdachte zowel zijn raadsvrouw, mr. Klabbers, als zijn raadsman, mr. Van ’t Hullenaar, aanwezig waren. [reclasseringswerker] heeft hier onder meer verklaard dat ze sinds 2003 bij de reclassering werkt. [reclasseringswerker] bevestigt dat zij na haar bezoek aan verdachte heeft gebeld met de politie en ook dat het klopt dat zij de dingen aan [verbalisant 1] heeft verteld die in zijn proces-verbaal staan vermeld. Het was een gewoon gesprek waarin ze dingen over en weer deelden. [reclasseringswerker] heeft verklaard dat er tijdens het gesprek tussen haar en verdachte op 2 september 2019 nog geen sprake was van een vertrouwensrelatie. Verder heeft ze verklaard dat ze de informatie ook zou hebben gedeeld als ze van tevoren wist dat die informatie in een proces-verbaal van politie zou worden opgenomen. Informatie uit de vroeghulp wordt altijd gedeeld en dit wordt ook tegen de verdachte gezegd. Daarbij wordt verdachte verteld dat de informatie niet tussen hen blijft en dat ze iets niet moeten zeggen als iemand het niet mag weten. Aan het eind van het verhoor bij de rechter-commissaris zegt mr. Klabbers tegen [reclasseringswerker] dat uit een arrest van de Hoge Raad valt op te maken dat zij informatie die aan haar wordt verstrekt over bijvoorbeeld het delict niet hoeft te delen omdat zij als reclasseringswerker een verschoningsrecht heeft. Hierop zegt [reclasseringswerker] dat ze dit voor het eerst hoort. Vervolgens bespreken mr. Van ’t Hullenaar en de rechter-commissaris de strekking van het verschoningsrecht, waarna de rechter-commissaris aan [reclasseringswerker] vraagt of ze nu in eigen woorden zou kunnen vertellen wat verdachte aan haar over het delict heeft verteld. Hierop antwoordt [reclasseringswerker] dat ze dit niet weet, het lastig vindt en dat ze dit intern wil bespreken en daarover advies wil vragen.

De rechtbank stelt voorop dat de reclassering op grond van de Reclasseringsregeling 1995 is belast met meerdere werkzaamheden, zoals het begeleiden bij een taakstraf en het houden van toezicht. Tot die werkzaamheden hoort ook het bezoeken van een verdachte nadat hij in verzekering is gesteld en het uitbrengen van een adviesrapport in het kader van deze zogeheten ‘vroeghulp’. Het gaat daarbij om het doen van onderzoek en het geven van voorlichting over een verdachte met het oog op beslissingen in het kader van de voorlopige hechtenis. Zo’n adviesrapport mag niet worden gebruikt voor het bewijs (HR 18 september 2007, ECLI:NL: HR:2007:BA3610). De opsteller van zo’n rapport kan echter wel als getuige worden gehoord en dan een verklaring afleggen over wat hij van de verdachte heeft gehoord. Zo’n verklaring mag wél voor het bewijs worden gebruikt. Als aan een reclasseringsmedewerker als getuige vragen worden gesteld die betrekking hebben op feiten of omstandigheden waarvan de wetenschap aan hem als reclasseringsmedewerker als zodanig is toevertrouwd, mag hij zich beroepen op zijn verschoningsrecht en is hij dus niet verplicht antwoord op die vragen te geven (HR 25 september 2012, ELCI:NL:HR:2012:BX4269). De rechtbank stelt vast dat geen van deze twee situaties zich hier voordoet. In dit geval gaat het immers om informatie die [reclasseringswerker] uit zichzelf aan de telefoon aan [verbalisant 1] heeft verteld. Deze situatie is niet eerder aan de Hoge Raad voorgelegd.

De rechtbank overweegt dat de positie van een reclasseringsmedewerker anders is dan die van een arts of advocaat, die een geheimhoudingsplicht hebben en daarmee geacht worden informatie die zij van hun cliënten hebben gekregen niet prijs te geven. Medewerkers van de reclassering wordt gevraagd om te rapporteren, en zij moeten dat doen, ook als dat niet in het belang van de ‘cliënt’ is, bijvoorbeeld als deze zich niet aan de afspraken houdt, een opgelegd contactverbod overtreedt, in strijd met een opgelegd verbod drugs of alcohol gebruikt. Bij sommige taken van de reclassering kan een hulpverleningsrelatie ontstaan tussen medewerker en de cliënt, zoals bij het houden van toezicht en het bieden van steun bij het naleven van opgelegde voorwaarden. De rechtbank is van oordeel dat er tussen verdachte en [reclasseringswerker] geen sprake was van een hulpverleningsrelatie. [reclasseringswerker] heeft bij de rechter-commissaris, op de vraag of er sprake was van een vertrouwensband, verklaard: “Voor de vroeghulp is het wel heel snel om dan al te spreken van een vertrouwensband. Met één gesprek is dat eigenlijk niet mogelijk. Dat zou wel heel snel zijn.” De informatie die zij heeft gedeeld was in het kader van haar voorlichtingstaak. Zoals hiervoor al is weergegeven komt haar in zo’n geval ook een verschoningsrecht toe als zij als getuige wordt gehoord. Zij is echter niet verplicht om van dat verschoningsrecht gebruik te maken. Daarbij moet ze haar eigen afweging maken of ze daar al dan niet gebruik van wil maken.

[reclasseringswerker] heeft uit zichzelf de politie gebeld en zij heeft uit zichzelf de informatie aan [verbalisant 1] gegeven. Uit haar verhoor bij de rechter-commissaris maakt de rechtbank op dat zij de informatie niet heeft gekregen in een vertrouwensrelatie en dat zij aan verdachte heeft gezegd dat zij de dingen die hij aan haar vertelt doorgeeft aan de politie. Het was dus ook verdachte duidelijk dat er geen vertrouwensrelatie was. Ook zou [reclasseringswerker] de informatie aan [verbalisant 1] hebben verteld als ze wist dat deze in een proces-verbaal van politie zou worden opgenomen. De rechtbank is van oordeel dat hieruit blijkt dat [reclasseringswerker] heeft afgezien van haar recht om geen informatie te verstrekken en ook achteraf bezien geen gebruik wilde maken van dat recht. De stelling van de raadsman dat [reclasseringswerker] niet wist dat zij een verschoningsrecht heeft en daar niet bewust afstand van heeft gedaan, volgt de rechtbank niet, want dat is niet wat zij heeft gezegd. Anders dan de raadsman leidt de rechtbank dit ook niet af uit de omstandigheid dat [reclasseringswerker] bij de rechter-commissaris geen verklaring heeft afgelegd over wat zij van verdachte heeft gehoord. Zij wilde enkel advies inwinnen, wat goed verklaard kan worden doordat haar door twee advocaten het vuur na aan de schenen is gelegd, niet alleen bij het verhoor, maar ook tijdens maar liefst vier telefoongesprekken vóór het verhoor, waarbij [reclasseringswerker] zich kennelijk nogal ongemakkelijk voelde en de raadsvrouw nogal opdringerig vond. Het verweer wordt in zoverre verworpen en het betreffende proces-verbaal van bevindingen is bruikbaar voor het bewijs.

Over het subsidiair gevoerde verweer overweegt de rechtbank het volgende. De raadsman heeft niet onderbouwd waarom het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1] niet zou voldoen aan de eisen van betrouwbaarheid. De enkele suggestie dat niet valt te achterhalen welke vragen zijn gesteld en de vraag of verdachte wel of geen helder moment had, zijn daartoe onvoldoende. Ten overvloede merkt de rechtbank hierover het volgende op. [reclasseringswerker] heeft verklaard dat ze met verdachte in gesprek was. Halverwege het gesprek werd hij opgehaald voor zijn inverzekeringstelling. Toen hij terugkwam had ze het gevoel dat hij in de war was. Hij reageerde anders en was minder adequaat. Hij vertelde dat hij zich van zijn advocaat moest beroepen op zijn zwijgrecht. [reclasseringswerker] heeft hem uitgelegd wat dat betekende en daarna verder niet meer gesproken over het feit waarvan hij wordt verdacht. De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte niet in de war was, helder was en adequaat reageerde toen hij over het feit vertelde, want dat was voordat hij werd opgehaald voor zijn inverzekeringstelling. Verder blijkt uit niets dat [reclasseringswerker] vragen heeft gesteld, laat staan dat die sturend zouden zijn geweest. Integendeel, uit de verklaring van [reclasseringswerker] kan worden opgemaakt dat verdachte uit zichzelf over het feit heeft verklaard. Ook beschikte [reclasseringswerker] niet over het dossier, zodat niet valt in te zien dat er sturende vragen zijn gesteld.

De rechtbank heeft ook verder geen enkele reden te twijfelen aan de betrouwbaarheid van het proces-verbaal van [verbalisant 1] , zodat het verweer ook in zoverre wordt verworpen.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] voor het bewijs gebruiken.

Ten aanzien van het bewijs

[benadeelde] is geboren op [geboortedatum benadeelde] 2011 .2 Op 7 augustus 2019 ging de toen dus 8-jarige [benadeelde] samen met haar moeder, [moeder benadeelde] , met hun hond [naam hond benadeelde] wandelen in Zevenaar, zo heeft haar moeder verklaard. Ze kwamen [verdachte] van [adres 1] tegen met zijn hond [naam hond verdachte] (rechtbank: verdachte). Ze liepen een stukje samen op. Daarna is [benadeelde] nog een stukje alleen gaan lopen met verdachte. Toen [moeder benadeelde] thuis was zag ze [benadeelde] samen met verdachte komen aanlopen. ’s Avonds voor het slapen gaan vroeg [benadeelde] aan haar moeder: “Is het gek als iemand aan je plasser zit”. Ze vertelde dat de baas van [naam hond verdachte] aan haar plasser had gezeten. Hij had ook aan haar tietjes gezeten en in het shirtje gekeken. Hij zei toen dat hij ze mooi vond. [benadeelde] wees naar haar vagina en vertelde dat ze dat ook bij hem moest doen. De rits van zijn broek was open. Ze heeft hem niet gezien. Hij had een witte onderbroek aan.3

[benadeelde] heeft verklaard dat zij samen met de baas van [naam hond verdachte] ging wandelen. [naam hond benadeelde] kwam met zijn riem vast te zitten in de struiken. De man heeft hem los gemaakt. Uit dank heeft [benadeelde] hem een knuffel gegeven. Toen ze op het gras zaten heeft hij met zijn hand over haar onderbroek bij haar plassertje gezeten. Ook heeft hij haar borsten aangeraakt. Hij keek in haar shirt en zei: dat zijn mooie. Hij deed zijn rits open en deed haar hand tussen de rits van zijn broek. Ze voelde toen een rond knoopje.4 De man heeft bij haar borsten en haar kruis gezeten. Dat was over haar kleding. Ook heeft hij haar op de mond gekust. Ze vond dat vies.5

De heer [vader benadeelde] , is naar eigen zeggen, naar de woning van verdachte gegaan nadat [benadeelde] had verteld wat er was gebeurd. Verdachte bood zijn excuses aan. Hij zei meerdere malen sorry achter elkaar. Verdachte zei tegen [vader benadeelde] dat [benadeelde] zelf was begonnen door hem een knuffel te geven.6

Blijkens het meergenoemde proces-verbaal van bevindingen, heeft verdachte tegen [reclasseringswerker] van de reclassering verteld dat hij zijn hond uitliet bij een grasveldje en samen met een meisje ging zitten. Hij vertelde dat hij het meisje heeft gestreeld over het hoofd, de rug en de onderbroek.7

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [benadeelde] betrouwbaar is. Hij is authentiek en consistent. [benadeelde] heeft uit zichzelf aan haar moeder verteld wat er is gebeurd en ook in de studio herhaalt ze nogmaals wat er is gebeurd waarbij zij ook verklaart dat de man haar op de mond had gekust.8 Er is ook geen twijfel dat [benadeelde] verdachte bedoelt met de man die zij omschrijft. [moeder benadeelde] noemt immers het adres van verdachte, en ze heeft [benadeelde] samen met verdachte gezien. De verklaring van [benadeelde] wordt ondersteund door de verklaring van [benadeelde] en door wat [reclasseringswerker] van verdachte heeft gehoord. De rechtbank is verder van oordeel dat de handelingen zoals door [benadeelde] omschreven ontuchtig zijn, gelet op de zeer jonge leeftijd van [benadeelde] . Gezien die zeer jonge leeftijd behoeft het geen nader bewijs dat [benadeelde] niet gehuwd was met verdachte.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte de tenlastegelegde ontuchtige handelingen heeft gepleegd bij de 8-jarige [benadeelde] .

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 7 augustus 2019 te Zevenaar, in elk geval in Nederland, met [benadeelde] , geboren op [geboortedatum benadeelde] 2011 , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt buiten echt,

een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, door die [benadeelde] op de mond te zoenen en/of die [benadeelde] (over de kleding) bij de vagina en borsten te betasten en/of het brengen van de hand van die [benadeelde] naar zijn, verdachtes, penis en/of die [benadeelde] (onder de broek en over de onderbroek) zijn penis te laten betasten.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen.

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 300 dagen, waarvan 112 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaren met bijzondere voorwaarden, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. De bijzondere voorwaarden zijn een meldplicht bij de reclassering, een opname in een zorginstelling met overbruggingszorg, begeleid wonen en een contact- en straatverbod voor [benadeelde] .

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om geen hogere straf op te leggen dan de duur van het voorarrest als de rechtbank tot een bewezenverklaring komt.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel justitiële documentatie, gedateerd 21 januari 2020;

- een pro justitia rapportage van [naam] , klinisch psycholoog & klinisch neuropsycholoog, gedateerd 3 februari 2020;

- een reclasseringsadvies van Tactus verslavingszorg, gedateerd 13 februari 2020.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft een 8-jarig meisje onzedelijk betast op haar borst en schaamstreek, haar op haar mond gekust en haar hand naar zijn penis gebracht. Verdachte heeft met zijn handelen de lichamelijke en geestelijke integriteit van het jeugdige slachtoffer geschonden. Uit de door moeder op zitting voorgelezen slachtofferverklaring blijkt dat [benadeelde] als gevolg van het handelen van verdachte vaak boos en verdrietig is en daar ook hulp voor krijgt van een kindercoach. Ook heeft het handelen van verdachte voor onrust in de buurt gezorgd.

Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij eerder voor een soortelijk feit is veroordeeld.

Uit het rapport van [naam] blijkt dat bij verdachte sprake is van beperkte tot uitgebreide neurocognitieve stoornissen ten aanzien van het geheugen, concentratie en executief functioneren door waarschijnlijk een vasculaire ziekte met vooral vermijdende en passieve trekken binnen de persoonlijkheid. Daarnaast is er sprake van een licht tot matige verstandelijke beperking. Met name de problemen ten aanzien van het executief functioneren in relatie met een zich ontwikkelend dementieel beeld zijn van belang voor een beoordeling van de situatie ten tijde van het tenlastegelegde feit. Het betreft hier vooral het ontremde, impulsieve gedrag dat bij executieve stoornissen veel voorkomt naast een niet goed functionerend oordeelsvermogen van en de neiging tot gedesorganiseerd gedrag voortkomend uit een tekortschietende beheersing van eigen gedrag. Daarnaast is er een beperkt inzicht in sociale situaties. Seksuele ontremming als gedragsstoornis komt regelmatig voor bij vasculaire dan wel frontale problematiek op oudere leeftijd. De geconstateerde verstandelijke beperking werkt in dit verband versterkend. Ook is verdachte gemakkelijk beïnvloedbaar door actuele situationele omstandigheden.

[naam] adviseert om het tenlastegelegde in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.

Het recidiverisico wordt door [naam] ingeschat op matig tot hoog. Dit komt met name door de omstandigheid dat verdachte geen eigen woonruimte dreigt te hebben en er sprake is van weinig beschermende factoren. Binnen een adequaat zorg- en behandelingskader, zoals een verzorgingstehuis dan wel een geriatrisch centrum wordt het risico op herhaling als laag ingeschat.

[naam] vindt ter afwending van het gevaar van recidive een strafrechtelijk kader van belang in de vorm van een voorwaardelijk strafdeel met reclasseringstoezicht. Hierbij zou verdachte opgenomen moeten worden in een gespecialiseerd geriatrisch centrum dan wel andere forensische voorziening die ervaring heeft met het begeleiden en ondersteunen van personen met een zich ontwikkelend dementieel beeld en beperkte verstandelijke vermogens. Gezien het matig tot mogelijk hoge risico op herhaling en degeneratieve beeld waar verdachte aan lijdt, lijkt volstaan te kunnen worden met een laag tot matig beveiligingsniveau en een hoog zorgniveau.

De reclassering heeft geadviseerd om bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, opname in een zorginstelling met overbruggingszorg als start en begeleid wonen of maatschappelijke opvang. Het is de verwachting dat verdachte binnen maximaal drie weken [na dit rapport] geplaatst kan worden op een overbruggingsplek. Die plek zal van tijdelijke aard zijn in afwachting van een plek waar verdachte voor de langere termijn terecht kan. Op de zitting van 14 februari 2020 heeft de reclassering bevestigd dat verdachte binnen maximaal drie weken op een overbruggingsplek van de FPA kan worden geplaatst.

De rechtbank neemt de conclusies en het advies van [naam] over en maakt die tot de hare en zal het bewezenverklaarde feit in verminderde mate aan verdachte toerekenen.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 200 dagen, waarvan 12 dagen voorwaardelijk passend en geboden is. De rechtbank zal aan het voorwaardelijk deel van de straf de bijzondere voorwaarden opleggen zoals geadviseerd door de psycholoog en de reclassering. De rechtbank zal de proeftijd bepalen op 5 jaar en de dadelijke uitvoerbaarheid van deze bijzondere voorwaarden bevelen nu er, gezien de voortschrijdende dementie en de ontremmende werking die hier vanuit gaat, ernstig rekening mee gehouden moet worden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen. Dit risico is groot als verdachte niet wordt opgenomen en behandeld, waarbij ook meespeelt dat verdachte niet terug kan naar zijn eigen woning. Gelet op de mededeling van de reclassering gaat de rechtbank er vanuit dat verdachte binnen een week na de uitspraak geplaatst kan worden op een overbruggingsplek.

De rechtbank zal als bijzondere voorwaarde ook een straat- en contactverbod opleggen voor [benadeelde] en haar gezinsleden. Ter bescherming van [benadeelde] zal de rechtbank ook van deze bijzondere voorwaarde de dadelijke uitvoerbaarheid bevelen.

7a. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [benadeelde] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 600,- aan immateriële schade en € 119,22 aan materiële schade, bestaande uit reis- en parkeerkosten, met toewijzing van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] tot betaling van het verzochte bedrag volledig toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de vordering van de benadeelde partij niet inhoudelijk betwist.

Beoordeling door de rechtbank

Immateriële schade

De rechtbank is van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat door het bewezenverklaarde feit een ernstige inbreuk is gemaakt op de lichamelijke integriteit van [benadeelde] , waardoor zij in haar persoon is aangetast. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat voldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde rechtstreekse immateriële schade heeft geleden. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, acht de rechtbank het gevorderde bedrag van € 600,- billijk en zal zij de vordering voor dit bedrag toewijzen.

Materiële schade

Het deel van de reis- en parkeerkosten dat ziet op het bezoeken van het politiebureau, gesprekken met slachtofferhulp en de officier van justitie, vormen wat de rechtbank betreft buiten rechte gemaakte kosten ter vaststelling van aansprakelijkheid en schade, zoals bedoeld in artikel 6:96 BW, waarvoor verdachte aansprakelijk is. Deze kosten ad in totaal € 71,29 komen voor toewijzing in aanmerking. Over de verdere reiskosten beslist de rechtbank onder het kopje proceskosten.

Proceskosten

De proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij, bestaande uit parkeer- en reiskosten voor de terechtzittingen, worden gesteld op € 47,93 (vgl. HR 12 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:905 resp. HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2338).

Wettelijke rente

De gevorderde wettelijke rente is ten aanzien van de immateriële schadevergoeding toewijsbaar vanaf 7 augustus 2019 (datum gepleegde feit) en ten aanzien van de materiële schadevergoeding vanaf 14 februari 2020.

Schadevergoedingsmaatregel

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partij.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f en 247 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 200 (tweehonderd) dagen;

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf groot 12 (twaalf) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden voor het einde van de proeftijd die op vijf jaren wordt bepaald;

 de algemene voorwaarde dat de veroordeelde:

- zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

 de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden

- zich uiterlijk binnen drie werkdagen na het ingaan van de proeftijd bij Reclassering Tactus Verslavingszorg zal melden en gedurende de proeftijd zich zal blijven melden op afspraken met de reclassering, zo frequent en zolang de instelling dat noodzakelijk acht. Hierbij dient een outreachende werkwijze gehanteerd te worden, gelet op de problematiek van veroordeelde, met een lage meldplichtfrequentie ter monitoring van het wonen;

- zich laat opnemen in een instelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. Totdat die plaatsing mogelijk is, laat betrokkene zich opnemen in een instelling in het kader van overbruggingszorg. De opname duurt zolang als de proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling. Als de reclassering een overgang naar begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt betrokkene mee aan de indicatiestelling en plaatsing;

- zal verblijven in een nader te bepalen instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering, indien dit nodig wordt geacht. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;

- stelt als voorwaarde dat veroordeelde medewerking zal verlenen aan het door Reclassering Tactus Verslavingszorg te houden toezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

- gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [benadeelde] (geboortedatum [geboortedatum benadeelde] 2011 ) en haar gezinsleden, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- gedurende de proeftijd zich niet zal bevinden in de straat [adres 2] , zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- geeft opdracht aan Reclassering Tactus Verslavingszorg tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden (artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht);

- beveelt dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan die van de onvoorwaardelijk opgelegde straf;

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] .

 veroordeelt verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde feit tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [benadeelde], van een bedrag van € 671,29 (zeshonderdeenenzeventig euro en negenentwintig cent), vermeerderd met de wettelijke rente voor de € 600,- immateriële schadevergoeding vanaf 7 augustus 2019 en voor de € 71,29 aan materiële schadevergoeding vanaf 14 februari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op € 47,93;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde] , een bedrag te betalen van € 671,29 (zeshonderdeenenzeventig euro en negenentwintig cent), vermeerderd met de wettelijke rente voor de € 600,- immateriële schadevergoeding vanaf 7 augustus 2019 en voor de € 71,29 aan materiële schadevergoeding vanaf 14 februari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 13 dagen gijzeling zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.L. Plas (voorzitter), mr. F.J.H. Hovens en mr. W. Bruins, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.M. Rokette, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 28 februari 2020.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 2] van de politie Eenheid Oost Nederland, dienst regionale recherche, afdeling thematische opsporing, team zeden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2019351334, gesloten op 8 november 2019 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal voorbereiding studioverhoor, p. 29.

3 Proces-verbaal aangifte [moeder benadeelde] , p. 23-26.

4 Proces-verbaal van bevindingen studioverhoor, p. 33-36.

5 Proces-verbaal voorbereiding studioverhoor, p. 29-30.

6 Proces-verbaal verhoor getuige [vader benadeelde] , p. 47.

7 Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] , p. 69.

8 Proces-verbaal van bevindingen studioverhoor, p. 36.