Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:1225

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
12-02-2020
Datum publicatie
25-02-2020
Zaaknummer
360705
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Tussenvonnis, aanbesteding Stadswaard Nijmegen, is hoogwater een onvoorziene omstandigheid, aktewisseling over uitleg NEN norm.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/360705 / HA ZA 19-95

Vonnis van 12 februari 2020

in de zaak van

1. de vennootschap onder firma

[naam eiseres 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[naam eiseres 2] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[naam eiseres 3] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[naam eiseres 4] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseressen,

advocaat mr. L.C. van den Berg te 's-Gravenhage,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

PROVINCIE GELDERLAND,

zetelend te Arnhem,

gedaagde,

advocaat mr. J.W. Riedijk en mr. M.R. van Rijckevorsel te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna de [gezamenlijke eiseressen] en de Provincie genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 23 oktober 2019

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 9 december 2019.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

In 2015 is de Provincie onder toepassing van de UAV-GC 2005 een nationale openbare aanbestedingsprocedure gestart voor de opdracht "Inrichting Stadswaard" (hierna: het werk). Het werk bestond in hoofdzaak uit het ontwerpen en uitgraven van een geul in de uiterwaard “Stadswaard” te Nijmegen, die aan een zijde verbonden zou moeten worden met de Waal. Voorts diende een gedeelte van het maaiveld tussen de oeverwal en de te graven geul te worden verlaagd. Het werk voorzag tevens in de aanleg van een voetgangersbrug en onverharde paden. De uit te graven grond moest worden afgevoerd.

2.2.

In paragraaf 3 lid 2 van de UAV-GC 2005 is voor zover van belang bepaald:

De Opdrachtgever is verantwoordelijk voor de inhoud van alle informatie die door hem aan de Opdrachtnemer ter beschikking is gesteld (…).

In paragraaf 44 lid 1 van de UAV-GC 2005 is bepaald:

Behoudens het bepaalde in § 45 heeft de Opdrachtnemer uitsluitend recht op

kostenvergoeding en/of termijnsverlenging indien:

(a) deze UAV-GC 2005 daar uitdrukkelijk in voorzien en onder de voorwaarde dat kosten en/of vertraging hun oorzaak vinden in een omstandigheid die niet aan de

Opdrachtnemer kan worden toegerekend, of

(b) kosten en/of vertraging hun oorzaak vinden in een omstandigheid waarvoor de

Opdrachtgever krachtens de Overeenkomst verantwoordelijk is en waartegen de

Opdrachtnemer niet behoefde te waarschuwen gelet op diens in § 4 lid 7 genoemde

verplichting, of

(c) zich een onvoorziene omstandigheid voordoet van dien aard dat de Opdrachtgever naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet mag verwachten dat de Overeenkomst ongewijzigd in stand blijft.

2.3.

De Provincie heeft bij de aanbesteding van het werk het rapport "Vervangend milieukundig waterbodemonderzoek Stadswaard Nijmegen" van [naam ingenieursbureau] van 26 november 2015 (hierna “het rapport [naam ingenieursbureau] ”) ter beschikking gesteld. Het rapport vermeldt dat het volgens de norm NEN 5720 is opgesteld.

2.4.

De [gezamenlijke eiseressen] heeft op 14 december 2015 haar inschrijving ingediend. De Provincie heeft het werk op 15 februari 2016 aan de [gezamenlijke eiseressen] gegund voor een aanneemsom van € 2.600.000,00 (exclusief btw), welk bedrag gelijk is aan de in de door de Provincie, in het kader van de aanbesteding, gestelde plafondprijs. Partijen hebben vervolgens op 4 maart 2016 een aannemingsovereenkomst ondertekend (Inrichting Stadswaard Basisovereenkomst, hierna: de basisovereenkomst). Op grond van de basisovereenkomst zou het werk uiterlijk 31 december 2016 (de mijlpaaldatum) gereed moeten zijn voor aanvaarding door de Provincie. Wanneer het werk niet op 31 december 2016 gereed zou zijn voor aanvaarding is de [gezamenlijke eiseressen] op grond van de basisovereenkomst een boete van € 5.000,00 per dag verschuldigd met een maximum van € 300.000,00.

2.5.

De aan de basisovereenkomst gehechte annex XIV bepaalt, voor zover van belang, met betrekking tot de risico-allocatie:

Onderstaande risico's zijn voor rekening en risico van de Opdrachtnemer:

(…)

c. Afwijkingen in hoeveelheid van vrijkomende grond.

d. Afwijkingen in chemische samenstelling van de vrijkomende grond t.o.v. de aan het contract toegevoegde gegevens.

e. Afwijkingen in de fysische eigenschappen van de vrijkomende grond t.o.v. de aan het contract toegevoegde gegevens.

(…)

h. Alle fluctuaties in (grond)waterpeil in welke mate dan ook.

(…)

Onderstaande risico’s zijn voor rekening en risico van de Opdrachtgever:

(…)

e) Onverwachte vondst verontreinigingen

Als de kosten van aantoonbare vertraging en het verlenen van ondersteuning aan de Opdrachtgever, en alleen op diens uitdrukkelijk verzoek, bij een onverwachte vondst van verontreinigingen hoger zijn dan € 4.000,00, dan komen de extra kosten voor rekening van de Opdrachtgever.

(…)

Met betrekking tot de risico’s voor rekening en risico van de opdrachtnemer, is in een voetnoot in annex XIV het volgende vermeld:

Bij het afvoeren dient te worden voldaan aan de uit algemene wet- en regelgeving voortkomende eisen met betrekking tot het vervoer, bewerken en/of verwerken en storten van (vrijkomende) grond en overige materialen van het bevoegd gezag. De hiervoor eventueel benodigde aanvullende onderzoeken en aanvragen vergunningen, etc. zijn voor rekening van de Opdrachtnemer.

2.6.

[naam bedrijf] heeft in opdracht van de [gezamenlijke eiseressen] het rapport “Waterbodemonderzoek Stadswaard te Nijmegen” (hierna: “het rapport [naam bedrijf] ”) van 29 april 2016 opgesteld.

2.7.

Op grond van het Besluit Bodemkwaliteit (‘Bbk’) is per partij af te voeren grond een melding vereist (hierna: “Bbk-melding”), waarbij moet worden aangegeven waarnaar de partij grond zal worden afgevoerd. De melding moet worden gedaan kort voor de afvoer van de grond. De [gezamenlijke eiseressen] wilde (een gedeelte van) de vrijgekomen grond afvoeren naar het project “Oosterhoutse Waarden” te Oosterhout. Rijkswaterstaat Oost-Nederland (hierna: “RWS-ON”) is voor die locatie het bevoegd gezag dat Bbk-meldingen moet beoordelen.

2.8.

De [gezamenlijke eiseressen] heeft het te ontgraven gebied opgedeeld in zes gebiedsdelen; A, A1, B, C, D en E. Van de eerste Bbk-melding van 2 mei 2016, die zag op een partij van 47.786 m3 grond uit deelgebieden A, A1 en B van de bovenlaag van 70 cm, heeft RWS-ON bij e-mail van 10 mei 2016 bericht dat die melding ontoereikend was. RWS-ON heeft ten aanzien van het rapport [naam ingenieursbureau] geschreven:

- Voorafgaande aan een onderzoek conform de NEN 5720 moet een vooronderzoek conform NEN 5717 worden uitgevoerd. Dit vooronderzoek ontbreekt. Er wordt alleen verwezen naar een vooronderzoek gebaseerd op de NEN 5725 uit het [naam ingenieursbureau] onderzoek van 2013.

- De oppervlakte van de onderzochte locatie met strategie 'Oevergebied' is niet bekend. Onduidelijk is of het aantal boringen en analyses correct is.

- De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd door de heer [naam werknemer] van [naam bedrijf] De heer [naam werknemer] is niet vermeld in het overzicht 'Erkenningen Besluit bodemkwaliteit' bij de geregistreerde personen.

- De toepassing vindt plaats in de kern van een grootschalige bodemtoepassing. Om te bepalen of uitloogonderzoek nodig is dient toetsing aan de emissietoetswaarde plaats te vinden. Deze toetsing ontbreekt.

RWS-ON heeft in diezelfde e-mail van 10 mei 2016 ten aanzien van het rapport [naam bedrijf] geschreven:

- Aanleiding van het onderzoek is o.a. de resultaten van een eerder uitgevoerd onderzoek waarbij een deel van het onderzocht materiaal als Niet Toepasbaar (NT) is geclassificeerd. Het doel van het actualisatie onderzoek is het vastleggen van de chemische kwaliteit van de uitkomende bodem.

- Dit onderzoek had een nader onderzoek moeten zijn in plaats van een nieuw onderzoek om de kwaliteit nogmaals te bepalen. In dit geval zijn de mengmonsters anders samengesteld waardoor de kans aanwezig is dat er een andere kwaliteit uit komt. Het in eerste instantie als klasse NT geclassificeerde materiaal mag op basis van het actualisatieonderzoek niet worden toegepast.

Daarnaast heeft RWS-ON in de e-mail van 10 mei 2016 geschreven:

Er is onderzocht tot 50 cm. De tussenlaag daarna is niet onderzocht en de onderlaag is wel weer onderzocht. Het verzoek is om maximaal 70 cm van de bovenlaag te mogen toepassen. Onduidelijk is waarom de tussenlaag niet is onderzocht en waarom deze niet onderzochte tussenlaag van 20 cm representatief gesteld kan worden. Het onderzoek is niet dekkend voor de gemelde toepassing. Het materiaal wat niet is onderzocht en geanalyseerd mag dan ook niet worden toegepast.

2.9.

De Bbk-melding van 2 mei 2016 is door RWS-ON uiteindelijk onder voorwaarden goedgekeurd. De [gezamenlijke eiseressen] is op 22 mei 2016 begonnen met de werkzaamheden. Van 25 mei tot 5 juni 2016 was sprake van hoogwater in de Waal, waardoor het werk niet kon worden uitgevoerd.

2.10.

Naar aanleiding van de Bbk-melding van 7 juni 2016 heeft RWS-ON op 10 juni 2016 onder meer het volgende geschreven:

Het 'Vervangend milieukundig waterbodemonderzoek Stadswaard Nijmegen' van [naam ingenieursbureau] Ingenieursbureau, d.d. 26 november 2015 is op een aantal punten niet uitgevoerd conform de NEN 5720 (o.a. het aantal analyses verschilt in toplaag en onderlaag, samenstelling mengmonsters niet uit aaneengesloten lagen / lijken soms meerdere lagen te bevatten). Een en ander is op 08-06-2016, naar aanleiding van een overleg tussen o.a. RWS en provincie, teruggekoppeld. Het onderzoek van [naam ingenieursbureau] voldoet, behoudens voor de reeds toereikend beoordeelde melding 373866.2 en de daarin gemelde deelgebieden, niet als bewijsmiddel.

2.11.

Na discussie met RWS-ON heeft de Provincie een nieuw waterbodemonderzoek laten uitvoeren door [naam ingenieursbureau] , welk onderzoek tussen 8 juli 2016 en 2 september 2016 heeft plaatsgevonden. Het tweede onderzoeksrapport bestaat uit drie onderdelen die op 5 augustus 2016 (vakken A1, C en E), 26 augustus 2016 (vakken B en D) en 2 september 2016 (het kribvak) aan de [gezamenlijke eiseressen] zijn verstrekt.

2.12.

Van 19 juli tot 29 juli 2016 was opnieuw sprake van hoogwater.

2.13.

Vanaf 6 september 2016 is de [gezamenlijke eiseressen] (opnieuw) met de werkzaamheden begonnen. Op 12 december 2016 zijn de laatste grondwerkzaamheden voor een tussen partijen overeengekomen stand-still periode verricht. Gedurende de stand-still periode bracht de Provincie geen contractuele boete in rekening en rekende de [gezamenlijke eiseressen] geen vertragingskosten. Partijen hebben daarnaast afgesproken hun geschil in die periode voor te leggen aan deskundigen.

2.14.

De [gezamenlijke eiseressen] heeft meerdere afwijkingsrapporten gezonden aan de Provincie, alsook meerdere verzoeken tot wijziging (hierna: VTW’s) gedaan. Deze rapporten en verzoeken heeft de Provincie verworpen.

2.15.

Twee door partijen aangewezen deskundigen (ieder één) hebben gezamenlijk een niet-bindend advies uitgebracht op 26 januari 2017. Samengevat komt dit advies erop neer dat de vertraging als gevolg van het niet voldoen aan het rapport [naam ingenieursbureau] en de vertraging als gevolg van hoogwater voor rekening en risico van de Provincie komen.

2.16.

Daarna heeft de [gezamenlijke eiseressen] opnieuw (gewijzigde) verzoeken tot wijziging gedaan, die door de Provincie zijn verworpen.

2.17.

De tussen partijen overeengekomen stand-still periode is geëindigd medio maart 2017. De resterende werkzaamheden zijn uitgevoerd tot 5 mei 2017. Op 9 mei 2017 is de voetgangersbrug geopend.

2.18.

De Provincie heeft de [gezamenlijke eiseressen] bij brief van 21 juni 2018 bericht dat zij het werk als opgeleverd beschouwt waarbij de dag van verzending van deze brief als feitelijke opleverdatum geldt, en daarbij aanspraak gemaakt op de maximale boete van € 300.000,00 wegens termijnoverschrijding.

3 Het geschil

3.1.

De [gezamenlijke eiseressen] vraagt de rechtbank (uitgesplitst in drie onderdelen) te verklaren voor recht (1) dat het waterbodemonderzoek van [naam ingenieursbureau] van 2015 en alle gebreken daarin, alsmede de daaruit voortvloeiende gevolgen voor rekening en risico van de Provincie komen, (2) dat de [gezamenlijke eiseressen] recht heeft op termijnverlenging tot 17 november 2017, althans 8 juni 2017 en de Provincie geen recht toekomt op enige korting of boete wegens te late oplevering en (3) dat de gevolgen van het exceptionele hoogwater voor rekening en risico van de Provincie komen. Daarnaast vordert de [gezamenlijke eiseressen] betaling van verschillende verzoeken tot wijziging (VTW’s), in totaal ten bedrage van € 1.558.021,53, en betaling van de laatste termijn ten bedrage van € 270.000,00 met veroordeling van de Provincie in de kosten van de procedure, één en ander te vermeerderen met wettelijke rente, en de nakosten.

3.2.

De [gezamenlijke eiseressen] legt – samengevat – het volgende aan haar vorderingen ten grondslag. De [gezamenlijke eiseressen] stelt dat zij de prijs bij de aanbesteding heeft bepaald op basis van het rapport [naam ingenieursbureau] . Het rapport [naam ingenieursbureau] vermeldt dat het overeenkomstig NEN 5720 is opgesteld, zodat de [gezamenlijke eiseressen] daarvan uit mocht gaan. De Provincie is op grond van de UAV-GC 2005 verantwoordelijk voor de juistheid van rapport [naam ingenieursbureau] . RWS-ON keurde de Bbk-melding(en) af omdat het rapport [naam ingenieursbureau] niet overeenkomstig NEN 5720 was opgesteld. Het rapport is daarmee, zo stelt de [gezamenlijke eiseressen] , onjuist. Daardoor is vertraging in de werkzaamheden ontstaan. Daarnaast bleek plaatselijk een andere vervuilingsgraad dan dat uit het rapport [naam ingenieursbureau] volgde. Er bleek meer niet toepasbare grond (hierna: NT-grond) in de bodem te zitten dan uit het rapport [naam ingenieursbureau] bleek. De [gezamenlijke eiseressen] kon daardoor haar afspraken met afnemers van de vrijkomende grond niet nakomen. Doordat er meer NT-grond was, moest ook op (meer) plekken onder duurdere saneringscondities worden gewerkt. Ook de verhouding tussen vrijkomend zand en vrijkomende klei was anders, hetgeen eveneens tot financiële gevolgen leidde. Naast de onjuistheid van het rapport [naam ingenieursbureau] is vertraging ontstaan door langdurig hoogwater in de zomer van 2016. De [gezamenlijke eiseressen] stelt dat het hoogwater een onvoorziene omstandigheid die van dien aard is dat de Provincie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet mag verwachten dat de overeenkomst ongewijzigd in stand blijft.

3.3.

De Provincie voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De vorderingen van de [gezamenlijke eiseressen] laten zich grofweg verdelen in drie categorieën, namelijk: vertraging door de afwijzing van de Bbk-meldingen (VTW’s 114, 116, 117, 119 en 127), schade als gevolg van de milieukundige samenstelling van de grond (VTW’s 108, 113, 118 en 120 t/m 125) en vertraging door hoogwater (VTW’s 126 en 127 (deels)).

Hoogwater

4.2.

Volgens de [gezamenlijke eiseressen] is het hoogwater van de zomer van 2016 een onvoorziene omstandigheid zoals bedoeld in paragraaf 44 UAV-GC 2005, omdat hoogwater in de zomerperiode zeldzaam is en er sinds 1900 bij Lobith in de maand juni nooit zoveel water de Rijn (en daarmee de Waal) is binnengekomen als in de maand juni van 2016. In annex XIV over de risico-allocatie zou bedoeld zijn “regulier hoogwater”. In de procesinleiding stelde de [gezamenlijke eiseressen] nog dat het hoogwater de hele maand juni heeft geduurd, maar tijdens de mondelinge behandeling verklaarde de [gezamenlijke eiseressen] desgevraagd dat er sprake was van hoogwater in twee afzonderlijke periodes van ongeveer één week, waarbij er in de tweede periode van een week geen vertraging is opgetreden, omdat het werk toen stil lag vanwege het feit dat RWS-ON de Bbk-meldingen weigerde goed te keuren omdat het rapport [naam ingenieursbureau] , naar zijn beoordeling niet voldeed en [naam ingenieursbureau] in die periode van hoogwater in opdracht van de Provincie nieuw onderzoek deed.

4.3.

De Provincie voert aan dat van een onvoorziene omstandigheid in de zin van paragraaf 44 lid 1 sub c UAV-GC 2005 alleen sprake is indien daarmee in de overeenkomst geen rekening is gehouden. Als dat het geval is, moet worden beoordeeld of de onvoorziene omstandigheid van dien aard is dat niet van de opdrachtgever mag worden verwacht dat hij de overeenkomst ongewijzigd in stand houdt.

4.4.

Voor de vraag of sprake is van een onvoorziene omstandigheid is niet beslissend of de omstandigheid ten tijde van het sluiten van de overeenkomst voorzienbaar waren. Het komt er slechts op aan van welke veronderstellingen partijen zijn uitgegaan; of zij in de mogelijkheid van het optreden van de onvoorziene omstandigheden hebben (willen) voorzien, althans stilzwijgend die mogelijkheid hebben verdisconteerd. Partijen hebben in de mogelijkheid van hoogwater voorzien in annex XIV “risico’s opdrachtnemer” onder h. waarin is bepaald dat de gevolgen daarvan voor rekening van de opdrachtnemer komen.

4.5.

Daar komt bij dat de rechter terughoudendheid moet betrachten bij aanvaarding van een beroep op onvoorziene omstandigheden. In dit geval gaat het, naar nu blijkt, slechts om één week vertraging als gevolg van hoogwater. De [gezamenlijke eiseressen] heeft onvoldoende toegelicht waarom een dergelijke geringe vertraging een onvoorziene omstandigheid is. Van haar mocht verwacht worden om enige vertraging bij een project als dit in te calculeren, onafhankelijk van de oorzaak van de vertraging.

4.6.

Het hoogwater komt derhalve voor rekening en risico van de [gezamenlijke eiseressen] . Daarom zal de gevraagde verklaring voor recht onder III worden afgewezen, evenals de vordering tot betaling van VTW 126 en het deel van VTW 127 dat op hoogwater ziet.

Afwijzing Bbk-meldingen en samenstelling van de grond

4.7.

Tussen partijen is niet in geschil dat wanneer het verkennend onderzoek, waarvan de resultaten zijn vastgelegd in het rapport [naam ingenieursbureau] , zou zijn uitgevoerd conform NEN 5720, dat onderzoek voldoende zou moeten zijn om naar RWS-ON toe als bewijs te dienen voor de Bbk-meldingen voor zover het gaat om grond anders dan NT-grond. Vast staat ook dat voor NT-grond nader onderzoek noodzakelijk is naast het verkennend onderzoek en dat dat voor rekening en risico van de [gezamenlijke eiseressen] zou komen. De [gezamenlijke eiseressen] mocht derhalve in beginsel verwachten dat zij voor Bbk-meldingen voor grond anders dan NT-grond goedkeuring zou verkrijgen op basis van het rapport [naam ingenieursbureau] , wanneer dat was opgesteld conform NEN 5720.

4.8.

Door de Provincie is tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat RWS-ON strengere eisen stelt aan een onderzoek dat voldoet aan NEN 5720 om als bewijsstuk te dienen voor de Bbk-meldingen, dan dat uit de NEN-norm zelf voortvloeit. Volgens de Provincie bestaat de NEN-norm deels uit open normen die op verschillende wijzen kunnen worden geïnterpreteerd. De Provincie voert aan dat haar niet kan worden aangerekend dat RWS-ON de norm strenger uitlegt dan [naam ingenieursbureau] . Ook voert zij aan dat is overeengekomen dat de verwerking van grond moet voldoen aan de eisen van het bevoegd gezag (hier RWS-ON). Tot slot wijst de Provincie erop dat eventueel noodzakelijke aanvullende rapporten voor rekening van de [gezamenlijke eiseressen] zijn.

4.9.

Voor de beoordeling van de vorderingen van de [gezamenlijke eiseressen] is het van belang om te weten of het rapport [naam ingenieursbureau] in zijn algemeenheid is opgesteld conform de minimale, objectieve eisen van NEN 5720. Als dat het geval is, is de vermelding daarvan in het rapport juist en ligt de vraag voor in hoeverre de afwijzing van de Bbk-meldingen het gevolg is van de interpretatie van de open normen van NEN 5720 door RWS-ON. In dat laatste geval komt het niet accepteren van Bbk-meldingen, op grond van de risico-allocatie voor rekening en risico van de [gezamenlijke eiseressen] . Wanneer het rapport [naam ingenieursbureau] niet voldoet aan NEN 5720 en het rapport in dat geval ten onrechte vermeldt dat het wel conform NEN 5720 is opgesteld, terwijl, waarover partijen het eens zijn, een rapport dat wel aan NEN 5720 voldoet als bewijsstuk, komen die gebreken voor rekening en risico van de Provincie. De Provincie is dan schadeplichtig voor de daaruit voortvloeiende schade. Die gebreken geven dan recht op een termijnverlenging voor oplevering, voor zover die tot vertraging van het werk hebben geleid.

4.10.

Op dit punt is het debat onvoldoende uitgekristalliseerd. De rechtbank zal daarom partijen in de gelegenheid stellen zich bij akte uit te laten over de vragen 1) of het rapport [naam ingenieursbureau] in zijn algemeenheid is opgesteld conform de minimale, objectieve eisen van NEN 5720 en 2) in hoeverre de afwijzing van de Bbk-meldingen het gevolg is van de uitleg die RWS-ON geeft aan de in NEN 5720 gestelde open normen. De rechtbank zal eerst de [gezamenlijke eiseressen] bij akte in de gelegenheid stellen zich uit te laten. De Provincie zal vervolgens in de gelegenheid worden gesteld bij akte te reageren.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 19 februari 2020 voor het nemen van een akte door de [gezamenlijke eiseressen] over hetgeen is vermeld onder 4.10, waarna de Provincie, op de rol van vier weken na die akte is genomen, een antwoordakte kan nemen,

5.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Veerman, mr. G.J. Meijer en mr. J.H. Steverink en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2020.