Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:1349

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
02-03-2020
Datum publicatie
02-03-2020
Zaaknummer
05/881597-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De militaire kamer van de rechtbank Gelderland heeft een (ex-)militair veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaren wegens het aanwezig hebben en het medeplegen van het binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne. Artikel 2 onder A en C van de Opiumwet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/881597-18

Datum uitspraak : 2 maart 2020

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige militaire kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1996 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] , [woonplaats] ,

thans gedetineerd te P.I. Arnhem - HvB Arnhem Zuid te Arnhem

raadsman: mr. J.M.J.H. Coumans, advocaat te Duivendrecht.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van de onderzoeken ter terechtzitting van 16 december 2019 en 17 februari 2020.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op één of meerdere tijdstip(pen) op of omstreeks 24 september 2019 aan boord van het marineschip Zr. Ms. Johan de Witt op de Marinebasis Parera te Willemstad in elk geval op Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 22 kilogram in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, (telkens) zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

primair

hij op of omstreeks de periode van 24 oktober 2019 tot en met 26 oktober 2019 te Den Helder, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht of heeft doen brengen, ongeveer 11 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, immers heeft verdachte voornoemde hoeveelheid cocaïne op 24 september 2019 te Curaçao, aan boord gebracht van het marineschip Zr. Ms. Johan de Witt en/of deze voornoemde hoeveelheid cocaïne, vervolgens verborgen en/of laten verbergen in een ruimte aan boord van het marineschip Zr. Ms. Johan de Witt en/of voornoemde hoeveelheid cocaïne laten/doen vervoeren naar Nederland middels het voornoemde marineschip;

althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling leidt:

subsidiair

hij op omstreeks de periode van 24 oktober 2019 tot en met 26 oktober 2019 te Den Helder, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland te brengen, ongeveer 11 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de

bij die wet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, tezamen en in vereniging, althans alleen, immers heeft verdachte voornoemde hoeveelheid cocaïne op 24 september 2019 te Curaçao, aan boord gebracht van het marineschip Zr. Ms. Johan de Witt en/of deze voornoemde hoeveelheid cocaïne, vervolgens verborgen en/of laten

verbergen in een ruimte aan boord van het marineschip Zr. Ms. Johan de Witt en/of voornoemde hoeveelheid cocaïne laten/doen vervoeren naar Nederland middels het voornoemde marineschip, terwijl de uitvoering van dit misdrijf niet is voltooid;

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Met betrekking tot feit 1:

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 17 februari 2020;

- het proces-verbaal van bevindingen, p. 49;

- het proces-verbaal van bevindingen, p. 58;

- het Analytisch Diagnostisch Centrum rapport, p. 447-448;

- het proces-verbaal sporenonderzoek, p. 83-84;

- het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, p. 102-105;

- het Douane Laboratorium rapport, p. 115;

- het nagekomen rapport dactyloscopisch onderzoek, p. 460-461.

Met betrekking tot feit 2 primair:

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 17 februari 2020;

- het proces-verbaal sporenonderzoek, p. 83-84;

- het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, p. 102-105;

- het Douane Laboratorium rapport, p. 115;

- het nagekomen rapport dactyloscopisch onderzoek, p. 460-461.

Artikel 1 lid 4 van de Opiumwet luidt: “Onder binnen het grondgebied van Nederland brengen van middelen, bedoeld in de artikelen 2 en 3, is begrepen: het binnen het grondgebied van Nederland brengen van de voorwerpen of goederen, waarin die middelen verpakt of geborgen zijn en elke op het verder vervoer, de opslag, de aflevering, ontvangst of overdracht gerichte handeling, met betrekking tot die middelen, die binnen het grondgebied van Nederland zijn gebracht, of tot de voorwerpen of goederen, waarin die middelen verpakt of geborgen zijn.”

Gelet op deze definitie heeft verdachte, door de drugs aan boord van het marineschip te verstoppen terwijl hij wist dat dit schip naar Nederland zou varen, zich schuldig gemaakt aan het binnen het grondgebied van Nederland brengen van de cocaïne. Het feit dat verdachte niet zelf op het schip gevaren heeft of op het schip aanwezig was toen deze Nederland binnenkwam, doet hier gelet op de wettelijke definitie niet aan af. De militaire kamer is derhalve van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

Verder heeft verdachte verklaard dat de drugs reeds verpakt waren toen hij deze in zijn bezit kreeg om op het schip te kunnen verstoppen. Verdachte heeft niet willen verklaren over de identiteit van de persoon of personen van wie hij de drugs gekregen heeft. In dit licht is de militaire kamer van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat een onbekend gebleven ander of anderen de cocaïne heeft dan wel hebben verpakt. Gelet op het feit dat “elke op verder vervoer (…) gerichte handeling” binnen de definitie van artikel 1 lid 4 Opiumwet valt, heeft ook deze onbekend gebleven ander zich schuldig gemaakt aan het binnen het grondgebied van Nederland brengen van de drugs. De eerste stap van het invoeren van de drugs, namelijk het verpakken ervan, waarna het verdere vervoer door verdachte is geregeld, is door deze onbekende andere(n) gezet. De militaire kamer is van oordeel dat daarmee sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de onbekend gebleven ander(en) gericht op het invoeren van de cocaïne in Nederland. Dientengevolge kan het medeplegen van het onder feit 2 primair tenlastegelegde bewezen worden verklaard.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de militaire kamer is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op één of meerdere tijdstip(pen) op of omstreeks 24 september 2019 aan boord van het marineschip Zr. Ms. Johan de Witt op de Marinebasis Parera te Willemstad in elk geval op Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 22 kilogram in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, (telkens) zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2. primair

hij op of omstreeks in de periode van 24 oktober 2019 tot en met 26 oktober 2019 te Den Helder, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht of heeft doen brengen, ongeveer 11 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, immers heeft verdachte voornoemde hoeveelheid cocaïne op 24 september 2019 te Curaçao, aan boord gebracht van het marineschip Zr. Ms. Johan de Witt en/of deze voornoemde hoeveelheid cocaïne, vervolgens verborgen en/of laten verbergen in een ruimte aan boord van het marineschip Zr. Ms. Johan de Witt en/of voornoemde hoeveelheid cocaïne laten/doen vervoeren naar Nederland middels het voornoemde marineschip.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

Ten aanzien van feit 2 primair:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder feit 1 en feit 2 primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft een strafmaatverweer gevoerd. De raadsman heeft in dit kader onder meer gewezen op de omstandigheden waaronder verdachte de feiten heeft begaan. Zo voelde de verdachte zich niet thuis bij de Koninklijke Marine waardoor hij verkeerde keuzes heeft gemaakt. Verder heeft verdachte de feiten bekend, gaat het om niet meer dan 22 kilogram cocaïne en zijn er geen aanwijzingen dat anderen bij de smokkel betrokken zijn. Daarnaast heeft de raadsman gewezen op een uitspraak van de rechtbank te Rotterdam, waarbij een first offender tot 30 maanden gevangenisstraf werd veroordeeld ter zake van het binnen Nederland brengen van 150 kilogram cocaïne. De raadsman heeft de militaire kamer verzocht hiermee rekening te houden.

Beoordeling door de militaire kamer

De militaire kamer heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel justitiële documentatie, gedateerd 1 november 2019;

- een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, gedateerd 26 november 2019.

De militaire kamer heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich door cocaïne binnen het grondgebied van Nederland te brengen schuldig gemaakt aan ernstige strafbare feiten. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van harddrugs een ernstige bedreiging voor de gezondheid van de gebruikers ervan vormt. Ook zorgen harddrugs maatschappelijk gezien voor veel schade en gaat de handel daarvan vaak direct of indirect gepaard met vele andere vormen van criminaliteit.

Het feit dat de verdachte ten tijde van het plegen van deze feiten in dienst was bij de Koninklijke Marine, maakt het verwijt dat aan verdachte wordt gemaakt ernstiger. De verdachte was op de hoogte van het “zerotolerance” beleid dat binnen Defensie geldt ten aanzien van drugs, maar heeft zich hier niets van aangetrokken. Met zijn handelen heeft de verdachte het imago van de Koninklijke Marine schade toegebracht. Daar komt nog bij dat de verdachte voor het naar Nederland smokkelen van de drugs gebruik heeft gemaakt van een schip van de Koninklijke Marine dat notabene in het Caribisch gebied was om noodhulp te verlenen. De verdachte heeft op deze manier op een ernstige manier misbruik gemaakt van zijn positie aan boord van het marineschip en tegelijkertijd het vertrouwen dat in hem gesteld was door zijn functie bij Defensie beschaamd. Dat de verdachte kennelijk enkel uit winstbejag heeft besloten tot het plegen van deze feiten en zich hierbij geen rekenschap heeft gegeven van de schade die de Koninklijke Marine hierdoor zou kunnen leiden, rekent de militaire kamer hem zwaar aan.

Anderzijds weegt de militaire kamer in het voordeel van de verdachte mee dat hij niet eerder voor druggerelateerde feiten is veroordeeld. De reclassering schat het recidiverisico van de verdachte daarnaast in als laag. Ook de jeugdige leeftijd van verdachte en het feit dat hij oneervol is ontslagen, worden in het voordeel van de verdachte meegenomen bij het bepalen van de strafmaat.

Gelet op het voorgaande acht de militaire kamer slechts een langdurige gevangenisstraf passend en geboden. De op te leggen straf is lager dan geëist door de officier van justitie. De militaire kamer is van oordeel dat in de strafeis van de officier justitie onvoldoende rekening is gehouden met de jeugdige leeftijd van de verdachte en met het feit dat verdachte ten gevolge van het feit oneervol is ontslagen.

Beslag

De na te melden in beslag genomen en nog niet teruggegeven multisleutel (PL2702-19-00399-4), volgens opgave van verdachte aan verdachte toebehorend, is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het een voorwerp is met behulp waarvan het onder feit 2 primair bewezenverklaarde is begaan.

Nu zich geen strafvorderlijk belang daartegen verzet, zal de teruggave aan de verdachte worden gelast van de na te melden voorwerpen:

  • -

    schoenen van het merk [naam 1] (JDW.3D22.22.6),

  • -

    schoenen van het merk [naam 2] (JDW.3D22.22.7),

  • -

    schoenen van het merk [naam 3] (JDW.3D22.22.4),

  • -

    schoenen van het merk [naam 3] (JDW.3D22.22.5),

  • -

    laptop van het merk [naam 4] met oplader en muis (JDW.3D22.22.2),

  • -

    usb-stick van het merk [naam 5] (JDW.3D22.22.3),

  • -

    telefoon van het merk [naam 6] (JDW.3D22.22.1)

  • -

    rugtas camouflage (PL2702-19-00399-1).

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 33, 33a, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

9 De beslissing

De militaire kamer:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren;

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: multisleutel (PL2702-19-00399-4);

 gelast de teruggave aan de beslagene van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

  • -

    schoenen van het merk [naam 1] (JDW.3D22.22.6),

  • -

    schoenen van het merk [naam 2] (JDW.3D22.22.7),

  • -

    schoenen van het merk [naam 3] (JDW.3D22.22.4),

  • -

    schoenen van het merk [naam 3] (JDW.3D22.22.5),

  • -

    laptop van het merk [naam 4] met oplader en muis (JDW.3D22.22.2),

  • -

    usb-stick van het merk [naam 5] (JDW.3D22.22.3),

  • -

    telefoon van het merk [naam 6] (JDW.3D22.22.1)

  • -

    rugtas camouflage (PL2702-19-00399-1).

Dit vonnis is gewezen door mr. P.C. Quak (voorzitter) en mr. Y. van Wezel, rechters, en

Kolonel mr. C.E.W. van de Sande, militair lid, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Roelfsema, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 2 maart 2020.

Zijnde mr. Quak buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de Koninklijke Marechaussee, brigade Recherche, Robuust Team 1, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 191001.1200.0724, gesloten op 28 november 2019 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.