Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:1098

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
18-02-2020
Datum publicatie
21-02-2020
Zaaknummer
05/132891-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte veroordeeld voor het ongevraagd toesturen van naaktfoto’s van zichzelf en van een ander en filmpjes aan minderjarige slachtoffers uit hetzelfde dorp.

Taakstraf voor de duur van 80 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/132891-19

Datum uitspraak : 18 februari 2020

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1959 te [geboorteplaats] , wonende aan de [adres] ,

raadsvrouw: mr. I.E. Leenhouwers, advocaat te Amsterdam.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 4 februari 2020.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 13 augustus 2018 tot en met 4 januari 2019 te Zoelen, gemeente Buren, in elk geval in Nederland, meermalen, één of meer afbeeldingen en/of filmpjes waarvan de vertoning schadelijk is te achten voor personen beneden de leeftijd van zestien jaar heeft verstrekt en/of aangeboden en/of vertoond aan de minderjarige [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2004, van wie verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze jonger was dan zestien jaar, hebbende verdachte meerdere afbeeldingen van zijn ontblote lichaam en/of zijn en/of andermans geslachtsdeel en/of van het oraal bevredigen van een man door een vrouw en/of filmpjes waarop een ontblote penis is te zien en/of waarop seksuele gemeenschap tussen een man en een vrouw is te zien, aan die [slachtoffer 1] verzonden;

2.
hij op of omstreeks 7 maart 2018 te Zoelen, gemeente Buren, in elk geval in Nederland, een afbeelding waarop hij, verdachte, met ontbloot onderlichaam en/of geslachtsdeel is
afgebeeld, aan [slachtoffer 2] , anders dan op haar verzoek, heeft toegezonden via Facebook Messenger, althans via een chatprogramma, terwijl hij wist of (een) ernstige reden(en) had om te
vermoeden dat die afbeelding/foto aanstotelijk voor de eerbaarheid was.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 en 2 tenlastegelegde.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft zich, gelijk aan de inhoud van een aan de rechtbank overgelegde pleitnota, op het standpunt gesteld dat verdachte – kort gezegd – dient te worden vrijgesproken van beide tenlastegelegde feiten.

Wat betreft het onder 1 tenlastegelegde heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de afbeeldingen en de filmpjes die verdachte aan aangeefster [slachtoffer 1] heeft toegezonden, in algemene zin ‘schadelijk te achten zijn voor jongeren beneden de 16 jaar’.

Wat betreft het onder 2 tenlastegelegde heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de afbeelding die verdachte aan aangeefster [slachtoffer 2] heeft toegezonden ‘aanstotelijk voor de eerbaarheid’ is als bedoeld in artikel 240 van het Wetboek van Strafrecht.

Beoordeling door de rechtbank

Vaststaat dat verdachte in Zoelen op 7 maart 2018 aan C. [slachtoffer 2] en in de periode van 13 augustus 2018 tot en met 4 januari 2019 meermalen aan [slachtoffer 1] afbeeldingen heeft verstrekt en aangeboden waarop het ontblote lichaam van verdachte, zijn en andermans geslachtsdeel en het oraal bevredigen van een man door een vrouw, te zien zijn. Ook heeft verdachte filmpjes aan [slachtoffer 1] verstrekt en aangeboden waarop een ontblote penis en seksuele gemeenschap tussen een man en een vrouw te zien zijn.2

Vast staat ook dat verdachte op het moment van versturen van de afbeeldingen en filmpjes aan [slachtoffer 1] wist dat ze jonger was dan 16 jaar.3

Feit 1

Schadelijk te achten voor jongeren beneden de 16 jaar

Namens verdachte is aangevoerd dat de vertoning van de ongewenst toegestuurde afbeeldingen waarop verdachte of een ander zijn afgebeeld met ontbloot lichaam en geslachtsdeel of waarop het oraal bevredigen van een man door een vrouw te zien is, en filmpjes waarop een ontblote penis en seksuele gemeenschap tussen een man en een vrouw te zien zijn, niet schadelijk is te achten voor jongeren beneden de 16 jaar, als bedoeld in artikel 240a van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank overweegt hierover het volgende.

Aangeefster [slachtoffer 1] heeft verklaard dat ze contact met verdachte had doordat ze een van de pieten was tijdens de sinterklaasviering waar verdachte sinterklaas speelde, maar dat sinds december 2018 de inhoud van de berichten veranderde. Vanaf die tijd stuurde verdachte haar steeds meer seksueel getinte foto’s, namelijk naaktfoto’s van zichzelf. Bij sommige berichten stond dat aangeefster de foto direct moest verwijderen. Verdachte stuurde haar 13 seksueel getinte foto’s in de periode van december 2018 tot en met januari 2019.4

Een verbalisant heeft het Facebook Messenger gesprek tussen aangeefster [slachtoffer 1] en verdachte bekeken. Het Messenger gesprek begon op 27 november 2017 en eindigde op 16 januari 2019. Verbalisant zag dat er verschillende foto’s en filmpjes door verdachte zijn gestuurd naar aangeefster [slachtoffer 1] . De verbalisant geeft de volgende beschrijvingen:

- 13-08-2018, 23.53 uur: verdachte stuurt naar aangeefster [slachtoffer 1] een foto van een naakt lichaam zonder hoofd, het bovenste deel van de schaamstreek is te zien. Verdachte zegt in de chat over de foto dat hij er een stuk heeft afgeknipt omdat hij geen zwembroek aan had. Hij vraagt [slachtoffer 1] de foto te verwijderen;

- 20-08-2018, 10.51 uur: verdachte chat dat hij naakt in slaap is gevallen op de bank en dat [naam 1] daar een foto van heeft gemaakt. Verdachte vraagt [slachtoffer 1] of zij de foto wil zien. [slachtoffer 1] reageert niet. Om 10.54 uur verstuurt verdachte een foto waarop een naakte man te zien is die ogenschijnlijk ligt te slapen op de bank. Het geslachtsdeel van de man is zichtbaar. Direct hierna vraagt verdachte via een Chatbericht aan [slachtoffer 1] de foto te verwijderen;

- tussen 20-08-2018 en 01-09-2018 vraagt verdachte meerdere malen of [slachtoffer 1] een foto wil zien. [slachtoffer 1] reageert niet op deze vragen. Op 01-09-2018 stuurt verdachte om 19.19 uur een foto van een naakte man. Op de foto zijn een blote buik, armen en een deel van de heupen te zien;

- [slachtoffer 1] geeft op 03-09-2018 aan dat ze het soms een beetje raar vind om de foto's te ontvangen. Verdachte geeft hierop aan dat hij haar met rust zal laten;

- 07-12-2018, 17.34 uur en 17.42 uur; verdachte stuurt twee naaktfoto’s van zichzelf. Op de eerste foto is een man te zien met blote buik, op de tweede foto is het geslachtsdeel van de man ook te zien. Verbalisant herkent de man op de foto’s als verdachte;

- 07-12-2018, 20.10; verdachte stuurt naar [slachtoffer 1] een foto van zichzelf met blote borst en een kerstmuts op. Om 23.18 uur en 23.20 uur stuurt verdachte twee naaktfoto’s van zichzelf waarbij ook zijn geslachtsdeel te zien is;

- 08-12-2018, 10.29 uur; verdachte stuurt een foto van zichzelf met kerstbovenkleding aan en naakt onderlichaam. Hij zit wijdbeens waardoor zijn geslachtsdeel prominent in beeld is;

- 08-12-2018 10.33 uur; verdachte stuurt een soortgelijke foto naar [slachtoffer 1] met alleen een kerstmuts op. De positie van verdachte is hetzelfde;

- 09-12-2018, 10.38 uur; verdachte stuurt een filmpje naar [slachtoffer 1] van een man in een trein die zijn geslachtsdeel uit zijn broek haalt en daaraan zit;

- 10-12-2018; verdachte stuurt een filmpje naar [slachtoffer 1] van een volwassen man en vrouw die gemeenschap hebben. [slachtoffer 1] geeft hierop aan dat ze het vies vindt;

- 12-12-2018, 16.51 uur; verdachte stuurt [slachtoffer 1] een naaktfoto van een man;

- 12-12-2018, 18.34 uur; verdachte stuurt een foto naar getuige [slachtoffer 1] met de berichten "ik heb er nog wel 1 voor de verzameling" en "pas op dat je ouders de foto niet zien." Op de foto is een man te zien bij wie zijn geslachtsdeel deels in erectie door de gulp naar buiten steekt;

- 14-12-2018, 23.59 uur; verdachte stuurt een foto van het geslachtsdeel van een man in erectie;

- 18-12-2018, 14.45 uur; verdachte stuurt een naaktfoto naar [slachtoffer 1] ;

- 19-12-2018, 18.50 uur; verdachte stuurt een hele donkere naaktfoto waar een deel van zijn gezicht op zichtbaar is;

- 19-12-2018, 18.51 uur; verdachte stuurt dezelfde foto maar dan lichter;

- 20-12-2018, 15.20 uur; verdachte stuurt een naaktfoto van zichzelf;

- 22-12-2018, 08.53 uur; verdachte stuurt een foto met mannelijk geslachtsdeel duidelijk zichtbaar;

- 22-12-2018, 09.08 uur; verdachte stuurt een filmpje waarop hij naakt loopt;

- 28-12-2018, 08.37 en 08.51 uur; verdachte stuurt 2 keer dezelfde naaktfoto van een man. De manspersoon zit wijdbeens en het geslachtsdeel is prominent in beeld;

- 31-12-2018, 08.28 uur; verdachte stuurt dezelfde foto als op 28-12-2018;

- 04-01-2019; verdachte stuurt een foto van een vrouw die een man pijpt. Verdachte chat daarbij dat [slachtoffer 1] de personen op de foto mogelijk kent.5

Het valt de verbalisant op dat verdachte in de chatberichten meerdere malen aan aangeefster vraagt of ze wel eens iemand gepijpt heeft, gevoeld heeft bij iemand of zichzelf wel eens gevingerd heeft. Ook vraagt verdachte of [slachtoffer 1] zichzelf scheert en of zij wel eens een jongen heeft afgetrokken.6

Het schadelijkheidscriterium in artikel 240a van het Wetboek van Strafrecht moet objectief worden uitgelegd. Er moet dus worden gekeken of redelijkerwijs te verwachten is dat het materiaal schadelijk is voor personen beneden de leeftijd van 16 jaar. De wetgever heeft met het artikel bedoeld om personen onder de 16 jaar te beschermen tegen ongewenste beïnvloeding die het gevolg kan zijn van confrontatie met beelden van seksuele aard.

De rechtbank stelt vast dat aangeefster op het moment van het ontvangen van de afbeeldingen en filmpjes 13 jaar was en de leeftijd van 16 jaar dus nog niet had bereikt. Daarmee valt zij onder de leeftijdsgroep als bedoeld in artikel 240a van het Wetboek van Strafrecht. Tevens stelt de rechtbank vast dat de door verdachte verzonden afbeeldingen van zijn ontblote lichaam en zijn en andermans geslachtsdeel en van het oraal bevredigen van een man door een vrouw, als ook filmpjes waarop een ontblote penis en seksuele gemeenschap tussen een man en een vrouw te zien is, beelden zijn van seksuele aard en ook een seksuele lading hebben. De rechtbank heeft hierbij mede gelet op de context waarin deze afbeeldingen en filmpjes zijn verstuurd, te weten tijdens seksueel getinte Messenger gesprekken vanuit verdachte. Verdachte stelt immers seksueel gerichte vragen aan aangeefster: of ze wel eens iemand gepijpt had, wel eens gevoeld had bij iemand, wel eens zichzelf gevingerd of een jongen afgetrokken had.

De rechtbank is gezien het voorgaande van oordeel dat de door verdachte verstuurde afbeeldingen en filmpjes van zodanig expliciet seksuele aard zijn, dat vertoning daarvan aan personen beneden de leeftijd van 16 jaar een risico op schade met zich meebrengt.

De rechtbank heeft hierbij ook gelet op de provocerende wijze waarop verdachte is afgebeeld en waarbij de nadruk ligt op zijn geslachtsdeel. De rechtbank heeft daarnaast in haar oordeel betrokken het grote leeftijdsverschil tussen verdachte en aangeefster, de seksueel getinte berichten die verdachte bij de foto’s en filmpjes stuurde en het feit dat verdachte heeft aangegeven dat aangeefster niets aan haar ouders mocht laten zien.

Gelet op het voorgaande vindt de rechtbank het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Feit 2

Aanstotelijk voor de eerbaarheid

Namens verdachte is aangevoerd dat het ongewenst toesturen van een afbeelding waarop verdachte is afgebeeld met ontbloot onderlichaam en geslachtsdeel niet aanstotelijk voor de eerbaarheid is, als bedoeld in artikel 240 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank overweegt hierover het volgende.

Aangeefster [slachtoffer 2] heeft verklaard dat ze op 7 maart 2019 via Facebook Messenger een bericht van verdachte kreeg met de mededeling dat hij een ontstoken been had. Daarbij stuurde verdachte een afbeelding waarop een deel van zijn geslacht zichtbaar was. Volgens de verbalisant is op de bewuste afbeelding een been met verband en een deel van een mannelijk geslachtsorgaan zichtbaar.7

Verdachte heeft bij de politie8 bekend dat hij de hiervoor benoemde afbeelding aan aangeefster [slachtoffer 2] heeft verstuurd.

Om te beoordelen of een afbeelding aanstotelijk voor de eerbaarheid is, moet naar het oordeel van de rechtbank worden uitgegaan van de eerbaarheid als algemeen begrip zoals dat moet worden opgevat naar de hier geldende zeden welke worden bepaald door de bij een belangrijke meerderheid van het Nederlandse volk op dit punt levende opvattingen.9

Verdachte heeft aangeefster onverhoeds met een afbeelding geconfronteerd waarop een deel van zijn geslachtsdeel was te zien, zodat zij zich daaraan niet kon onttrekken. Verdachte wekte immers de suggestie dat op de afbeelding (slechts) iets anders te zien zou zijn. De rechtbank is van oordeel dat het op deze wijze sturen van een dergelijke afbeelding door een belangrijke meerderheid van het Nederlandse volk als aanstotelijk voor de hier geldende zeden moet worden opgevat. Dit wordt bevestigd door de geschokte reactie van aangeefster, haar ouders en overige personen bij de confrontatie met de bewuste afbeelding.

De rechtbank verklaart het onder 2 ten laste gelegde ook bewezen.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 13 augustus 2018 tot en met 4 januari 2019 te Zoelen, gemeente Buren, in elk geval in Nederland, meermalen, één of meer afbeeldingen en/of filmpjes waarvan de vertoning schadelijk is te achten voor personen beneden de leeftijd van zestien jaar heeft verstrekt en/of aangeboden en/of vertoond aan de minderjarige [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2004, van wie verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze jonger was dan zestien jaar, hebbende verdachte meerdere afbeeldingen van zijn ontblote lichaam en/of zijn en/of andermans geslachtsdeel en/of van het oraal bevredigen van een man door een vrouw en/of filmpjes waarop een ontblote penis is te zien en/of waarop seksuele gemeenschap tussen een man en een vrouw is te zien, aan die [slachtoffer 1] verzonden;

2.
hij op of omstreeks 7 maart 2018 te Zoelen, gemeente Buren, in elk geval in Nederland, een afbeelding waarop hij, verdachte, met ontbloot onderlichaam en/of geslachtsdeel is
afgebeeld, aan [slachtoffer 2] , anders dan op haar verzoek, heeft toegezonden via Facebook Messenger, althans via een chatprogramma, terwijl hij wist of (een) ernstige reden(en) had om te
vermoeden dat die afbeelding/foto aanstotelijk voor de eerbaarheid was.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

een afbeelding, bevattende een afbeelding waarvan de vertoning schadelijk is te achten voor personen beneden de leeftijd van zestien jaar, verstrekken/aanbieden aan een minderjarige van wie hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, dat deze jonger is dan zestien jaar, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van feit 2:

wetende dat of ernstige reden hebbende om te vermoeden dat een afbeelding aanstotelijk is voor de eerbaarheid en die afbeelding aan iemand, anders dan op diens verzoek, toezenden.

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte voor het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf voor de duur van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht rekening te houden met het blanco strafblad van verdachte en met het feit dat verdachte zich direct na zijn aanhouding op vrijwillige basis heeft gemeld bij Kairos en daar onder behandeling staat. Verder moet volgens de raadsvrouw rekening worden gehouden met zijn proceshouding: verdachte weet dat hij fout gehandeld heeft en heeft daarvoor zijn excuses aangeboden aan zowel de slachtoffers en hun familie, als ook aan zijn eigen familie. Ten slotte heeft de raadsvrouw aangevoerd dat deze feiten veel negatieve gevolgen hebben gehad voor zowel verdachte als zijn gezin. De raadsvrouw is van mening dat thans sprake is van een andere (thuis- en werk)situatie en dat er geen aanwijzingen zijn voor herhalingsgevaar zodat oplegging van een voorwaardelijke straf niet noodzakelijk is. Mocht de rechtbank dit anders zien, heeft de raadsvrouw oplegging van een deels voorwaardelijke taakstraf bepleit.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel justitiële documentatie, gedateerd 2 januari 2020;

- een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, gedateerd 21 januari 2020.

Verdachte heeft als volwassen man in een periode van 5 maanden tijd via Facebook Messenger meermalen ongevraagd naaktfoto’s van zichzelf en een ander aan de destijds 13-jarige [slachtoffer 1] gestuurd, terwijl zij meermalen had aangegeven daarvan niet gediend te zijn. Ook heeft hij haar filmpjes gestuurd van seks tussen een man en een vrouw. Confrontatie met dergelijke afbeeldingen en filmpjes kunnen schadelijk zijn voor de ontwikkeling van jeugdigen en zij dienen hiertegen beschermd te worden. Blijkens het schadeonderbouwingsformulier wist [slachtoffer 1] zich geen raad met de afbeeldingen die verdachte haar stuurde en met haar gevoelens van walging, afkeer en schaamte.

Daarnaast heeft verdachte aan [slachtoffer 2] , destijds net 18 jaar, ongevraagd een afbeelding gestuurd waarop zijn ontbloot geslachtsdeel te zien is. [slachtoffer 2] kwam regelmatig bij verdachte en zijn vrouw thuis. Zij vertrouwde verdachte en was kwaad, verward en geïntimideerd door zijn gedrag naar haar en naar andere meisjes uit het dorp.

De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij met zijn onbetamelijke gedrag de grenzen van aangeefsters heeft overschreden.

De rechtbank weegt in het voordeel van verdachte mee dat hij niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen. Verder weegt de rechtbank in zijn voordeel mee dat verdachte het verkeerde van zijn handelen inziet, dat hij erg veel spijt heeft en dat hij zich direct onder behandeling van Kairos heeft gesteld.

Voor wat betreft de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte heeft de

rechtbank onder meer gelet op voormeld reclasseringsrapport. Daaruit komt onder meer naar

voren dat verdachte zich coöperatief en sociaal vaardig heeft opgesteld en dat hij naar behoren

lijkt te functioneren op de diverse leefgebieden. Van problematisch middelengebruik dan wel

psychische problematiek lijkt geen sprake. Verdachte heeft zich op vrijwillige basis aangemeld

bij Kairos en is ruim een jaar in behandeling geweest. De behandeling bevindt zich in een

afrondende fase. Reclasseringstoezicht en een behandelverplichting wordt daarom niet

geadviseerd.

Alles in aanmerking nemend kan de rechtbank zich vinden in de eis van de officier van justitie

en komt zij tot oplegging van een taakstraf voor de duur van 80 uur, subsidiair 40 dagen

hechtenis. Gelet op het gegeven dat de rechtbank de feiten onnavolgbaar en zorgelijk acht,

verdachte er zelf – ondanks zijn behandeling – geen plausibele verklaring voor heeft en niet kan

benoemen waarom soortgelijke feiten niet meer zullen voorkomen, vindt de rechtbank

daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden. Met dit voorwaardelijk deel

wordt beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw soortgelijke strafbare feiten te plegen en

de ernst van de feiten tot uitdrukking te brengen. De rechtbank zal de proeftijd op 3 jaar stellen.

7a. De beoordeling van de civiele vorderingen, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde [naam 2] heeft zich namens [slachtoffer 1] in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 90,- aan materiële schade en een bedrag van € 1.500,- aan immateriële schade.

De benadeelde [slachtoffer 2] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 90,38 aan materiële schade en een bedrag van € 500,- aan immateriële schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geadviseerd beide vorderingen toe te wijzen tot de gevorderde bedragen. De officier van justitie heeft daarbij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel op basis van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht gevorderd, net als toewijzing van de wettelijke rente.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair ten aanzien van beide vorderingen gesteld dat deze bij vrijspraak moeten worden afgewezen. Subsidiair heeft de raadsvrouw ten aanzien van beide vorderingen aangevoerd dat de posten immateriële schade onvoldoende zijn onderbouwd, zodat dit deel van de vorderingen afgewezen zou moeten worden. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat onvoldoende is onderbouwd dat sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld en dat de benadeelden tevens niet voldoende concrete gegevens hebben aangevoerd waaruit kan volgen dat een psychische beschadiging is ontstaan.

Beoordeling door de rechtbank

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 1]

Materiële schadevergoeding

Er is niet weersproken dat de benadeelde partij, zoals deze heeft gesteld, als gevolg van het bewezen verklaarde handelen materiële schade heeft geleden. De vordering komt de rechtbank niet ongegrond of onrechtmatig voor. De rechtbank zal de reiskosten voor wat betreft de bezoeken aan het politiebureau, aan Bureau Slachtofferhulp en aan de officier van justitie toewijzen tot het gevorderde bedrag van € 42,90. De met het bijwonen van de zitting gemoeide reiskosten van € 47,10 zullen worden toegewezen als proceskostenvergoeding.

Immateriële schadevergoeding

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade is naar het oordeel van de rechtbank, tegen de achtergrond van de ernst en aard van het feit – waarbij de rechtbank met name betrekt de jonge leeftijd van de benadeelde partij en de aard en frequentie van de door verdachte gestuurde afbeeldingen en filmpjes – sprake van aantasting van haar persoon en zijn voldoende concrete gegevens aangevoerd die een vergoeding van immateriële schade rechtvaardigen. De rechtbank slaat hierbij acht op de inhoud van het schade-onderbouwingsformulier en de daarbij geschetste gevolgen van het feit voor de benadeelde. Gebleken is dat de benadeelde, een jaar na dato, nog steeds gevoelens van (psychisch) onbegrip en wantrouwen ondervindt, dat zij zich onzeker voelt in contacten met anderen en ondersteuning heeft van een schoolpsycholoog. Daarmee heeft de benadeelde partij naar het oordeel van de rechtbank voldoende gesteld dat sprake is van een aantasting van de persoon als bedoeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek.

De benadeelde partij heeft voldoende onderbouwd dat in ieder geval tot een bedrag van

€ 750,- immateriële schade is geleden. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het overige deel van de vordering ter zake van vergoeding van immateriële schade.

Totale schadevergoeding

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en dat wat verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde schade heeft geleden tot een totaalbedrag van € 792,90 waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vordering is in zoverre voor toewijzing vatbaar.

Wettelijke rente

De gevorderde wettelijke rente is met betrekking tot de materiële schadevergoeding toewijsbaar vanaf 30 januari 2020, te weten de dag waarop het eerste gesprek met Bureau Slachtofferhulp heeft plaatsgevonden, tot aan de dag van volledig voldoening. De gevorderde wettelijke rente is met betrekking tot de immateriële schadevergoeding toewijsbaar vanaf 13 augustus 2018 tot aan de dag van volledige voldoening.

Schadevergoedingsmaatregel

Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van een som geld ten behoeve van voornoemde benadeelde partij.

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 2]

Materiële schadevergoeding

Er is niet weersproken dat de benadeelde partij, zoals deze heeft gesteld, als gevolg van het bewezen verklaarde handelen materiële schade heeft geleden. De vordering komt de rechtbank niet ongegrond of onrechtmatig voor. De rechtbank zal de reiskosten voor wat betreft de bezoeken aan het politiebureau, aan Bureau Slachtofferhulp en aan de officier van justitie toewijzen tot het gevorderde bedrag van € 43,23. De met het bijwonen van de zitting gemoeide reiskosten van € 47,15 zullen worden toegewezen als proceskostenvergoeding.

Immateriële schadevergoeding

De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk verklaard worden in haar vordering ten aanzien van de immateriële schade, aangezien de vordering naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende is onderbouwd. Over de gevolgen die het strafbare feit voor de benadeelde partij heeft gehad, heeft zij gesteld dat zij het gedrag van verdachte als respectloos heeft ervaren en daarover boos en verward was. Daarmee heeft de benadeelde partij naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gesteld en onderbouwd dat sprake is van een aantasting in de persoon op zoals bedoeld in art. 6:106 BW. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in zoverre in haar vordering niet-ontvankelijk is. De benadeelde partij kan haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Totale schadevergoeding

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde schade heeft geleden tot een totaalbedrag van € 47,15 waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vordering is in zoverre voor toewijzing vatbaar. Voor het overige deel zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.

Wettelijke rente

De gevorderde wettelijke rente is met betrekking tot de materiële schadevergoeding toewijsbaar vanaf 30 januari 2020, te weten de dag waarop het eerste gesprek met Bureau Slachtofferhulp heeft plaatsgevonden, tot aan de dag van volledig voldoening.

Schadevergoedingsmaatregel

Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van een som geld ten behoeve van voornoemde benadeelde partij.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 240 en 240a van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken;

 bepaalt, dat deze gevangenisstraf, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarde(n) voor het einde van de proeftijd die op 3 (drie) jaren wordt bepaald;

 dat de veroordeelde zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

 een taakstraf gedurende 80 (tachtig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 40 dagen.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .

 veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] , van een bedrag van € 792,90 (zevenhonderd tweeënnegentig euro en negentig cent), vermeerderd met de wettelijke rente over € 42,90 (tweeënveertig euro en negentig cent) vanaf 30 januari 2020 en over € 750,- (zevenhonderd en vijftig euro) vanaf 13 augustus 2018, steeds tot aan de dag der algehele voldoening met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op € 47,10 (zevenenveertig euro en tien cent);

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd een bedrag te betalen van € 792,90 (zevenhonderd tweeënnegentig euro en negentig cent), vermeerderd met de wettelijke rente over

€ 42,90 (tweeënveertig euro en negentig cent) vanaf 30 januari 2020 en over € 750,- (zevenhonderd en vijftig euro) vanaf 13 augustus 2018, steeds tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 15 (vijftien) dagen gijzeling zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] .

 veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij

[slachtoffer 2] , van een bedrag van € 43,23 (drieënveertig euro en drieëntwintig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 januari 2020 tot de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op € 47,15 (zevenenveertig euro en vijftien cent);

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd een bedrag te betalen van € 43,23 (drieënveertig euro en drieëntwintig cent, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 januari 2020, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 1 (één) dag gijzeling zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.H.M. Pastoors, voorzitter, mr. T. Bertens en mr. A. Erades, rechters, in tegenwoordigheid van E. Vriezekolk, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 18 februari 2020.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost Nederland, Dienst Regionale Recherche, afdeling thematische opsporing, team zeden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 2019164857, gesloten op 29 mei 2019 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] , pag. 78-81, proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2] , pag. 90-95, proces-verbaal van bevindingen, p. 50, vijfde en zesde alinea en proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 4 februari 2020.

3 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, pag. 11 en verklaring verdachte ter terechtzitting op 4 februari 2020.

4 Proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer 1] , pag. 78-81.

5 Proces-verbaal van bevindingen, pag. 49-51

6 Proces-verbaal van bevindingen, pag. 51.

7 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2] , pag. 90-95.

8 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, pag. 10-17.

9 Hoge Raad 19 november 1974, LJN AB5332.