Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:1049

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
18-02-2020
Datum publicatie
25-03-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 1936
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2020:5689, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

IB/PVV 2014. Verzoek ambtshalve vermindering.

Eiser heeft de inspecteur te vroeg in gebreke gesteld. Het beroep tegen niet tijdig beslissen is daarom niet-ontvankelijk. Na de instelling van het beroep heeft de inspecteur alsnog beslist op het verzoek en dit afgewezen. Het beroep richt zich van rechtswege ook tegen die afwijzing. Eiser heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur had dit moeten doorzenden als beroep, maar heeft uitspraak op bezwaar gedaan. De rechtbank betrekt ook die uitspraak op bezwaar in de beoordeling.

Eiser baseert zijn verzoek op een brief van het UWV, die hij verkeerd heeft begrepen. Er is geen grond voor vermindering van het inkomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 25-03-2020
V-N Vandaag 2020/744
FutD 2020-1036
NTFR 2020/906
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 19/1936

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van

in de zaak tussen

[X] , te [woonplaats] , eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Arnhem, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft met dagtekening 22 januari 2016 een voorlopige aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV 2014) met aanslagnummer [XX] .H.4004 aan eiser opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 24.436.

Verweerder heeft op 11 maart 2016 de definitieve aanslag IB/PVV 2014 vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 24.436.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 25 mei 2016 het bezwaar daartegen ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij uitspraak van 2 juni 2017 het beroep daartegen ongegrond verklaard.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft het hoger beroep bij uitspraak van 29 januari 2019 ongegrond verklaard.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep op 20 september 2019 ongegrond verklaard.

Eiser heeft op 1 februari 2019 verzocht om ambtshalve vermindering van de belastingaanslag(en) en uit te gaan van een belastbaar inkomen van € 985.

Eiser heeft op 9 april 2019 digitaal beroep ingesteld tegen het niet (tijdig) beslissen op het verzoek door verweerder.

Verweerder heeft met dagtekening 19 april 2019 beslist op het verzoek en dit verzoek afgewezen.

Eiser heeft daartegen op 10 mei 2019 bezwaar gemaakt. Verweerder heeft dat bezwaar bij uitspraak op bezwaar van 26 juni 2019 ongegrond verklaard.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2020.

Eiser is daar, met kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. Namens verweerder zijn [persoon A] en [persoon B] verschenen.

Overwegingen

1. Eiser heeft verzocht om een ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2014. Dit verzoek dient te worden opgevat als een verzoek om vermindering van de definitieve aanslag, omdat dit de laatst vastgestelde belastingaanslag is. De reden voor zijn verzoek is dat eiser van mening is dat zijn inkomen te hoog is vastgesteld. Hij heeft ter onderbouwing van die stelling verwezen naar een brief van het UWV van 13 juli 2018.

2. Een afwijzing van een dergelijk verzoek vindt plaats bij voor bezwaar vatbare beschikking. Eiser heeft zijn verzoek op 1 februari 2019 gedaan. Op grond van artikel 4:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is de beslistermijn in beginsel acht weken. Deze eindigde dus op 29 maart 2019. Op 21 maart 2019 heeft eiser een e-mail aan verweerder gestuurd met het verzoek binnen twee weken te beslissen. Omdat verweerder dat niet heeft gedaan, heeft eiser op 9 april 2019 beroep ingesteld.

3. Op grond van artikel 6:12 van de Awb kan beroep worden ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit zodra het bestuursorgaan in gebreke is en twee weken zijn verstreken na de dag waarop het bestuursorgaan schriftelijk is meegedeeld dat het in gebreke is.

4. Op 21 maart 2019 was de beslistermijn nog niet verstreken. De e-mail van eiser kan alleen al om die reden niet als ingebrekestelling worden aangemerkt. Er kan namelijk niet in gebreke worden gesteld voordat de beslistermijn is verstreken. Het beroep tegen het niet-tijdig beslissen is daarom niet-ontvankelijk. Volledigheidshalve merkt de rechtbank op dat dit betekent dat verweerder ook geen dwangsom verschuldigd is geworden.

5. Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb heeft het beroep automatisch ook betrekking op de afwijzing van 19 april 2019. Verweerder had het daartegen gerichte bezwaar moeten doorsturen aan de rechtbank, omdat niet eerst alsnog bezwaar hoefde te worden gemaakt. Verweerder heeft in plaats daarvan beslist op het bezwaar. De rechtbank ziet daarin aanleiding ook die uitspraak op bezwaar met toepassing van artikel 6:20, derde lid, van de Awb in de beoordeling van het beroep te betrekken.

6. Een ambtshalve vermindering van een belastingaanslag vindt plaats op de voet van artikel 9.6 van de Wet IB 2001. Daarvoor moet sprake zijn van een onjuistheid. Eiser heeft zijn verzoek onderbouwd met een verwijzing naar de brief van het UWV van 13 juli 2018. Eiser heeft die brief echter niet goed geïnterpreteerd.

7. Eiser heeft in eerste instantie een WW-uitkering ontvangen over de periode 1 april 2008 tot 6 november 2011. Nadat eiser hiertegen bezwaar heeft gemaakt, is dit gecorrigeerd. Eiser had van 1 april 2008 tot 26 augustus 2009 recht op een ZW-uitkering en vanaf dat moment tot 29 juli 2012 recht op een WW-uitkering. De periode waarover de WW-uitkering liep werd dus korter en dus had eiser € 14.718,63 te veel WW ontvangen, maar daar stond tegenover dat hij over de periode 1 april 2008 tot 26 augustus 2009 recht had op een ZW-uitkering. Hierover hebben verrekeningen plaatsgevonden. Omdat die verrekeningen pas achteraf plaatsvonden, was het feitelijk in de jaren 2008 tot en met 2014 genoten inkomen niet gelijk aan de bedragen waarop eiser achteraf bezien recht had. Dit had ook fiscale gevolgen. Hierover heeft eiser al verschillende procedures gevolgd.

8. In de brief van 13 juli 2018 heeft het UWV uitgerekend wat het gevolg voor de IB/PVV over de jaren vanaf 2008 was doordat bedragen in andere jaren zijn betaald dan had gemoeten en doordat die bedragen in de jaren van betaling tot het belastbaar inkomen zijn gerekend in plaats van in de jaren waarin ze eigenlijk betaald hadden moeten worden.

9. Het UWV vermeldt dat over 2014 feitelijk € 24.436 is ontvangen. Dat heeft te maken met nabetalingen die eigenlijk betrekking hadden op eerdere jaren. Als die nabetalingen buiten beschouwing waren gebleven, was het belastbaar inkomen van eiser in 2014 € 985 geweest, maar in eerdere jaren zou het belastbaar inkomen dan hoger zijn geweest. Het UWV stelt daarmee niet dat € 985 het belastbaar inkomen had moeten zijn, maar heeft alleen uitgerekend wat het verschil voor de inkomstenbelasting was. Over de jaren 2008 tot en met 2013 zijn vergelijkbare berekeningen gemaakt om uit te rekenen wat eiser heeft ontvangen, wat hij had moeten ontvangen en wat het verschil voor de belastingheffing is. Per saldo heeft de nabetaling geleid tot een belastingnadeel voor eiser over de jaren 2008 tot en met 2014. Dat bedrag heeft het UWV aan hem in de vorm van schadevergoeding uitbetaald.

10. Het UWV is voor de berekening van de schade over 2014 uitgegaan van een belastbaar inkomen van € 24.436. De belasting hierover (verminderd met de belasting over € 985) is als schade vergoed. Daarom is er geen aanleiding het inkomen van eiser lager vast te stellen. Als het belastbaar inkomen wordt verminderd tot € 985 betaalt eiser die belasting niet, terwijl die wel is vergoed door het UWV. Dat is niet juist.

11. Inhoudelijk is het standpunt van verweerder ook juist. De betalingen in 2014 behoren tot het belastbaar inkomen in 2014. Dit is al beslist in de vorige procedure die is geëindigd met het arrest van de Hoge Raad van 20 september 2019.

12. Gelet op het voorgaande dient het beroep tegen de afwijzing van het verzoek om herziening ongegrond te worden verklaard.

13. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep tegen het niet-tijdig beslissen niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering en de desbetreffende uitspraak op bezwaar ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Eskes, rechter, in tegenwoordigheid van mr. L. Ketner, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.