Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:1337

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
12-02-2020
Datum publicatie
28-02-2020
Zaaknummer
NL18.17443
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Schadebegroting na buitengerechtelijke ontbinding turnkey-overeenkomst wegens niet afnemen project. Concreet of abstract? Positief contractsbelang? Gebeurtenissen van latere datum worden meegenomen. Wettelijke handelsrente over niet betaalde eerste termijn komt niet voor vergoeding in aanmerking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RVR 2020/36
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

_________________________________________________________________ _

RECHTBANK GELDERLAND

Civiel recht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer: NL18.17443

Vonnis van 12 februari 2020

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
VASTBOUW VASTGOEDONTWIKKELING B.V.,
gevestigd te Rijssen,
eiseres, hierna te noemen: Vastbouw,
advocaat mr. R.M. Rijpstra te Arnhem,

tegen

de vennootschap naar buitenlands recht vennootschap
NIAGA HOLDING LIMITED,
gevestigd en kantoorhoudende te Hong Kong (China),
verweerster, hierna te noemen: Niaga,
advocaat mr. J.P. Koets te Haarlem.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de procesinleiding met bewijsstukken 1 tot en met 14

- het verweerschrift met producties 1 en 2

- de akte houdende wijziging/aanvulling van de vorderingen met bewijsstukken 15 tot en met 18z

- het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling, gehouden op 14 juni 2019 met de beslissing van de rechter dat de vermeerdering van de vordering wordt toegestaan

- de akte uitlating van Niaga met producties 3 tot en met 5

- de antwoordakte uitlating van Vastbouw.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Vastbouw heeft als projectontwikkelaar eind 2017 een bouwterrein met een daarop nog door haar te realiseren project verkocht aan Niaga. Het project betreft de bouw van (uiteindelijk) 48 turnkey af te leveren appartementen en maakt onderdeel uit van een groter project van in totaal 200 appartementen. De koopprijs van de grond en het project bedraagt € 16.380.000,00 inclusief btw.

2.2.

Op 22 december 2017 hebben partijen de ‘TURN-KEY OVEREENKOMST (project: “ [locatie project] (hierna: de overeenkomst) gesloten. Deze overeenkomst luidt, voor zover relevant, als volgt:

Artikel 1

Verkoop en koop / koopprijs, termijnen

1.3.

De koopprijs zal door Koper worden voldaan in termijnen volgens het aan deze overeenkomst gehechte termijnschema (…).

1.4.

Verkoper heeft jegens Koper een inspanningsverplichting de publiekrechtelijke vergunningen en toestemmingen te verkrijgen tot de realisatie van 48 appartementen.

Artikel 2

Betaling/Waarborgsom

2.1.

Koper zal de koopprijs voor de grond en de 0-temijn (aanvang bouw) inclusief de verschuldigde omzetbelasting vóór de Transportdatum op een van de bankrekeningen van de Notaris storten. Voor de overige termijnen zal Verkoper steeds een factuur zenden als de Aannemer de werkzaamheden behorende bij die termijn heeft afgerond. (…)

2.4.

Koper is verplicht, tot meerdere zekerheid voor de nakoming van zijn verplichtingen uit hoofde van deze overeenkomst, uiterlijk veertien (14) dagen na de ondertekening van deze overeenkomst een waarborgsom ten bedrage van (…) € 1.638.000,00 te storten op de kwaliteitsrekening van de Notaris (…).

2.5.

In plaats van deze waarborgsom kan Koper desgewenst binnen de hiervoor genoemde termijn (…) een bankgarantie tot laatstgemeld bedrag deponeren, (…).

2.6.

De waarborgsom zal met de koopprijs worden verrekend.

(…)

Artikel 6

Levering

6.1.

De voor de overdracht vereiste levering van het Verkochte zal plaatsvinden bij akte te verlijden voor de Notaris, op 25 januari 2018 of zoveel eerder of later als partijen nader met elkaar overeen komen.

(…)

6.10.

Koper kan tijdig voor de datum van levering aan Verkoper verzoeken het Verkochte op de datum van levering aan één of meer door Koper aangewezen personen te leveren, mits Koper alle verplichtingen uit deze overeenkomst jegens Verkoper nakomt. Verkoper krijgt de gelegenheid dit verzoek te beoordelen en zal dit verzoek van Koper niet op onredelijke gronden weigeren.

Artikel 7

Garanties

(…)

7.6.

De werkzaamheden zullen conform de nader vast te stellen planning aanvangen op 1 februari 2018. De Acceptatiedatum zal plaatsvinden conform de nader vast te stellen planning in de bouwvergaderingen, streven is 31 maart 2019.

(…)

Artikel 16

Kosten

16.1.

De kosten van deze akte en de levering van het Verkochte, alsmede de in verband daarmede verschuldigde kosten, rechten en retributies zijn voor rekening van Verkoper.

16.2.

Verkoper en Koper betalen ieder de kosten van zijn eigen adviseur.

Artikel 17

Geschillen

17.1.

Op deze overeenkomst is Nederlands recht van toepassing.

17.2.

Alle geschillen welke mochten ontstaan naar aanleiding van deze overeenkomst (…) worden beslecht door de daartoe bevoegde rechter te Arnhem.

(…)

2.3.

Niaga heeft niet voldaan aan de in artikel 2 van de overeenkomst bedoelde verplichting tot betaling van een waarborgsom. Ook heeft zij geen bankgarantie gedeponeerd.

2.4.

Met een brief van 8 januari 2018 heeft Vastbouw Niaga in gebreke gesteld en Niaga gesommeerd om uiterlijk 16 januari 2018 alsnog aan deze verplichting te voldoen. Ook toen is Niaga in gebreke gebleven.

2.5.

In een e-mailbericht van 16 januari 2018 heeft Niaga aan Vastbouw geschreven dat het project voor haar het eerste is in zijn soort in Nederland en dat zij daarom aansluiting heeft gezocht bij een Nederlandse partner. Niaga heeft Vastbouw verzocht om haar iets meer tijd te gunnen om de beoogde structuur af te ronden en de samenwerking met de Nederlandse partner te kunnen finaliseren. In een e-mailbericht van 18 januari 2018 heeft Niaga aan Vastbouw bericht dat Tecta Invest B.V. (hierna: Tecta) haar Nederlandse partner is.

2.6.

Hierop zijn tussen Vastbouw en Niaga gesprekken gevoerd en over en weer
e-mailberichten gewisseld over de samenwerking. Daarbij speelden (onder andere) vragen als of Tecta als ‘nader te noemen meester’ zou kunnen worden geaccepteerd of dat Tecta als potentiële nieuwe koper zou moeten worden gezien. Partijen zijn niet tot een vergelijk gekomen.

2.7.

In aanloop naar de leveringsdatum van 25 januari 2018 heeft Vastbouw met een
e-mailbericht van 23 januari 2018 aan Niaga kenbaar gemaakt dat zij de gemaakte afspraken nog steeds niet is nagekomen en dat het vertrouwen in Niaga is geschaad. Vastbouw wijst Niaga op de mogelijkheid om alsnog aan de verplichtingen te voldoen en op de overeengekomen datum af te nemen. Verder houdt Vastbouw Niaga aansprakelijk voor de geleden en nog te lijden schade.

2.8.

Op 25 januari 2018 heeft geen levering plaatsgevonden.

2.9.

Met een brief van 7 februari 2018 heeft Vastbouw de overeenkomst met Niaga ontbonden omdat Niaga de waarborgsom niet heeft voldaan en het project niet heeft afgenomen. Vastbouw houdt Niaga aansprakelijk voor de schade. Daarbij noemt Vastbouw de kosten voor (her)financiering van € 37.500,00 (afsluitprovisie) en rentekosten van € 18.905,00 per maand. Ook wijst Vastbouw op stijgende materiaalkosten en onnodige juridische kosten en interne uren.

2.10.

Op 26 februari 2018 heeft de advocaat van Niaga aan Vastbouw geschreven dat Tecta als nader te noemen meester bereid is om per omgaande aan alle verplichtingen vervat in de overeenkomst te voldoen. Daarbij wordt Vastbouw gesommeerd te bevestigen dat zij volledige medewerking zal verlenen aan de uitvoering van de overeenkomst.

2.11.

Uiteindelijk heeft Vastbouw het project zelf gefinancierd, de door haar gebouwde appartementen los in de verkoop gebracht en deze met tussenkomst van makelaars en notarissen, aan particulieren (eindgebruikers) verkocht.

3 Het geschil

3.1.

Vastbouw vordert na vermeerdering van de vordering samengevat - veroordeling van Niaga tot betaling van € 1.970.730,32 aan schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 7 februari 2018. Verder vordert Vastbouw betaling van € 4.099,55 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vervaldata van de facturen, een en ander met veroordeling van Niaga in de (na)kosten.

3.2.

Vastbouw baseert haar vordering tot schadevergoeding op wanprestatie en ontbinding van de overeenkomst (artikel 6:277 BW). Volgens Vastbouw is Niaga haar verplichting uit hoofde van artikel 2.4 en 2.5 van de overeenkomst niet nagekomen en is de overeengekomen transportdatum van 25 januari 2018 verstreken zonder dat het transport heeft plaatsgevonden. Omdat Niaga daarna ook niet in staat was concrete afspraken te maken over het alsnog afnemen van de grond en het project, meende Vastbouw dat zij de overeenkomst gerechtvaardigd mocht ontbinden. Vastbouw maakt aanspraak op vergoeding van de wettelijke handelsrente over de eerste, niet betaalde termijn van € 5.489.995,00. Berekend vanaf 25 januari 2018 tot het moment dat de betalingsverplichting door de ontbinding kwam te vervallen, bedraagt deze wettelijke handelsrente € 15.642,73, aldus Vastbouw. Verder maakt Vastbouw op grond van de artikelen 6:265, 6:277, 6:74, 6:95 en 6:97 met analoge toepassing van 7:36 BW aanspraak op vergoeding van € 1.440.00,00 aan positief contractsbelang, € 10.948,72 aan kosten die door de wanprestatie nodeloos zijn gemaakt en € 504.138,87 aan door haar gemaakte kosten die direct het gevolg zijn van de wanprestatie, een en ander te vermeerderen met de buitengerechtelijke kosten en de (na)kosten.

3.3.

Niaga voert gemotiveerd verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Omdat Niaga in het buitenland is gevestigd en de vordering daarom een internationaal karakter draagt, is de eerste vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vordering van Vastbouw kennis te nemen.

4.2.

Dit is het geval op grond van artikel 8 lid 1 Rv. In artikel 17 lid 2 van de overeenkomst hebben partijen een forumkeuze vastgelegd en zijn zij overeengekomen dat geschillen naar aanleiding van die overeenkomst worden beslecht door de daartoe bevoegde rechter te Arnhem.

4.3.

Ten aanzien van het toepasselijk recht overweegt de rechtbank het volgende. Omdat de overeenkomst is gesloten na 17 december 2009 dient de bepaling van het toepasselijk recht plaats te vinden aan de hand van de Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I-Vo), mede gelet op artikel 2 van deze verordening. Partijen hebben - overeenkomstig het bepaalde in artikel 3 van deze verordening - in de tussen hen gesloten overeenkomst een expliciete keuze gemaakt voor de toepasselijkheid van Nederlands recht. Derhalve is op de onderhavige vordering Nederlands recht van toepassing.

4.4.

Niet in geschil is dat de tussen partijen gesloten overeenkomst buitengerechtelijk is ontbonden. Hoewel Niaga meent dat de tekortkoming aan haar zijde de ontbinding niet rechtvaardigt, legt zij zich (nu) neer bij deze buitengerechtelijke ontbinding. Gelet op het hiermee (deels) ingetrokken verweer van Niaga, staat thans vast dat Niaga toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming (van één) van de op haar rustende verbintenissen. Daarom kan Vastbouw in beginsel aanspraak maken op schadevergoeding en is Niaga gehouden de schade als gevolg van haar wanprestatie (artikel 6:74 BW) én de werkelijke schade die het gevolg is van het niet verder uitvoeren van de overeenkomst (de ontbinding) volledig te vergoeden (artikel 6:277 BW), daaronder begrepen het positief contractsbelang. Partijen verschillen echter van mening over de vraag welke omstandigheden bij de vaststelling van de mogelijke schade tot uitgangspunt moeten worden genomen. Anders dan Niaga is Vastbouw van mening dat moet worden geabstraheerd van de omstandigheid dat Vastbouw na ontbinding de grond en het project niet in zijn geheel aan een derde heeft verkocht maar zelf heeft ontwikkeld en de appartementen vervolgens afzonderlijk aan particulieren/eindgebruikers heeft verkocht.

4.5.

Op grond van artikel 6:97 BW begroot de rechter de schade op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is. Uitgangspunt is dat de schade concreet moet worden berekend. Hieruit volgt dat de schade in beginsel moet worden berekend met inachtneming van alle omstandigheden van het concrete geval (vgl. HR 10 februari 2017, ELCI:NL:HR:2017:208). De benadeelde dient zoveel mogelijk in de toestand te worden gebracht waarin hij zou hebben verkeerd als de schadeveroorzakende gebeurtenis achterwege was gebleven. Dit brengt mee dat de omvang van de schade wordt bepaald door een vergelijking van de situatie zoals deze in werkelijkheid is met de situatie zoals die zonder deze gebeurtenis waarschijnlijk zou zijn geweest. De schade wordt berekend naar het moment waarop zij wordt geleden. Dit laat echter onverlet dat uit gebeurtenissen van latere datum soms gevolgtrekkingen kunnen worden gemaakt met betrekking tot de situatie die bestond op het tijdstip waarop de schade werd geleden. Gebeurtenissen van een latere datum kunnen dus onder omstandigheden meebrengen dat van de benadeelde in redelijkheid kan worden verlangd dat hij zijn aanspraak beperkt. Het is dus niet zo dat omstandigheden die zich na het lijden van de schade voordoen, nimmer van belang kunnen zijn voor de schadebegroting. (vgl. HR 11 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX9830). Op praktische gronden en om redenen van billijkheid, kan in bijzondere gevallen van een of meer omstandigheden van het geval worden geabstraheerd (vgl. wederom HR 10 februari 2017, ELCI:NL:HR:2017:208).

4.6.

Als de tussen partijen gesloten overeenkomst onberispelijk zou zijn uitgevoerd, had Niaga de grond en het project op 25 januari 2018 afgenomen. Vastbouw had op dat moment de eerste termijn van € 5.489.995,00 ontvangen. Vervolgens zouden de overige termijnen gedurende de bouw (steeds tijdig) door Niaga zijn voldaan zodat Vastbouw bij afronding van het project omstreeks 31 maart 2019 de volledige koopsom van € 16.380.000,00 zou hebben ontvangen. Daartegenover hadden voor Vastbouw de kosten (van de bouw) gestaan. Vastbouw stelt dat zij zonder de wanprestatie van Niaga in één klap een fors bedrag zou hebben ontvangen, geen doorlopende kosten meer zou hebben gehad én haar bedrijfsvoering gunstiger zou hebben kunnen financieren en dat de wanprestatie van Niaga haar winst heeft gedrukt (3.35 en 3.36 antwoordakte uitlating).

4.7.

De situatie die zich werkelijk heeft voorgedaan is dat Vastbouw na de ontbinding van de overeenkomst met Niaga de grond en het project niet in zijn geheel aan een (andere) derde partij heeft verkocht maar ervoor heeft gekozen het project zelf te realiseren om daarna de appartementen afzonderlijk aan particulieren/eindgebruikers te verkopen. Feitelijk heeft Vastbouw pas op de datums van deze losse verkopen en leveringen, en waarschijnlijk later dan de overeengekomen termijnbedragen, de koopprijzen daarvoor ontvangen. Of dat overigens daadwerkelijk het geval is geweest, is niet duidelijk geworden in deze procedure. Vastbouw heeft zich niet uitgelaten over de prijzen waarvoor en de datums waarop zij de afzonderlijke appartementen heeft verkocht. Onder verwijzing naar een prijslijst (productie 4 bij akte uitlating) voert Niaga echter onvoldoende weersproken aan dat Vastbouw gemiddeld € 384.619,00 per appartement zal hebben ontvangen. Uitgaande van de stelling van Vastbouw dat zij bij nakoming van de overeenkomst met Niaga € 341.250,00 per appartement zou hebben ontvangen, zou dat neerkomen op € 43.369,00 per appartement meer. Vastbouw heeft in de werkelijke situatie dus in totaal een hogere koopprijs voor de appartementen ontvangen dan de (omgerekende) prijs per appartement op basis van de (ontbonden) overeenkomst met Niaga.

4.8.

Zelfs als bij een losse verkoop rekening wordt gehouden met hogere kosten voor de afwerking van gemiddeld € 4.000,00 per appartement, zoals Vastbouw stelt onder 3.37 van haar antwoordakte uitlating, extra kosten voor kopersbegeleiding en hogere transactiekosten waaronder makelaarskosten voor elk appartement, zal sprake zijn geweest van een hogere netto opbrengst per appartement, althans heeft Vastbouw de daarop gerichte stelling van Niaga onvoldoende gemotiveerd weersproken. Vastbouw heeft zich in het geheel niet uitgelaten over de hoogte van deze door haar gestelde extra kosten.

4.9.

Uit het voorgaande volgt dat de door Vastbouw gevorderde vergoeding van het positief contractsbelang van € 1.440.000,00 zal worden afgewezen, alsook de door haar opgevoerde kosten als gevolg van de wanprestatie. Vastbouw heeft onvoldoende concreet (cijfermatig) weersproken dat er met een losse verkoop van de appartementen minder winst voor haar is overgebleven dan dat zij in de oude situatie, met een enkelvoudige verkoop (en levering) aan Niaga, zou hebben gehad.

Kosten (her)financiering

4.10.

Van de voorgaande beoordeling moeten mogelijk de kosten voor de (her)financiering worden uitgezonderd, waarover hierna meer.

4.11.

Vastbouw heeft haar nek uitgestoken om de schade als gevolg van de ontbinding van de overeenkomst waarvoor Niaga aanleiding heeft gegeven, te beperken door een losse verkoop van de appartementen. Van deze inspanningen heeft Niaga geprofiteerd in die zin dat, zoals hiervoor overwogen, door een hogere opbrengst daarvan van een door haar te vergoeden positief contractsbelang en door haar te vergoeden kosten van de wanprestatie, geen sprake meer zal zijn omdat, zoals hiervoor vastgesteld, de winst daardoor voor Vastbouw hoger was dan eerst. Maar deze losse verkoop is voor Vastbouw niet zonder risico geweest. Voor deze wijze van verkoop was een (her)financiering noodzakelijk en het verkooprisico bleef nog even bij Vastbouw liggen omdat de appartementen pas later konden worden verkocht. De kosten van de (her)financiering kunnen daarom, naar het oordeel van de rechtbank, in beginsel worden beoordeeld als schade die aan Vastbouw vergoed moet worden.

4.12.

Echter, Vastbouw heeft haar in dit verband gestelde kosten van € 42.500,00 onvoldoende onderbouwd, gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door Niaga. Nog in haar laatste akte heeft Niaga naar voren gebracht dat uit de door Vastbouw overgelegde stukken niet blijkt dat de gestelde kosten daadwerkelijk voor de (her)financiering van dit project zijn gemaakt en ook door Vastbouw zelf zijn gemaakt. In verband met het laatste heeft zij erop gewezen dat uit de overgelegde stukken blijkt van een betrokkenheid van (mogelijk) een werkmaatschappij van Vastbouw als afnemer van een lening, waardoor niet aanstonds blijkt van door Vastbouw geleden schade. Naar aanleiding van het door Niaga gevoerde verweer had van Vastbouw meer toelichting mogen worden verwacht. Zij had in haar antwoordakte kunnen ingaan op de door Niaga gesignaleerde punten, maar heeft dat niet gedaan. Een enkel bewijsaanbod, zoals zij in haar laatste akte nog heeft gedaan, is in dit licht niet voldoende. Hieruit volgt dat ook de hier besproken kosten van de (her)financiering niet toewijsbaar zijn.

Wettelijke (handels)rente

4.13.

Vastbouw maakt aanspraak op de wettelijke (handels)rente over de eerste termijn (van € 5.489.995,00) die Niaga bij afname van de grond en het project op 25 januari 2018 had moeten betalen. Omdat Niaga deze betalingsverplichting niet is nagekomen, is zij volgens Vastbouw gehouden de wettelijke handelsrente over dit bedrag als schadevergoeding te betalen tot de datum van ontbinding van de overeenkomst. Eerst op dat moment werd Niaga van haar betalingsverplichting bevrijd, aldus Vastbouw.

4.14.

Het oordeel hierover is als volgt. Met de ontbinding van de overeenkomst is de verplichting tot betaling van de eerste termijn komen te vervallen. Door de ontbinding wordt immers niet langer nakoming daarvan gevorderd. Ontbinding bevrijdt partijen van de daardoor getroffen verbintenissen ook over een reeds verstreken periode (artikel 6:271 BW). Na ontbinding kan dus geen nakoming meer worden gevorderd, ook niet van verbintenissen die al vóór de ontbinding moesten worden nagekomen (vgl. Hoge Raad 5 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW8307). Daaruit volgt dat ook de wettelijke rente daarover niet meer is verschuldigd. Omdat Niaga door de ontbinding wordt bevrijd van haar betalingsverplichting en Vastbouw geen nakoming meer kan vorderen, is geen sprake (meer) van een vertraging in de voldoening van de geldsom. Het gevorderde bedrag van € 15.642,73 aan wettelijke handelsrente komt dan ook niet voor vergoeding in aanmerking.

Nodeloos gemaakte kosten.

4.15.

Vastbouw vordert verder € 10.948,72 exclusief btw aan nodeloos gemaakte kosten. Het betreft de kosten die zij stelt te hebben gemaakt voor haar advocaat en notaris voor het opstellen van de overeenkomst met Niaga en de beoogde levering aan Niaga. Door de wanprestatie van Niaga (het niet afnemen van de grond en het project) zijn deze kosten volgens Vastbouw nodeloos gemaakt, en moeten ze voor vergoeding in aanmerking komen.

4.16.

De rechtbank volgt Vastbouw in deze stelling. Indien Vastbouw niet met Niaga in zee was gegaan, maar direct voor een losse verkoop had gekozen, had zij deze transactiekosten niet hoeven te maken. Door eerst Niaga op haar pad te treffen, heeft zij schade geleden in de zin van deze kosten. Deze zijn door het wanpresteren van Niaga en de daaropvolgende ontbinding van de overeenkomst nodeloos gemaakt.

4.17.

De hoogte van de door Vastbouw gevorderde vergoeding voor advocaatkosten voor het opstellen van de overeenkomst en de notariskosten van in totaal € 10.948,72 exclusief btw, is door Niaga niet betwist en komt de rechtbank ook niet als onredelijk voor gelet op de aard en omvang van de met Niaga gesloten overeenkomst. De door Vastbouw hiervoor gevorderde bedragen worden dan ook toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente. De ingangsdatum van de wettelijke rente zal worden gesteld op 15 juni 2018 (datum procesinleiding); een grondslag voor de door Vastbouw in dat verband gestelde datum van ontbinding ontbreekt.

Buitengerechtelijke kosten

4.18.

Vastbouw heeft gesteld buitengerechtelijke kosten gemaakt te hebben en heeft vergoeding daarvan gevorderd. Voldaan dient te worden aan het vereiste dat alleen redelijke kosten die in redelijkheid zijn gemaakt kunnen worden toegewezen. In dit geval is niet gebleken dat niet aan dit vereiste is voldaan, zodat de rechtbank buitengerechtelijke kosten zal toewijzen over het toewijsbare bedrag van € 10.948,72. Dit komt conform het geldende tarief neer op € 884,49 exclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2018.

Proceskosten

4.19.

Vastbouw zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Niaga worden begroot op:

- griffierecht € 3.946,00

- salaris advocaat 9.640,00 (2,5 punten × tarief € 3.856,00)

Totaal € 13.586,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt Niaga om aan Vastbouw te betalen een bedrag van € 11.833,21

(€ 10.948,72 + € 884,49), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van 15 juni 2018 tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt Vastbouw in de proceskosten, aan de zijde van Niaga tot op heden begroot op € 13.586,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in

artikel 6:119 BW met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Veerman en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2020.

Coll: PM