Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:998

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
08-03-2019
Datum publicatie
04-04-2019
Zaaknummer
348367
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kort geding. Gemeente Zutphen vordert terugbetaling dwangsommen van jeugdhulpverlener. Voorzieningenrechter wijst de vordering toe omdat aannemelijk is dat gemeente Zutphen aan de hoofdveroordeling heeft voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zutphen

zaaknummer / rolnummer: C/05/348367 / KZ ZA 19-17

Vonnis in kort geding van 8 maart 2019

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE GEMEENTE ZUTPHEN,

zetelend te Zutphen,

eiseres,

advocaat mr. B.M. Leferink te Zwolle,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DE VERBORGEN KRACHT B.V.,

gevestigd te Zutphen,

gedaagde,

advocaat mr. D. van Alst te Nijmegen.

Partijen zullen hierna Gemeente Zutphen en De Verborgen Kracht genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de brief van De Verborgen Kracht d.d. 25 februari 2019 met producties

  • -

    de brief van Gemeente Zutphen d.d. 25 februari 2019 met producties

  • -

    de brieven van Gemeente Zutphen d.d. 26 februari 2019 met producties

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van Gemeente Zutphen

  • -

    de pleitnota van De Verborgen Kracht.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Gemeente Zutphen is op grond van de Jeugdwet belast met de zorg aan jeugdigen binnen haar gemeente. Gemeente Zutphen heeft daartoe verschillende vormen van jeugdhulp ingekocht bij circa 400 aanbieders van jeugdhulp. Met deze aanbieders zijn overeenkomsten gesloten tot het verlenen van jeugdzorg.

2.2.

De Verborgen Kracht is een onderneming die bepaalde vormen van jeugdhulp aanbiedt. Tussen Gemeente Zutphen en De Verborgen Kracht geldt een “raamovereenkomst individuele voorzieningen jeugd” d.d. 24 november 2014. Op grond van deze overeenkomst verleent De Verborgen Kracht jeugdhulp aan jeugdigen binnen Gemeente Zutphen.

2.3.

Tussen partijen is een geschil ontstaan over de wijze en mate van doorverwijzen van jeugdigen door Gemeente Zutphen naar De Verborgen Kracht. De Verborgen Kracht is van mening dat Gemeente Zutphen niet op reguliere wijze, zoals zij dat voorheen wel deed, jeugdigen naar Gemeente Zutphen doorverwijst. Gemeente Zutphen meent daarentegen dat zij wel degelijk op reguliere wijze jeugdigen doorverwijst naar De Verborgen Kracht.

2.4.

Eind 2017 heeft De Verborgen Kracht van Gemeente Zutphen in kort geding (onder meer) gevorderd dat Gemeente Zutphen op reguliere wijze jeugdigen naar haar moest doorverwijzen. Op 12 december 2017 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland vonnis gewezen (zaaknummer C/05/327829 / KZ ZA 17-263, hierna: “het kortgedingvonnis”). Daarin zijn de vorderingen van De Verborgen Kracht gedeeltelijk toegewezen. Het dictum van het vonnis luidt, voor zover relevant:

“(…) De voorzieningenrechter

5.1

gelast de gemeente over te gaan tot het op reguliere wijze – zoals zij dit heeft gedaan tot 1 januari 2017 – doorverwijzen van cliënten naar DVK en tot het verlengen van indicaties op basis van de door de betreffende cliënt benodigde hulp,

5.2

bepaalt dat de gemeente voor iedere keer dat zij in strijd handelt met het onder 5.1 bepaalde een dwangsom van € 25.000,- aan DVK verbeurt, tot een maximum van
€ 250.000,- is bereikt, (…)”

2.5.

Gemeente Zutphen is tegen het kortgedingvonnis in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 31 juli 2018 arrest gewezen (zaaknummer 200.231.315, hierna: “het arrest”). Daarbij heeft het gerechtshof het kortgedingvonnis bekrachtigd met uitzondering van de dwangsomveroordeling. Het arrest luidt, voor zover relevant:

“(…)

4. De beoordeling van de grieven en de vordering

(…)

4.8

De stelling van De Verborgen Kracht dat de gemeente haar bij de verwijzingen en indicatieverlengingen ten achter stelt, heeft de gemeente op deze wijze onvoldoende betwist. De Verborgen Kracht vreest terecht dat de gemeente daarmee doorgaat. De voorzieningenrechter heeft de gemeente dan ook met juistheid gelast over te gaan tot het op reguliere wijze - zoals zij dit heeft gedaan tot 1 januari 2017 - doorverwijzen en verlengen. Zoals uit het voorgaande blijkt, moet onder het begrip “reguliere wijze” worden verstaan dat de gemeente dit doet op dezelfde wijze als tot 1 januari 2017 en dat zij daarbij De Verborgen Kracht op het gelijke speelveld niet bij haar concurrenten ten achter stelt. (…)

4.9

Nu een voortzetting van de voorshands onrechtmatig te achten schending van het gelijkheidsbeginsel dreigde en dreigt, hetgeen voor De Verborgen Kracht een spoedeisend belang oplevert, heeft de voorzieningenrechter terecht aan de gemeente een dwangsom opgelegd. Vanwege de financiële belangen die voor De Verborgen Kracht zijn gemoeid bij verwijzingen en indicatieverlengingen in de jeugdzorg (…) zijn de dwangsombedragen niet buiten proportie, ook niet in het licht van de omschrijving van het gebod, welke omschrijving overigens hierboven nog is verduidelijkt. (…) Of de gemeente het gebod schendt, zal als regel echter niet gemakkelijk in een individueel geval kunnen worden beoordeeld. Daarvoor lijkt veeleer van belang of de gemeente het gebod schendt over een bepaalde periode, waarover zij desgewenst verantwoording moet afleggen. Daarom zal het hof de dwangsomveroordeling van de voorzieningenrechter in eerste aanleg begrenzen tot heden en voor de toekomst de dwangsombepaling vaststellen zoals hieronder vermeld. (…)

6.De beslissing

Het hof, recht doende in kort geding in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 12 december 2017, behoudens wat betreft (…) de dwangsomveroordeling, vernietigt de onbeperkte duur van laatstgemelde veroordeling en doet in zoverre opnieuw recht:

bepaalt dat de dwangsomveroordeling in dat vonnis wordt begrensd tot de datum van betekening van dit arrest;

veroordeelt (in aanvulling op de aldus begrensde veroordeling) de gemeente na betekening van dit arrest voor iedere periode van drie aaneensluitende kalendermaanden dat zij niet op reguliere wijze cliënten doorverwijst naar De Verborgen Kracht en/of niet op reguliere wijze indicaties verlengt tot betaling aan De Verborgen Kracht van een dwangsom van
€ 50.000 per periode;

bepaalt dat geen dwangsom meer verbeurd wordt boven een totaalbedrag van de dwangsomveroordelingen in eerste aanleg en in hoger beroep van € 250.000; (…)”

2.6.

De Verborgen Kracht heeft Gemeente Zutphen per deurwaardersexploot van 3 december 2018 aangezegd dat Gemeente Zutphen niet heeft voldaan aan het arrest, waardoor dwangsommen zijn verbeurd ter hoogte van € 50.000,00. De Verborgen Kracht heeft Gemeente Zutphen bevolen om binnen twee dagen de verbeurde dwangsommen te voldoen. De Verborgen Kracht heeft Gemeente Zutphen per herstelexploot van 6 december 2018, voor zover relevant, aangezegd:

“(…) De gemeente verwijst nog altijd niet regulier door. Vóór afkomst van het arrest zijn geen nieuwe cliënten regulier aan De Verborgen Kracht doorverwezen en daarna ook niet. Nu de gemeente derhalve ook in de afgelopen drie kalendermaanden geen nieuwe cliënten regulier heeft doorverwezen, is niet aan het gebod voldaan. Dientengevolge is de gemeente de dwangsom van € 50.000,-- verschuldigd. (…)”

2.7.

Gemeente Zutphen heeft de dwangsommen onder protest aan de gerechtsdeurwaarder voldaan. Partijen zijn overeengekomen dat de gerechtsdeurwaarder de dwangsommen onder zich houdt totdat in dit kort geding is beslist.

3 Het geschil

3.1.

Gemeente Zutphen vordert dat de voorzieningenrechter, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. De Verborgen Kracht verbiedt het bevel van 6 december 2018 ten uitvoer te leggen en De Verborgen Kracht verbiedt om het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 31juli 2018 met als zaaknummer 200.231.315, ter zake de periode september tot en met november 2018 te executeren, zulks op straffe van een dwangsom van € 10.000,- per keer dat De Verborgen Kracht hiermee in strijd handelt;

  2. De Verborgen Kracht gebiedt het op basis van het bevel van 6 december 2018 door Gemeente Zutphen reeds betaalde bedrag ad € 50.068,87 aan Gemeente Zutphen terug te betalen althans de deurwaarder Groenendaal Van Krijl te Nijmegen die het bedrag onder zich heeft opdracht te geven het reeds door Gemeente Zutphen betaalde bedrag ad € 50.068,87 terug te betalen aan Gemeente Zutphen, binnen drie dagen na dit vonnis, zulks op straffe van een dwangsom van € 10.000,- per dag dat De Verborgen Kracht hiermee in strijd handelt;

  3. De Verborgen Kracht veroordeelt in de kosten van dit geding, waaronder begrepen het verschuldigde griffierecht en het tot aan deze uitspraak begrote bedrag aan salaris van de advocaat, te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van dit vonnis, en indien voldoening niet binnen deze termijn plaatsvindt te vermeerderen met de wettelijke rente, te rekenen vanaf de datum van dit vonnis, althans van de veertiende dag na de datum van dit vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening;

  4. De Verborgen Kracht veroordeelt in de na de uitspraak vallende kosten (nakosten), voor wat betreft het salaris van de advocaat (nasalaris) forfaitair berekend op
    € 157,00 zonder betekening en verhoogd met € 82,00 in geval van betekening, te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van dit vonnis, en indien voldoening niet binnen deze termijn plaatsvindt te vermeerderen met de wettelijke rente, te rekenen vanaf de datum van dit vonnis, althans van de veertiende dag na de datum van dit vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening.

3.2.

Ter onderbouwing van haar vorderingen stelt Gemeente Zutphen het volgende. Gemeente Zutphen heeft wel degelijk voldaan aan het arrest. Er is dus geen dwangsom verbeurd. De Verborgen Kracht heeft de dwangsom ten onrechte geïncasseerd.

3.3.

De Verborgen Kracht voert als volgt verweer. Gemeente Zutphen heeft in de periode van september tot en met november 2018 niet voldaan aan het arrest. Daardoor heeft Gemeente Zutphen de dwangsom verbeurd. De Verborgen Kracht concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Gemeente Zutphen, met veroordeling van Gemeente Zutphen in de proceskosten.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Dit kort geding draait om de vraag of Gemeente Zutphen heeft voldaan aan het arrest en of zij daardoor (al dan niet) een dwangsom heeft verbeurd.

toetsingskader

4.2.

In een geschil als het onderhavige, waarbij het erom gaat of een dwangsom is verbeurd omdat een bevel tot nakoming niet of onvoldoende is nageleefd, heeft de voorzieningenrechter niet tot taak de eerder besliste rechtsverhouding zelfstandig opnieuw te beoordelen. De voorzieningenrechter behoort enkel de ter uitvoering van het veroordelend vonnis verrichte handelingen te toetsen aan de inhoud van de veroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. Daarbij dient de voorzieningenrechter het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer te nemen in dier voege dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel (HR 15 november 2002, NJ 2004, 410). Bij deze uitleg mogen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid worden toegepast (HR 20 mei 1994, NJ 1994, 652).

4.3.

Om bovenstaande vragen te kunnen beantwoorden is allereerst van belang om vast te stellen aan welke verplichtingen Gemeente Zutphen moet voldoen uit hoofde van het arrest. Met andere woorden: hoe luidt precies de inhoud van de veroordeling in het arrest van het gerechtshof?

4.4.

In het arrest heeft het gerechtshof geoordeeld dat het gebod uit het vonnis van de rechtbank – waaraan de dwangsomveroordeling gekoppeld is – in stand blijft. Op grond van dat gebod is Gemeente Zutphen verplicht om op reguliere wijze, zoals zij dit heeft gedaan tot 1 januari 2017, cliënten door te verwijzen naar De Verborgen Kracht en om indicaties te verlengen op basis van de door de betreffende cliënt benodigde hulp. Het hof heeft dit gebod verder uitgelegd in rechtsoverweging 4.8 van het arrest. Volgens het hof moet onder “reguliere wijze” worden verstaan dat Gemeente Zutphen bij het doorverwijzen De Verborgen Kracht niet achterstelt ten opzichte van haar concurrenten. Dit moet volgens het hof worden bezien per periode van drie aaneengesloten kalendermaanden. Ook heeft het hof in rechtsoverweging 4.9 van het arrest geoordeeld dat Gemeente Zutphen desgewenst per periode verantwoording moet afleggen over de manier waarop zij cliënten naar De Verborgen Kracht heeft doorverwezen.

4.5.

De Verborgen Kracht is van mening dat Gemeente Zutphen niet aan de zojuist uiteengezette verplichtingen heeft voldaan. Uit het exploot van 6 december 2018 lijkt te volgen dat De Verborgen Kracht zich op het standpunt stelt dat dat Gemeente Zutphen geen enkele nieuwe cliënt regulier naar haar heeft doorverwezen in de aaneengesloten periode van september, oktober en november 2018.

4.6.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is onvoldoende aannemelijk geworden dat Gemeente Zutphen in deze periode geen enkele nieuwe cliënt naar De Verborgen Kracht heeft doorverwezen. Gemeente Zutphen heeft immers stukken overgelegd waaruit blijkt dat er op 12 september 2018, op 1 oktober 2018 en op of omstreeks 8 oktober 2018 jeugdhulpindicaties zijn afgegeven ten behoeve van De Verborgen Kracht.

4.7.

De Verborgen Kracht heeft daar tegenover gesteld dat deze jeugdhulpindicaties niet nieuw waren. Volgens De Verborgen Kracht betrof dit jeugdigen die al eerder naar haar waren doorverwezen door derden, bijvoorbeeld door school. De Verborgen Kracht heeft gesteld dat Gemeente Zutphen haar nog steeds achterstelt ten opzichte van concurrenten. Dit maakt dat Gemeente Zutphen in strijd heeft gehandeld met het arrest, aldus De Verborgen Kracht.

4.8.

De voorzieningenrechter stelt echter vast dat het arrest van het hof niets zegt over de vraag of jeugdigen “blanco” bij De Verborgen Kracht terecht moeten komen, of dat er ook sprake mag zijn van een voorafgaande aanbeveling of verwijzing door een derde, zoals school. Tegelijkertijd heeft De Verborgen Kracht onvoldoende concrete aanwijzingen aangevoerd waaruit volgt dat Gemeente Zutphen haar nog steeds achterstelt ten opzichte van haar concurrenten. Zo heeft De Verborgen Kracht aangevoerd dat Gemeente Zutphen op haar website wel verwijst naar concurrenten van De Verborgen Kracht, maar niet naar De Verborgen Kracht. Deze stelling is naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter onvoldoende uit de verf gekomen tijdens de mondelinge behandeling. Bovendien heeft een medewerkster van Gemeente Zutphen op haar telefoon laten zien dat Gemeente Zutphen op de betreffende website wel degelijk verwijst naar De Verborgen Kracht. Ook heeft Gemeente Zutphen ter mondelinge behandeling uitdrukkelijk weersproken dat haar medewerkers zich negatief uitlaten over De Verborgen Kracht, terwijl De Verborgen Kracht het tegendeel niet aannemelijk heeft gemaakt. Daarnaast heeft Gemeente Zutphen gemotiveerd uiteengezet dat het aantal jeugdhulpindicaties over de gehele linie is afgenomen, terwijl het aantal aanbieders van jeugdhulp is toegenomen. Het logische gevolg daarvan is dat er per zorgaanbieder – dus ook ten gunste van De Verborgen Kracht – minder jeugdhulpindicaties worden afgegeven. Van achterstelling van De Verborgen Kracht ten opzichte van haar concurrenten lijkt dus geen sprake te zijn geweest.

4.9.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat Gemeente Zutphen heeft verzuimd te voldoen aan het arrest. De Verborgen Kracht heeft in dit geval onterecht dwangsommen opgeëist. De vorderingen van Gemeente Zutphen zullen daarom worden toegewezen zoals in het dictum omschreven.

4.10.

Tot slot wordt nog overwogen wat het arrest van het gerechtshof betekent voor de bewijspositie van partijen in dit kort geding. De Verborgen Kracht heeft zich op het standpunt gesteld dat Gemeente Zutphen aannemelijk moet maken dat zij het arrest is nagekomen en dat De Verborgen Kracht slechts hoeft te stellen dat dit niet zo is. Daarin wordt De Verborgen Kracht niet gevolgd. Uit het arrest volgt weliswaar dat Gemeente Zutphen moet meewerken aan de bewijslevering door De Verborgen Kracht, maar dat heeft zij naar het oordeel van de voorzieningenrechter ter zitting gedaan.

4.11.

De Verborgen Kracht zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Gemeente Zutphen worden begroot op:

- dagvaarding € 99,01

- griffierecht 639,00

- salaris advocaat 720,00

Totaal € 1.458,01

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

verbiedt De Verborgen Kracht om het bevel van 6 december 2018 ten uitvoer te leggen en om het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 31 juli 2018 met als zaaknummer 200.231.315, ter zake de periode september tot en met november 2018 te executeren, zulks op straffe van een dwangsom van € 10.000,- per keer dat De Verborgen Kracht hiermee in strijd handelt,

5.2.

gebiedt De Verborgen Kracht het op basis van het bevel van 6 december 2018 door Gemeente Zutphen reeds betaalde bedrag ad € 50.068,87 aan Gemeente Zutphen terug te betalen althans de deurwaarder Groenendaal Van Krijl te Nijmegen die het bedrag onder zich heeft opdracht te geven het reeds door Gemeente Zutphen betaalde bedrag ad
€ 50.068,87 terug te betalen aan Gemeente Zutphen, binnen drie dagen na betekening van dit vonnis, zulks op straffe van een dwangsom van € 10.000,- per dag dat De Verborgen Kracht hiermee in strijd handelt,

5.3.

veroordeelt De Verborgen Kracht in de proceskosten, aan de zijde van Gemeente Zutphen tot op heden begroot op € 1.458,01, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.4.

veroordeelt De Verborgen Kracht in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat De Verborgen Kracht niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.A. Bierbooms en in het openbaar uitgesproken op 8 maart 2019.

eh/pb