Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:1139

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
26-02-2020
Datum publicatie
26-02-2020
Zaaknummer
8101784
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schending geheimhoudingsbeding in arbeidsovereenkomst door versturen WhatsApp bericht aan klanten na einde dienstbetrekking. Wet bescherming bedrijfsgeheimen heeft geen invloed op de beoordeling. Artikelen 91-94 boek 6 BW van toepassing. Matiging boete.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-0241
Prg. 2020/88
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaakgegevens 8101784 \ CV EXPL 19-12344 \ 42693

uitspraak van

vonnis

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eisende partij]

gevestigd te [woonplaats]

eisende partij

gemachtigde mr. G.C. Haulussy

tegen

[gedaagde partij]

wonende te [woonplaats]

gedaagde partij

gemachtigde mr. E.N. Mulder

Partijen worden hierna [eisende partij] en [gedaagde partij] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 13 november 2019 en de daarin genoemde processtukken;

- de brief met aanvullende producties van 27 januari 2020 van de zijde van [gedaagde partij] ;

- de comparitie van partijen van 6 februari 2020, inclusief pleitnotitie van de zijde van [gedaagde partij] .

1.2.

Vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde partij] heeft als werknemer tot 8 juli 2019 gewerkt bij [eisende partij] als verkoper/algemeen medewerker.

2.2.

In de schriftelijke arbeidsovereenkomst staat in artikel 8:

8. Geheimhouding

Zowel tijdens, als na beëindiging van het dienstverband is het voor de werknemer verboden om aan derden, direct of indirect, in welke vorm en op welke wijze dan ook, enige mededeling te doen over kennis met betrekking tot zaken en belangen van de bedrijven van de werkgever, haar klanten of andere relaties. Dit geldt wanneer het contract door de werknemer is beëindigd, maar ook wanneer het contract door de werkgever is beëindigd.

(…)

In geval van overtreding van bepaalde met betrekking tot geheimhouding en documenten verbeurt de werknemer aan werkgever een terstond en zonder nadere aanmaning, in gebrekestelling en/of rechterlijke tussenkomst, opeisbare boete van € 10.000,- per overtreding.

2.3.

Op 12 juli 2019 heeft [gedaagde partij] aan een groep van ongeveer 30 klanten van [eisende partij] een WhatsApp bericht gestuurd met de volgende tekst:

Beste ondernemers

Op dit moment werk ik niet meer voor [eisende partij] .

Ik kon niet meer achter mijn bedrijf staan en achter de kwaliteit en service. Lever tijden konden niet gewaarborgd worden en de tonijn werd steeds slechter. Een totaal product dat jullie niet gewent zijn van mij..

Ik heb met ebo en [Vishandel X] een gesprek gehad waar door ik wel kan staan achter mijn product in alle opzichten. Ik ga bij van [Vishandel X] aan het werk en verkoop ook de ebo producten. Prijzen blijven het zelfde. We gaan starten in de laatste week van augustus. Vele van jullie wisten het al en ik dank jullie voor het vertrouwen om met mij mee te gaan. Ik kan staan voor kwaliteit service en goede prijs. Ik kom in de komende weken bij jullie langs voor een toelichting.. Gr [gedaagde partij] .

2.4.

Op 18 juli 2019 heeft [gedaagde partij] aan dezelfde groep een WhatsApp bericht gestuurd met de volgende tekst:

Beste ondernemers,

Op 12 juli jl. hebben jullie een mededeling ontvangen over mijn vertrek bij [eisende partij] . Deze app is helaas geschreven uit emotie waardoor ik [eisende partij] in diskrediet heb gebracht.

Dit is nooit mijn bedoeling geweest, ik heb met veel plezier bij [eisende partij] gewerkt maar helaas scheiden onze wegen door omstandigheden.

[eisende partij] is een professioneel bedrijf waar kwaliteit hoog in het vaandel staat.

IK BIED DAN OOK MIJN WELGEMEENDE EXCUSSES AAN.

Eind augustus ga ik een nieuwe uitdaging aan bij [Vishandel X] .

Goede zaken toegewenst en een fijne zomer.

2.5.

Per brief van 19 juli 2019 is [gedaagde partij] door [eisende partij] gesommeerd om
€ 200.000,- te betalen, het door [eisende partij] geschatte schadebedrag als gevolg van de overtreding van artikel 8 door het WhatsApp bericht van 12 juli 2019.

2.6.

Per brief van 22 juli 2019 is namens [gedaagde partij] gereageerd. Hij heeft aangegeven dat er geen sprake is van een overtreding van het geheimhoudingsbeding.

3 De vordering en het verweer

3.1.

[gedaagde partij] vordert dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

a. a) voor recht zal worden verklaard dat [gedaagde partij] het geheimhoudingsbeding heeft geschonden en dat [gedaagde partij] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eisende partij] ;

b) [gedaagde partij] zal worden veroordeeld om € 200.000,- te voldoen aan [eisende partij] , danwel een bedrag in goede justitie te bepalen;

c) [gedaagde partij] zal worden veroordeeld om aan [eisende partij] te voldoen de door [eisende partij] geleden schade, nader op te maken bij staat;

d) [gedaagde partij] zal worden veroordeeld om € 500,- te betalen aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 juli 2019 tot aan de dag van volledige betaling;

e) [gedaagde partij] zal worden veroordeeld in de kosten van het geding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na dit vonnis;

f) [gedaagde partij] , indien hij niet binnen veertien dagen de proceskosten heeft betaald, zal worden veroordeeld in de nakosten van het geding.

3.2.

[eisende partij] legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde partij] het geheimhoudingsbeding heeft geschonden door het versturen van het WhatsApp bericht van 12 juli 2019.

3.3.

[gedaagde partij] voert verweer tegen de vordering. Hierop wordt hierna, voor zover relevant, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het verweer dat er geen sprake is van schending van het geheimhoudingsbeding nu [gedaagde partij] geen geheimen heeft verspreid gaat niet op. [gedaagde partij] neemt ten onrechte tot uitgangspunt dat er alleen sprake kan zijn van schending van een geheimhoudingsbeding als geheime informatie lekt. Deze interpretatie van het beding wordt niet ondersteund door artikel 8 van de arbeidsovereenkomst, waarin in brede zin is geformuleerd dat geen mededeling gedaan mag worden betreffende kennis met betrekking tot zaken en belangen van de bedrijven van de werkgever, haar klanten of andere relaties. De informatie die [gedaagde partij] aan klanten heeft verstuurd is aan te merken als zodanige kennis. In het WhatsApp bericht staat immers informatie over levertijden, kwaliteit en service en de kwaliteit van tonijn.

4.2.

Het beroep van [gedaagde partij] op een passage uit de wetsgeschiedenis van de Wet bescherming bedrijfsgeheimen, op 23 oktober 2018 in werking getreden, gaat niet op. Het betreft hier wetgeving ter implementatie van de Richtlijn 2016/943/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende de bescherming van niet-openbaar gemaakte knowhow en bedrijfsinformatie (bedrijfsgeheimen) tegen het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken en openbaar maken daarvan (PbEU 2016, L 157). In de memorie van antwoord van 22 juni 2018 heeft de Minister van Economische Zaken en Klimaat op Kamervragen over de verhouding tussen deze specifieke wetgeving en meer algemeen geformuleerde geheimhoudingsbedingen in arbeidsovereenkomsten het volgende naar voren gebracht: Het wetsvoorstel heeft niet tot gevolg dat geheimhoudingsbedingen met een ruimere definitie van bedrijfsgeheim nietig kunnen worden verklaard. Het wetsvoorstel grijpt immers niet in geheimhoudingsbedingen in arbeidsovereenkomsten. Wanneer de volgens het beding geheim te houden informatie niet voldoet aan de beschrijving van bedrijfsgeheim in het wetsvoorstel, dan is het enige gevolg dat geen beroep kan worden gedaan op de bescherming van dat wetsvoorstel. Arbeidsrechtelijke heeft dit geen gevolgen. (Kamerstukken I 2017/18, 34821 nr. C, pg. 6). Dit betekent dat de passage die namens [gedaagde partij] naar voren is gebracht geen invloed heeft op de beoordeling of in deze zaak sprake is van overtreding van het geheimhoudingsbeding.

4.3.

Verder is namens [gedaagde partij] tevergeefs een beroep gedaan op artikel 7:650 lid 3 BW. Nu het hier gaat om een verplichting na het einde van de dienstbetrekking zijn alleen de bepalingen van boek 6 over het boetebeding, namelijk artikelen 91-94 van toepassing (analoog aan het arrest van de Hoge Raad over een concurrentiebeding, HR 4 april 2003, JAR 2003/107).

4.4.

In artikel 6:92 lid 2 BW is bepaald dat hetgeen ingevolge een boetebeding verschuldigd is in de plaats treedt van schadevergoeding. Dit betekent dat niet zowel de boete als schade kan worden gevorderd, hetgeen [eisende partij] wel heeft gedaan. Nu bovendien over de schade onvoldoende is gesteld zal het gevorderde onder c. worden afgewezen. De verdere beoordeling betreft dan de onder b. gevorderde boete van € 200.000,-, dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag. [eisende partij] heeft niet kunnen toelichten om welke reden 20 maal de boete van € 10.000,- wordt gevorderd. Alleen al om die reden zal het bedrag van € 200.000,- niet kunnen worden toegewezen. Ter beoordeling ligt daarom verder nog of een boete van € 10.000,- is verschuldigd door [gedaagde partij] .

4.5.

[gedaagde partij] doet een beroep op matiging. Een boete kan volgens artikel 6:94 lid 1 BW worden gematigd indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist. Dat houdt in dat matiging alleen aan de orde is als er sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor matiging op zijn plaats is. In dit geval is er sprake van bijzondere omstandigheden. In de eerste plaats is niet naar voren gebracht of gebleken dat [eisende partij] in concrete zin te lijden heeft gehad van het WhatsApp bericht van [gedaagde partij] . Ter zitting is door [eisende partij] toegelicht dat zijn bedrijf en de omzet daarvan goed loopt en dat zijn bedrijf geen noemenswaardig of te concretiseren nadeel heeft ondervonden van het bericht van [gedaagde partij] . [gedaagde partij] heeft verklaard dat hij financieel ernstig gedupeerd zou zijn als hij de volledige boete zou moeten betalen. [gedaagde partij] is kostwinner en heeft op dit moment geen werk, zodat zijn gezin rond moet komen van een uitkering. Verder heeft [gedaagde partij] aangegeven spijt te hebben van het rondsturen van het bericht en hij heeft dit ook concreet doen blijken door er enkele dagen later een excuus-bericht achteraan te sturen. Tenslotte bestaat er een wanverhouding tussen de boete en het salaris dat [gedaagde partij] verdiende bij [eisende partij] , namelijk € 3.500 bruto per maand. Om al deze redenen wordt de boete gematigd tot € 1.000,-. In zoverre wordt het gevorderde onder b. toegewezen.

4.6.

Het gevorderde onder a) wordt afgewezen. Het belang van een afzonderlijke verklaring voor recht is niet gesteld. Voor de stelling dat [gedaagde partij] een onrechtmatige daad heeft gepleegd is overigens ook onvoldoende gesteld.

4.7.

Ten aanzien van de buitengerechtelijke kosten (d) geldt dat deze worden afgewezen. De gevorderde vergoeding komt niet voor toewijzing in aanmerking, nu [eisende partij] niet, althans niet voldoende duidelijk heeft gesteld of en op welke datum een aanmaning in de zin van artikel 6:96 lid 6 BW door [gedaagde partij] op zijn laatst is ontvangen, dan wel op welke datum [eisende partij] deze aanmaning aan [gedaagde partij] heeft verzonden. In dit verband wordt verwezen naar de uitspraak van de Hoge Raad van 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2704.

4.8.

Tenslotte worden de proceskosten gecompenseerd aangezien [eisende partij] weliswaar in het gelijk is gesteld, maar slechts op één onderdeel en voor een fractie van het gevorderde bedrag. Daarnaast geldt dat de hoedanigheid van partijen, werkgever en ex werknemer, tevens noopt tot compensatie.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde partij] om aan [eisende partij] te voldoen een bedrag van € 1.000,-;

5.2.

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

5.3.

compenseert de proceskosten in die zin dat ieder der partijen de eigen proceskosten draagt;

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. S.E. Sijsma en in het openbaar uitgesproken op