Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:1170

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
20-02-2020
Datum publicatie
21-02-2020
Zaaknummer
05.183815.19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt een 20-jarige man, voor het tweemaal plegen van ontuchtige handelingen bij een minderjarig meisje, tot een taakstraf van 120 uren, waarvan 80 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en als bijzondere voorwaarden: meldplicht, begeleid wonen indien geïndiceerd en een behandeling bij een forensische psychiatrische kliniek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05.183815.19

Datum uitspraak : 20 februari 2020

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1999 te [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres] , [woonplaats] .

Raadsman: mr. H.M. Mourik, advocaat te Aalten.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

6 februari 2020.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 6 april

2019 tot en met 6 mei 2019 te Ulft, althans in Nederland,

met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , die toen de leeftijd van

zestien jaren nog niet had bereikt,

buiten echt,

een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten

het (over de kleding) betasten van de vagina van die [slachtoffer] .

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit, in die zin dat verdachte in de pleegperiode tweemaal over de kleding de vagina van [slachtoffer] heeft betast. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen verweer gevoerd wat betreft het bewijs. Verdachte heeft verklaard dat de eerste keer per ongeluk was.

Beoordeling door de rechtbank

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, te weten:

  • -

    de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 6 februari 2020;

  • -

    het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 60 – 64;

  • -

    het proces-verbaal van aangifte, p. 19 – 20;

  • -

    het proces-verbaal uitwerking studioverhoor, p. 47 – 55.

De verklaring van verdachte, dat het wrijven de eerste keer per ongeluk heeft plaatsgevonden tijdens het stoeien, vindt de rechtbank niet aannemelijk. Het wrijven over de broek bij de vagina maakt naar het oordeel van de rechtbank geen deel uit van normaal stoeigedrag. Het verweer van verdachte dat hij geen opzet had op de ontuchtige handelingen wordt door de rechtbank dan ook verworpen.

De verklaring van [slachtoffer] , dat de ontuchtige handelingen gedurende een langere periode zijn gepleegd en zich vaker hebben voorgedaan, wordt niet door bewijsmiddelen ondersteund.

De rechtbank is op basis van het voorgaande van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte meerdere malen met zijn hand over de broek bij de vagina van [slachtoffer] , die toen de leeftijd van 16 jaren niet had bereikt, heeft gewreven, en met die handelingen de vagina heeft betast, in de periode van 6 april 2019 tot en met 6 mei 2019 te Ulft. Dergelijke handelingen, onder voornoemde omstandigheden, zijn aan te merken als ontuchtig. Verdachte was immers ouder dan 18 jaren en [slachtoffer] was 9 jaren. Daarbij wordt ook meegenomen dat verdachte de oom is van [slachtoffer] .

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 6 april

2019 tot en met 6 mei 2019 te Ulft, althans in Nederland,

met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , die toen de leeftijd van

zestien jaren nog niet had bereikt,

buiten echt,

een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten

het (over de kleding) betasten van de vagina van die [slachtoffer] .

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, namelijk een meldplicht, een ambulante behandeling en het vermijden van contact met minderjarigen, en voorts tot het verrichten van 180 uren taakstraf, te vervangen door 90 dagen hechtenis.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt dat verdachte een kwetsbaar persoon is die vermoedelijk lijdt aan autisme. Bovendien heeft verdachte geen strafblad. Gezien de persoon van verdachte verzoekt de verdediging tot toepassing van het jeugdstrafrecht. Een geheel voorwaardelijke vrijheidsstraf met de voorwaarde van een behandelverplichting, zoals geadviseerd door de reclassering, heeft meerwaarde voor verdachte. De geëiste taakstraf is niet te verenigen met het jeugdstrafrecht en dient daarom niet te worden opgelegd.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel justitiële documentatie, gedateerd 7 januari 2020;

- een voorlichtingsrapportage van Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP), gedateerd 6 november 2019;

- een advies van Reclassering Nederland, gedateerd 17 december 2019.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op twee momenten met zijn hand over de broek bij de vagina van de 9-jarige [slachtoffer] gewreven. Aldus handelend heeft verdachte de lichamelijke integriteit van een zeer jeugdige geschonden. Dit valt verdachte in het bijzonder aan te rekenen, omdat de ontuchtige handelingen hebben plaatsgevonden in een omgeving die veilig had moeten zijn voor [slachtoffer] , namelijk in de woning van de grootouders van [slachtoffer] . De rechtbank rekent verdachte dit zwaar aan.

De psycholoog van het NIFP constateert dat er nooit onderzoek heeft plaatsgevonden naar autistische problematiek bij verdachte en dat er geen officiële diagnose is van autisme. De psycholoog acht een begeleidingstraject vanuit de reclassering de beste route voor verdachte, zodat de situatie van verdachte eerst beter in kaart kan worden gebracht alvorens er eventuele hulpverlening kan worden ingezet.

Van belang is voorts het advies van de reclassering, waarin wordt geconcludeerd dat er, vanuit de jeugd van verdachte, sprake is van gedrags- en leerproblemen. Ook is er een discrepantie in zijn verbale en performale functioneren vastgesteld. Verdachte functioneert binnen zijn huidige leven niet leeftijdsadequaat. Hij is weinig zelfstandig en behoeft structurering, aansturing en begrenzing door anderen. Er zou op andere vlakken ook sprake zijn van impulsief en grensoverschrijdend gedrag. Het vorenstaande maakt dat de reclassering noodzaak ziet voor een begeleidings- en behandeltraject, waarbij wordt gestart met diagnostiek om de achterliggende problematiek in beeld te krijgen. Een verplicht karakter is hierbij noodzakelijk. Ter terechtzitting is naar voren gekomen dat verdachte al een intakegesprek heeft gehad bij de forensische polikliniek Kairos en dat een vervolgafspraak is gemaakt.

De reclassering adviseert voorts om het commune strafrecht toe te passen. Niet is gebleken dat er doorslaggevende redenen zijn om niet het commune strafrecht toe te passen. Als bijzondere voorwaarden adviseert de reclassering het opleggen van een meldplicht, ambulante behandeling en het vermijden van contact met minderjarigen. De reclassering verzoekt de rechtbank hen opdracht te gegeven om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte daarbij te begeleiden.

Op basis van hetgeen is gerapporteerd en ter terechtzitting naar voren is gebracht ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van het advies van de reclassering om het commune strafrecht toe te passen. Het verzoek van de verdediging om toepassing van het jeugdstrafrecht wordt door de rechtbank afgewezen.

De rechtbank wijkt af van de strafeis van de officier van justitie wat betreft het opleggen van een gevangenisstraf en de hoogte van de taakstraf. Redenen voor het afwijken van de eis zijn gelegen in het feit dat verdachte niet eerder veroordeeld is, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het belang van de behandeling van de problematiek van verdachte. Hierbij weegt tevens mee het feit dat verdachte gemotiveerd is om een behandeling te ondergaan en de intake bij Kairos al heeft plaatsgevonden.

Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een taakstraf van 120 uren moet worden opgelegd, waarvan 80 uren voorwaardelijk, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, met een proeftijd van drie jaren, met de bijzondere voorwaarden als hieronder genoemd in het dictum.

De rechtbank wijkt af van het advies van de reclassering wat betreft de bijzondere voorwaarde van het vermijden van contact met minderjarigen, nu de reclassering heeft geconcludeerd dat er sprake is van een matige tot lage kans op recidive en de noodzaak van een dergelijk contactverbod verder niet is gebleken.

De rechtbank wijkt ook af van het advies van de reclassering wat betreft de bijzondere voorwaarde van begeleid wonen. In het reclasseringsrapport wordt beschreven dat er gesprekken worden opgestart om mogelijkheden voor begeleid wonen te onderzoeken. In het rapport wordt het meewerken aan een traject voor begeleid wonen niet als op te leggen bijzondere voorwaarde geadviseerd. Gelet op hetgeen in het rapport over een dergelijk traject en de huidige leefsituatie van verdachte wordt beschreven, ziet de rechtbank aanleiding om verdachte als bijzondere voorwaarde ook te verplichten tot meewerken aan een traject gericht op begeleid wonen als de reclassering dat wenselijk vindt. Op de zitting heeft verdachte ook aangegeven daarvoor open te staan.

7a. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich, door haar ouders/wettelijke vertegenwoordigers, in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het bewezenverklaarde feit. Het verzoek bestaat uit drie immateriële schadeposten voor drie verschillende personen. Er wordt verzocht om een immateriële schadevergoeding voor een bedrag van € 17.500,- ten behoeve van [slachtoffer] , voor een bedrag van

€ 17.500,- ten behoeve van de grootvader van [slachtoffer] , de heer [benadeelde 1] , en voor een bedrag van € 17.500,- ten behoeve van de grootmoeder van [slachtoffer] , mevrouw [benadeelde 2] .

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen tot een bedrag dat de rechtbank redelijk en billijk acht, waarbij de officier van justitie de rechtbank heeft verzocht gebruik te maken van haar schattingsbevoegdheid. De officier van justitie heeft voorts verzocht de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht tot dit geschatte bedrag op te leggen . Het resterende bedrag dient niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging merkt op dat het verzochte bedrag betrekking heeft op een langere periode dan ten laste is gelegd en dat er geen onderbouwing is van de verzochte bedragen. Er lijkt aansluiting te worden gezocht bij affectieschade, maar het laten onderzoeken daarvan is een onevenredige belasting van het strafproces.

Beoordeling door de rechtbank

De vordering benadeelde partij, zoals ingediend namens de benadeelde partij [slachtoffer] , betreft gestelde geleden immateriële schade door [slachtoffer] en de grootouders van [slachtoffer] . Deze vordering zal niet-ontvankelijk worden verklaard. De behandeling van de vordering levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op, nu aanhouding van de behandeling ter terechtzitting, in verband met onderbouwing van de vordering, is geïndiceerd. Er zijn namelijk geen onderbouwende stukken overgelegd.

De benadeelde partij kan derhalve haar vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 247 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een taakstraf gedurende 120 (honderdtwintig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 (zestig) dagen;

 bepaalt, dat een gedeelte van de taakstraf groot 80 (tachtig) uren, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden voor het einde van de proeftijd die op drie jaren wordt bepaald;

 de algemene voorwaarde dat de verdachte:

- zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

 de bijzondere voorwaarden dat de verdachte:

- zich uiterlijk binnen vijf dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis zal melden bij de Reclassering Nederland in zijn woonomgeving en gedurende de proeftijd zich zal blijven melden bij deze instelling, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;

- zich moet houden aan de afspraken en aanwijzingen van Reclassering Nederland, ook als dat inhoudt dat hij moet verblijven in een voorziening voor maatschappelijke opvang, beschermd- of begeleid wonen, of soortgelijke instelling zulks ter beoordeling van de reclassering;

- zich gedurende de drie jaren van de proeftijd, of zolang de reclassering het nodig acht, onder behandeling zal stellen van een forensisch psychiatrische polikliniek of soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling aan te geven, teneinde zich te laten behandelen. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling, ook als dit het innemen van medicatie inhoudt, zo lang en zo frequent als de instelling dat noodzakelijk acht;

 geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden (artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht);

 stelt als voorwaarde dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

 stelt als voorwaarde dat verdachte medewerking zal verlenen aan het door de Reclassering Nederland te houden toezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in haar vordering;

 veroordeelt de benadeelde partij [slachtoffer] in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. Y. Yildiz (voorzitter), mr. D.S.M. Bak en mr. T. Bertens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B. Doedens, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 februari 2020.

De griffier is buiten staat het vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost Nederland, dienst regionale recherche, afdeling thematische opsporing, team zeden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2019167918, gesloten op 10 juli 2019 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.