Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:1040

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
18-02-2020
Datum publicatie
20-02-2020
Zaaknummer
AWB - 18 _ 118
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2021:11211, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

BPM. Voldoening op aangifte.

Bewijslastverdeling, leeftijdskorting, Kantarev.

Verlenging redelijke termijn vanwege schikkingsonderhandelingen in alle lopende BPM-zaken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 21-02-2020
FutD 2020-0574
V-N Vandaag 2020/463
V-N 2020/28.2.7
NTFR 2020/566
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 18/118

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van

in de zaak tussen

[X] , te [Q] , eiser

(gemachtigde: [A] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Doetinchem, verweerder,

en

de Staat der Nederlanden (ministerie van Justitie en Veiligheid), te Den Haag, de Staat.

Procesverloop

Eiser heeft op aangifte belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) voldaan.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 30 november 2017 het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiser heeft daartegen bij brief van 3 januari 2018, op dezelfde dag ontvangen door de rechtbank, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2019.

Namens eiser is de gemachtigde verschenen, bijgestaan door [B] , [C] , [D] en [E] . Namens verweerder zijn [F] en [G] verschenen.

Eiser heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan de rechtbank en (door tussenkomst van de griffier) aan de wederpartij. Deze wordt geacht ter zitting te zijn voorgedragen.

Na de zitting heeft de gemachtigde alsnog een correcte machtiging overgelegd. De rechtbank heeft deze toegevoegd aan het dossier maar - zoals ter zitting besproken - besloten daartoe het onderzoek niet te heropenen.

Overwegingen

Vooraf

1. De Staat heeft afgezien van het voeren van verweer (Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Stcrt. 2014, 20210).

Feiten

2. Op 19 juni 2017 heeft eiser aangifte voor de BPM gedaan ter zake van een auto van het merk en type Volkswagen Polo 1.2 Easyline (hierna: de auto). De datum van eerste toelating van de auto is 25 mei 2012. In de berekening bij de aangifte is als methode voor de bepaling van de afschrijving gekozen voor de afschrijvingstabel van artikel 8, vijfde lid, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: de Uitvoeringsregeling). Op basis van de aangifte heeft eiser € 595 BPM voldaan.

Geschil

3. In geschil is of eiser tot het juiste bedrag BPM heeft voldaan.

Beoordeling van het geschil

4. Eiser heeft aangevoerd dat hij alsnog wenst te opteren voor een koerslijst voor margeauto’s met een correctie voor ex-rentals. Hij heeft geen koerslijst overgelegd.

5. Anders dan eiser is de rechtbank van oordeel dat het op de weg van eiser ligt desgewenst een koerslijst in te brengen. Dit volgt uit het arrest Gomes Valente van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) van 22 februari 2001, zaaknr. C-393/98.1 Daarin heeft het HvJ, voor zover van belang, overwogen:

“24 Uit de in de punten 21 tot en met 23 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak volgt echter niet, dat de werkelijke waardevermindering van voertuigen alleen maar kan worden bepaald door een waardeschatting of expertise van elk exemplaar. Een lidstaat kan de omslachtigheid van een dergelijk stelsel vermijden en door middel van forfaitaire tabellen, die zijn vastgelegd in een wettelijke of bestuurlijke bepaling en berekend op basis van criteria als ouderdom, kilometerstand, staat van onderhoud, type aandrijving, merk of model van het voertuig, een waarde van gebruikte voertuigen vastleggen die in het algemeen de werkelijke waarde zeer sterk benadert.

(…)

27 Dienaangaande zijn in de procedure voor het Hof in hoofdzaak twee punten aan de orde gekomen, te weten de vraag hoe nauwkeurig de forfaitaire tabel de werkelijke waardevermindering van het voertuig weergeeft, en de mogelijkheid voor de eigenaar van een ingevoerd gebruikt voertuig om de toepassing van een op algemene criteria gebaseerde tabel op zijn voertuig aan te vechten.

(…)

31 Wat het tweede punt betreft zou kunnen worden gesteld, dat een forfaitaire tabel die weliswaar de algemene ontwikkeling van de waardevermindering van voertuigen weergeeft, maar dit slechts bij benadering doet, niettemin verenigbaar is met artikel 95 van het Verdrag, indien daarbij voor de eigenaar van een ingevoerd voertuig de mogelijkheid bestaat om de toepassing van deze tabel op zijn voertuig in rechte te betwisten.

(…)

35 De Portugese regering heeft ter terechtzitting weliswaar verklaard, dat een belastingaanslag altijd in rechte kan worden aangevochten, maar zij heeft niet kunnen aantonen dat in het stelsel van belastingheffing dat in het hoofdgeding aan de orde is, de belastingplichtige het bewijs mag leveren dat de forfaitaire tabel geen passend instrument is om de werkelijke waarde van het door hem ingevoerde gebruikte voertuig te bepalen.”

6. Het Unierecht verzet zich er niet tegen dat een betwisting van een tabel met stukken moet worden onderbouwd. Dit volgt ook uit de bewoordingen dat “de belastingplichtige het bewijs mag leveren” in overweging 35 van het hiervoor geciteerde arrest.

7. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat als gevolg van de toepassing van de tabel (in plaats van een andere methode) te veel BPM is geheven. Ter zitting heeft eiser erkend dat de aspecten btw/marge en ex-rental geen rol spelen wanneer de vermindering is bepaald aan de hand van de afschrijvingstabel.

(extra) leeftijdskorting

8. Eiser heeft aangevoerd dat het vereiste dat voorafgaand aan de registratie de BPM moet worden betaald in strijd is met het Unierecht. Hij voert daartoe aan dat de BPM die nog rust op binnenlandse gebruikte auto’s en die bij wijziging van de tenaamstelling van het kenteken vermeld wordt op de factuur, in veel gevallen door de koper pas na de wijziging van het kenteken wordt betaald aan de verkoper. Bij de aanschaf van een auto uit het buitenland is dat niet mogelijk, omdat geen kenteken wordt afgegeven zolang de BPM niet is betaald. Daarmee wordt de keuze van de koper beïnvloed in het voordeel van de auto die zich al op de Nederlandse markt bevindt. Eiser stelt dat sprake is van een maatregel van gelijke werking in de zin van artikel 110 VWEU. Met de huidige regeling wordt de keuze van de koper immers beïnvloed in het voordeel van de auto die zich al op de Nederlandse markt bevindt. Het is een keuze van de fiscale wetgever om eerder te heffen dan het moment waarop de registratie is voltooid, zodat deze maatregel volgens eiser bij de fiscale beoordeling van het geschil hoort.

9. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stellingen en verwijst hiervoor naar overwegingen 33 tot en met 35 in haar uitspraak van 4 november 2019, ECLI:NL:RBGEL:2019:4936. De regeling omtrent de (extra) leeftijdskorting maakt dat niet in strijd met het Unierecht wordt geheven. Eiser heeft niet onderbouwd dat in zijn geval te veel BPM is geheven. Weliswaar dient verweerder ervoor te waken dat te veel wordt geheven en dient verweerder dus in voorkomend geval de leeftijdskorting toe te passen, maar dat staat er naar het oordeel van de rechtbank niet aan in de weg dat bepaald kan worden dat de belastingplichtige de informatie moet verstrekken die leidt tot de conclusie dat er te veel is geheven (vergelijk de arresten van de Hoge Raad van 12 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:847, en 21 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1695). Eiser beschikt bij uitstek over de benodigde gegevens, aangezien aannemelijk is dat hij ofwel zelf kentekenhouder is geweest, aangezien die op grond van artikel 5 van de Wet BPM de belastingplichtige is, ofwel de auto heeft verkocht en heeft gezorgd voor de tenaamstelling.

10. Verweerder heeft geen extra leeftijdskorting toegepast. In de uitspraak op bezwaar is vermeld dat de tenaamstelling van de auto op 23 juni 2017 heeft plaatsgevonden. Hoewel de datum die in de aangifte is vermeld 16 juni 2017 is, is verweerder ervan uitgegaan dat de aangifte op 19 juni 2017 heeft plaatsgevonden. Dit is verder niet in geschil. Gelet op de datum van eerste toelating van de auto (25 mei 2012) is er tussen 19 en 23 juni 2017 geen maand verstreken. Daarmee is verweerder echter ten onrechte voorbijgegaan aan de goedkeuring die is opgenomen in § 6.1 van het Kaderbesluit BPM2. Bij het bepalen van het forfaitaire verminderingspercentage mag rekening gehouden worden met een periode die is gelegen tussen het moment waarop aangifte wordt gedaan en het moment waarop het motorrijtuig te naam wordt gesteld. Deze periode is op vijf werkdagen gesteld. Het feitelijke moment van registratie is hierbij niet van belang. Uitgaand van vijf werkdagen vanaf 19 juni 2017 dient het verminderingspercentage te worden gehanteerd dat gold op 26 juni 2017. Op dat moment was de auto vijf jaren en iets meer dan een maand oud. Het tabelpercentage bedraagt dan 74,328. Verschuldigd is daarom 25,672% van de historische BPM, die € 2.284 bedraagt. Dat is € 586. Eiser heeft € 595 voldaan. Het beroep is dus gegrond.

11. Voor extra leeftijdskorting vanwege een latere registratie van de auto bestaat gelet op het voorgaande geen grond.

tussentijds tarief

12. Verweerder heeft in de uitspraak op bezwaar gemotiveerd weersproken dat sprake is van een gunstiger tussentijds tarief. Eiser heeft niet gemotiveerd gesteld dat dit onjuist is.

rentevergoeding

13. Eiser heeft verzocht om vergoeding van rente over de te veel betaalde BPM die in strijd met het Unierecht is geheven. Heffingsrente wordt vergoed volgens de bepalingen van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. De wetgever heeft voor heffingen in strijd met het Unierecht een aanvullende regeling getroffen in artikel 28c van de Invorderingswet. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad3 volgt dat de rechtbank niet bevoegd is daarover in een procedure tegen de inspecteur te oordelen. Deze grond kan in deze procedure dus tot niets leiden.

griffierecht

14. Eiser heeft met een verwijzing naar het arrest van het HvJ in de zaak Kantarev4 aangevoerd dat de hoogte van het griffierecht zijn toegang tot de rechter bemoeilijkt. Dit wordt versterkt door het feit dat het griffierecht op straffe van niet-ontvankelijkverklaring op voorhand moet worden betaald. Hoewel er wellicht een formele ontheffingsmogelijkheid voor de betaling van het griffierecht bestaat, zijn de inkomens- en vermogensgrens zo laag gesteld dat er volgens eiser geen reële mogelijkheid bestaat om ontheffing te krijgen. Volgens eiser staat vast dat de heffing van griffierecht wordt begrensd op 4%.

15. Eiser voert terecht aan dat de nationale wetgeving het inleiden van de onderhavige procedures afhankelijk stelt van de betaling van het griffierecht. De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of dat recht - rekening houdend met de hoogte ervan - een onoverkomelijk obstakel voor de toegang tot de rechter vormt. Daarbij is mede van belang dat, anders dan in de zaak Kantarev, een ontheffingsmogelijkheid bestaat.

16. In het arrest Kantarev kan niet gelezen worden dat het griffierecht een proportioneel recht van ten hoogste 4% van de waarde van de vordering zou moeten zijn. Het HvJ heeft in de zaak Kantarev alleen geoordeeld dat een proportioneel recht van 4% van de waarde van het geschil een belangrijk obstakel zou kunnen vormen voor de toegang tot de rechter, gelet op het feit dat er geen ontheffingsmogelijkheid voor dat recht bestond. Daarbij is naar het oordeel van de rechtbank van belang dat als de vordering (de waarde van het geschil) heel hoog is, 4% een heel hoog bedrag kan worden, ook aanzienlijk meer dan het bedrag van € 170 dat eiser voor deze zaak heeft betaald. De rechtbank ziet geen aanleiding hierin ook de hoogte van het griffierecht van een eventueel hoger beroep en een eventueel cassatieberoep te betrekken. Een verplichting om een percentage van de waarde van de vordering als maatstaf te hanteren kan in het arrest Kantarev nu juist niet worden gelezen. In dezelfde zin heeft de Hoge Raad geoordeeld (Hoge Raad 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579). In het algemeen kan worden aangenomen dat met de regeling in het bestuursrecht over heffing van griffierecht, inclusief de daarbij behorende bedragen, rechtzoekenden de toegang tot de rechter niet wordt ontnomen.

17. Voor het geval dat door individuele omstandigheden een rechtzoekende niettemin niet, of uiterst moeilijk, in staat is het griffierecht te betalen, bestaat een ontheffingsmogelijkheid. Daarvan kan volgens vaste rechtspraak gebruik worden gemaakt als een rechtzoekende niet over voldoende inkomen en/of vermogen beschikt om het verschuldigde griffierecht te betalen. Dit is onder omstandigheden ook mogelijk als sprake is van een rechtspersoon. Hoewel eiser stelt dat het in de praktijk onmogelijk is om ontheffing te verkrijgen, heeft hij niet gesteld dat hij beschikt over onvoldoende inkomen of vermogen om het verschuldigde griffierecht te betalen. Ook feitelijk is het griffierecht in de onderhavige procedure geen onoverkomelijk obstakel voor de toegang tot de rechter gebleken. Het is immers betaald. De toegang tot de rechter is dus niet belemmerd.

immateriële schade

18. Eiser verzoekt om vergoeding van immateriële schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn.

19. De rechtbank neemt het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, als uitgangspunt. Een uitspraak in eerste aanleg is niet binnen een redelijke termijn gedaan als de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. In deze termijn is de duur van de bezwaarfase inbegrepen. In gevallen waarin de bezwaar- en beroepsfase tezamen onredelijk veel tijd in beslag hebben genomen heeft als regel te gelden dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt en de beroepsfase voor zover deze meer dan anderhalf jaar in beslag neemt. Wanneer de redelijke termijn is overschreden, wordt als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief gehanteerd van € 500 per halfjaar dat die termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.

20. De rechtbank is van oordeel dat eiser recht heeft op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het bezwaarschrift is ontvangen op 24 juli 2017. De rechtbank ziet aanleiding de termijn te verlengen met de periode van 19 november 2019 tot en met 17 februari 2020, afgerond drie maanden. Tussen de gemachtigde en verweerder heeft in alle lopende BPM-zaken overleg plaatsgevonden om te proberen een compromis te bereiken. De gemachtigde heeft toegezegd zich niet te beroepen op overschrijding van de redelijke termijn vanaf 19 november 2019 voor de duur van het overleg. Dit overleg is op 17 februari 2020 geëindigd. Dat betekent dat de redelijke termijn twee jaar en drie maanden bedraagt. Die termijn is overschreden met minder dan een halfjaar. Eiser heeft daarom recht op een schadevergoeding van € 500. De uitspraak op bezwaar dateert van 30 november 2017. Dat betekent dat de overschrijding van de beslistermijn volledig is toe te rekenen aan de beroepsfase. Daarom dient de Staat het bedrag van € 500 te vergoeden.

21. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten van eiser voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.572 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor de hoorzitting met een waarde per punt van € 261, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor de zitting, met een waarde per punt van € 525 en een wegingsfactor 1). De rechtbank ziet geen aanleiding voor toekenning van een integrale proceskostenvergoeding, omdat geen sprake is van het tegen beter weten in of anderszins zeer onzorgvuldig handelen door verweerder. Daarbij merkt de rechtbank op dat ook aanleiding bestaat voor een vergoeding van de kosten van de bezwaarfase, hoewel in de bezwaarfase geen beroep is gedaan op de leeftijdskorting. Uit de goedkeuring in het Kaderbesluit BPM volgt niet zonder meer dat hierop een beroep moet worden gedaan. Uit de aangifte volgt de hoogte van de BPM en valt direct op te maken dat bijtelling van vijf werkdagen leidt tot leeftijdskorting. De betaalde BPM is gelijk aan de aangegeven BPM. Dit had verweerder kunnen constateren op basis van de gegevens in het dossier. Hieruit volgt dat de leeftijdskorting niet is toegepast, hoewel daarop wel recht bestaat. Omdat hierdoor niet kan worden uitgesloten dat te veel BPM is geheven, terwijl verweerder ervoor moet waken dat te veel wordt geheven, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid. Verweerder dient daarnaast ook het griffierecht te vergoeden, bij niet tijdige betaling te vermeerderen met rente.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vermindert de verschuldigde BPM tot € 586;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak tot zover in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

  • -

    veroordeelt de Staat tot vergoeding van de door eiser geleden immateriële schade tot een bedrag van € 500;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.572;

  • -

    bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 170 aan eiser dient te vergoeden, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf vier weken na de dagtekening van deze uitspraak tot aan de dag van de algehele voldoening.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Eskes, rechter, in tegenwoordigheid van M.I.M. Geraerts, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

de griffier is buiten staat deze uitspraak

te ondertekenen

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

1 ECLI:EU:C:2001:109.

2 Beluit van 7 april 2017, BLKB2017/1135M, Stcrt. 2017, 21206 (versie ten tijde van de aangifte).

3 Hoge Raad 3 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:341, en Hoge Raad 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1790.

4 HvJ 4 oktober 2018, ECLI:EU:C:2018:807.