Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:1132

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
12-02-2020
Datum publicatie
20-02-2020
Zaaknummer
NL19.8256
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht; arbeidsongeschiktheidsverzekering. Vordering tot terugbetaling van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen ivm schending mededelingsplicht (artikel 7:941 BW) met opzet tot misleiding. Verval van recht op uitkering en recht op premievrijstelling. Verzekerde moet onverschuldigd betaalde uitkeringen, achterstallige premies en onderzoekskosten terugbetalen aan verzekeraar. Eindvonnis na tussenvonnissen (ECLI:NL:RBGEL:2019:4527 en ECLI:NL:RBGEL:2020:977)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

_________________________________________________________________ _

RECHTBANK GELDERLAND

Civiel recht

Zittingsplaats Zutphen

zaaknummer: NL19.8256

Vonnis van 12 februari 2020

in de zaak van

de naamloze vennootschap
MOVIR N.V.,
gevestigd te Nieuwegein,
eiseres, hierna te noemen: Movir,
advocaat mr. E.J. Wervelman te Utrecht,

tegen

[verweerder]
wonende te [woonplaats] ,
verweerder, hierna te noemen: [verweerder] ,
advocaat mr. G.S. Jongstra te Almere.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 8 januari 2020

- de akte uitlating producties van Movir.

1.2.

Vervolgens is opnieuw vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

Kosten van medisch, arbeidsdeskundig en andersoortig onderzoek

2.1.

De enige kwestie die na de voorgaande tussenvonnissen nog voorligt, is de vraag of vanaf de schade-aangifte op 25 augustus 2009 al sprake was van schending van de mededelingsplicht door [verweerder] . De rechtbank heeft overwogen dat als komt vast te staan dat [verweerder] pas in de loop van de behandeling van de schade-aangifte onjuist is gaan verklaren, alleen de daarna gemaakte kosten nodeloos zijn gemaakt door Movir (tussenvonnis 8 januari 2020, r.o. 2.9). Movir heeft betoogd dat [verweerder] al vanaf de schade-aangifte zijn mededelingsplicht heeft geschonden. Zij heeft daarbij verwezen naar een overzicht van de Koninklijke Nederlandse Hippische Sportfederatie (KNHS) dat deel uitmaakt van productie 26 bij procesinleiding en waaruit volgens Movir blijkt dat [verweerder] slechts enkele dagen na de schade-aangifte heeft deelgenomen aan wedstrijden. Ter onderbouwing van zijn betwisting dat hij degene was die op het deelnemende paard zat tijdens deze wedstrijden heeft [verweerder] de producties 71 tot en met 75 in het geding gebracht. Met deze producties wil [verweerder] nader onderbouwen dat het in de paardenwereld niet ongebruikelijk is dat een ruiter start met een pas die op naam van een ander staat. De startpassen zijn niet voorzien van een foto en hoeven niet te worden getoond aan de start. Hierdoor is het eenvoudig om met andermans pas en zelfs op een ander paard dan op de pas vermeld staat, te starten. Dit gebeurt op grote schaal en op nagenoeg ieder niveau, aldus [verweerder] . Bij het tussenvonnis van 8 januari 2020 heeft de rechtbank Movir in de gelegenheid gesteld op deze producties te reageren. Movir heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt. De rechtbank overweegt naar aanleiding daarvan het volgende.

2.2.

Productie 71 van [verweerder] omvat samenvattingen van uitspraken van het Tuchtcollege van de KNHS waarbij ruiters en amazones zijn veroordeeld (onder meer) omdat zij op onjuiste startpassen aan wedstrijden hebben deelgenomen. Movir voert in haar akte uitlating producties terecht aan dat geen van deze uitspraken betrekking heeft op [verweerder] , zodat niet valt in te zien op welke grond de inhoud daarvan steun biedt aan zijn betoog dat hij niet degene was die tijdens de wedstrijden op het paard zat, maar iemand anders die met zijn startpas reed. De uitspraken onderbouwen daarentegen het standpunt van Movir, dat het niet is toegestaan om op het startbewijs van een ander te starten en dat het alleen is toegestaan te starten met een startpas op naam van de combinatie ruiter-paard.

2.3.

Als productie 72 heeft [verweerder] een foto van een oude startpas van hemzelf – dan nog genaamd [de heer X] – overgelegd. Hij wijst er daarbij op dat er geen foto van de ruiter of amazone, noch uiterlijke kenmerken worden vermeld op de startpassen van de KNHS. Zoals Movir echter terecht aanvoert, heeft deze startpas als ingangsdatum 10 mei 2012. De pas heeft dus geen betrekking op de periode waarover het hier gaat, namelijk het schenden van de mededelingsplicht door [verweerder] vanaf de schade-aangifte op 25 augustus 2009. Ook productie 72 kan dus niet dienen ter onderbouwing van het standpunt van [verweerder] .

2.4.

Productie 73 behelst een schriftelijke verklaring van [de heer Z] . Volgens [verweerder] verbleef [de heer Z] in de periode dat [verweerder] arbeidsongeschikt raakte en een arbeidsongeschiktheidsuitkering van Movir ontving, langdurig bij hem in het bedrijf. [de heer Z] trainde paarden en reed deze paarden ook regelmatig op wedstrijden, aldus [verweerder] . [de heer Z] verklaart in productie 73 dat hij in de periode dat [verweerder] lichamelijke klachten kreeg, in Nederland verbleef en dat hij van 2009 tot eind 2012 de paarden trainde en op de concoursen startte met de pas van [verweerder] . Naar het oordeel van de rechtbank kan ook aan deze productie niet de door [verweerder] gewenste waarde worden toegekend. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat [verweerder] tot aan het nemen van de akte waarbij deze productie is gevoegd nooit over [de heer Z] heeft gesproken. Ook de getuigen die tijdens het onderzoek door de politie zijn gehoord hebben de naam [de heer Z] niet genoemd. Hierbij komt dat [verweerder] zelf tijdens zijn verhoor door de politie op 25 november 2015 (gestempeld paginanummer 143 van productie 26 bij procesinleiding) heeft verklaard dat hij direct na de melding van arbeidsongeschiktheid in het begin een aantal wedstrijden heeft gereden, om zijn lichaam te testen, en dat hij tegen Movir wel heeft gezegd dat hij zijn lichaam ging testen, maar niet dat hij wedstrijden had gereden. Deze verklaring strookt niet met het standpunt dat [verweerder] in deze procedure heeft ingenomen, namelijk dat hij Movir wel degelijk heeft gemeld dat hij weleens wedstrijden reed. De overgelegde verklaring van [de heer Z] kan hieraan niet toe- of afdoen.

2.5.

De producties 74 en 75 omvatten een aantal foto’s van ruiters te paard in actie. Volgens [verweerder] staat hij zelf op de foto’s in productie 74 en is [de heer Z] de ruiter op de foto’s in productie 75. Volgens [verweerder] is de uiterlijke gelijkenis tussen hen beiden groot. Movir betwist dat [verweerder] en/of [de heer Z] op één van de foto’s is te zien. Zij voert terecht aan dat de foto’s van matige kwaliteit zijn en dat een duidelijke foto van [de heer Z] ontbreekt, zodat iedere vergelijking voor haar en de rechtbank onmogelijk is. Verder betwist Movir dat de foto’s zien op de periode waarover het in deze zaak gaat, nu een datering geheel ontbreekt. Op de laatste foto in productie 75 zijn bovendien Italiaanstalige tekstborden in beeld, waaruit zou kunnen worden opgemaakt dat de foto is gemaakt op een wedstrijd in Italië, aldus Movir. Deze constateringen van Movir zijn juist. Gelet hierop voert Movir dan ook terecht aan dat de foto’s niets zeggen over de wedstrijden in Nederland in 2009 die staan vermeld op het startschema dat zij heeft overgelegd als onderdeel van het proces-verbaal van politie (de meergenoemde productie 26 bij procesinleiding). De foto’s kunnen dus niet dienen als onderbouwing van het betoog van [verweerder] .

2.6.

De slotsom luidt dan ook dat geen van de producties 71 tot en met 75 van [verweerder] steun biedt aan diens betwisting dat hij degene was die op het deelnemende paard reed vanaf de schade-aangifte op 25 augustus 2009. Daarom houdt de rechtbank het ervoor dat vanaf de schade-aangifte op 25 augustus 2009 al sprake was van schending van de mededelingsplicht door [verweerder] . Hieruit volgt dat alle door Movir gemaakte kosten van medisch, arbeidsdeskundig en andersoortig onderzoek – ter hoogte van in totaal € 16.338,41 – nodeloos door haar zijn gemaakt. Deze kosten betreffen dan ook schade voor Movir. Haar vordering, die strekt tot vergoeding van deze schade door [verweerder] , is toewijsbaar.

Slotoverwegingen

2.7.

Hetgeen de rechtbank in de tussenvonnissen van 11 oktober 2019 en 8 januari 2020 en in dit vonnis heeft overwogen en beslist, komt in het kort op het volgende neer.

 [verweerder] heeft zijn mededelingsplicht geschonden door niet aan Movir te melden dat hij heeft gewerkt in diverse periodes waarin hij zich volledig arbeidsongeschikt had gemeld (tussenvonnis 11 oktober 2019, r.o. 4.12).

 [verweerder] heeft de betreffende informatie bewust verzwegen en heeft Movir opzettelijk willen misleiden (tussenvonnis 11 oktober 2019, r.o. 4.13).

 Movir is hierdoor onvoldoende in staat gesteld om het recht op uitkering op juiste gronden vast te stellen en zij is dus in haar redelijk belang geschaad, met als gevolg het verval van het recht op uitkering op grond van artikel 7:941 lid 5 BW in verbinding met artikel 6.1 lid 3 van de polisvoorwaarden (tussenvonnis 11 oktober 2019, r.o. 4.16).

 Movir heeft de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen gelet hierop zonder rechtsgrond en dus onverschuldigd aan [verweerder] betaald. Het gaat om een bedrag van in totaal € 182.147,34 (bruto). Voor zover de vordering van Movir strekt tot terugbetaling van dit bedrag, is zij toewijsbaar (tussenvonnis 11 oktober 2019, r.o. 4.17-4.18).

 Ook het recht op premievrijstelling is vervallen. [verweerder] zal de achterstallige premies moeten voldoen (tussenvonnis 11 oktober 2019, r.o. 4.19). De daartoe strekkende vordering – ter hoogte van € 21.064,75 – is toewijsbaar (tussenvonnis 8 januari 2020, r.o. 2.4).

 [verweerder] heeft niet of onvoldoende gemotiveerd betwist dat Movir de kosten van medisch, arbeidsdeskundig en andersoortig onderzoek ter hoogte van in totaal € 16.338,41, zoals vermeld op haar productie 58, heeft betaald of vergoed, zodat vast staat dat Movir dit heeft gedaan (tussenvonnis 8 januari 2020, r.o. 2.8).

 Vanaf de schade-aangifte op 25 augustus 2009 was al sprake van schending van de mededelingsplicht door [verweerder] . Movir heeft dus alle kosten van medisch, arbeidsdeskundig en andersoortig onderzoek nodeloos gemaakt. Haar vordering, die strekt tot vergoeding van deze kosten ter hoogte van in totaal € 16.338,41, is dan ook toewijsbaar (dit vonnis, r.o. 2.6).

2.8.

De rechtbank zal gelet hierop de vordering van Movir tot betaling door [verweerder] aan haar van € 219.550,50 (€ 182.147,34 + € 21.064,75 + € 16.338,41) toewijzen. Voor matiging van het toewijsbare bedrag, zoals door [verweerder] verzocht, ziet de rechtbank geen aanleiding. [verweerder] heeft in dit verband, bezien in het licht van al hetgeen Movir heeft aangevoerd, onvoldoende onderbouwd dat Movir een onduidelijk beleid heeft gevoerd tijdens de arbeidsongeschiktheid van [verweerder] en dat Movir vage, weinig concrete afspraken met [verweerder] heeft gemaakt. Aan dit betoog van [verweerder] gaat de rechtbank daarom voorbij. Ook de door [verweerder] aangevoerde omstandigheid dat hij een zeer beperkte financiële draagkracht heeft leidt, wat daarvan verder ook zij, niet tot het oordeel dat het toewijsbare bedrag zou moeten worden gematigd. [verweerder] heeft Movir opzettelijk misleid en de financiële consequenties daarvan zal hij zelf moeten dragen.

2.9.

De rechtbank zal de wettelijke rente als onweersproken toewijzen vanaf de data waarop de diverse deelbetalingen waaruit het totaalbedrag is opgebouwd door Movir aan [verweerder] en derden zijn gedaan tot de dag van de algehele voldoening.

2.10.

Movir vordert [verweerder] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op € 963,83 voor verschotten en € 2.402,00 voor salaris advocaat (1 rekest × € 2.402,00), tezamen € 3.365,83.

2.11.

[verweerder] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten dragen. De rechtbank begroot deze kosten aan de kant van Movir volgens het standaardtarief op:

- betekening oproeping € 103,68

- griffierecht 3.391,00 (exclusief beslag)

- salaris advocaat 7.206,00 (3,0 punten × tarief € 2.402,00)

Totaal € 10.700,68

2.12.

De gevorderde nakosten en de wettelijke rente daarover zijn toewijsbaar als vermeld onder de beslissing.

2.13.

Naar het oordeel van de rechtbank is er rechtens geen grond om het vonnis – zoals [verweerder] verzoekt – niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De maatstaf voor het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van een vonnis is of het belang van degene die een toewijzend vonnis – met veroordeling van de wederpartij – verkrijgt, zwaarder weegt dan het belang van de wederpartij die mogelijk in hoger beroep wil gaan en belang heeft bij behoud van de bestaande toestand tot op het rechtsmiddel is beslist. Aan de door [verweerder] aangevoerde omstandigheid dat zijn financiële draagkracht beperkt is, komt naar het oordeel van de rechtbank minder gewicht toe dan aan het belang van Movir om niet langer te hoeven wachten op hetgeen haar – althans voorshands na een volledig en afgesloten onderzoek in eerste aanleg – toekomt. Dit geldt te meer daar het hier gaat om opzettelijke misleiding van Movir door [verweerder] . Voornoemde belangenafweging moet dan ook in het voordeel van Movir worden beslist.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

veroordeelt [verweerder] om aan Movir te betalen een bedrag van € 219.550,50 (tweehonderdnegentienduizendvijfhonderdvijftig euro en vijftig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag vanaf de data waarop de diverse deelbetalingen waaruit het totaalbedrag is opgebouwd door Movir aan [verweerder] en derden zijn gedaan, tot de dag van volledige betaling,

3.2.

veroordeelt [verweerder] in de beslagkosten, tot op heden begroot op € 3.365,83,

3.3.

veroordeelt [verweerder] in de proceskosten, aan de zijde van Movir tot op heden begroot op € 10.700,68,

3.4.

veroordeelt [verweerder] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [verweerder] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

3.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.M. Strens-Meulemeester en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2020.

JE/St