Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:983

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
14-02-2019
Datum publicatie
08-03-2019
Zaaknummer
7403989 VV EXPL 18-180
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht. Kort geding. Behoort een liposuctiebehandeling bij Lipoedeem tot de stand van de wetenschap en praktijk? Afwijkende situatie nu de liposuctiebehandeling ten behoeve van een knieoperatie dient te worden uitgevoerd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GJ 2019/57
NJF 2019/473
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaakgegevens 7403989 \ VV EXPL 18-180

uitspraak van

vonnis in kort geding

in de zaak van

[eisende partij]

wonende te [woonplaats]

eisende partij

gemachtigde mr. W. Munten

tegen

de naamloze vennootschap

Menzis Zorgverzekeraar N.V.

gevestigd te Wageningen

gedaagde partij

gemachtigde mr. B.T.J.A. van Aalst

Partijen worden hierna [eisende partij] en Menzis genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 27 december 2018 met de producties 1 t/m 14

- het e-mailbericht van de gemachtigde van Menzis van 23 januari 2019 met de producties 1 t/m 7

- het e-mailbericht van de gemachtigde van [eisende partij] van 29 januari 2019 met productie 15

- de mondelinge behandeling van 31 januari 2019 mede inhoudende de pleitnotitie van de gemachtigde van Menzis.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Menzis is een ziektekostenverzekeraar. [eisende partij] heeft een zorgverzekeringsovereen-komst gesloten met Menzis. Het betreft een zogenaamde “Menzis Basis polis”.

2.2.

[eisende partij] kampt al vanaf haar pubertijd met Lipoedeem, een aandoening waarbij sprake is van een abnormale verdeling van vetweefsel over het lichaam. [eisende partij] heeft met name Lipoedeem in haar onder- en bovenbenen. Zij ervaart hierdoor (aanzienlijke) pijnklachten in haar benen en is daardoor verminderd mobiel. Tevens heeft [eisende partij] door het Lipoedeem last van haar gewrichten (knieën). Thans kan [eisende partij] niet langer dan tien minuten lopen. Door deze lichamelijke klachten heeft [eisende partij] ook psychische klachten gekregen.

2.3.

[eisende partij] komt in aanmerking voor een knieprothese vanwege ernstige artrose in haar linker knie. De behandelend orthopeed, [orthopeed A] , heeft [eisende partij] op 3 maart 2017 geadviseerd om vanwege verhoogd infectiegevaar een liposuctie aan haar bovenbenen uit te laten voeren voorafgaand aan de knieoperatie. Ook haar behandelend dermatologen ( [dermatoloog 1] en [dermatoloog 2] ) hebben [eisende partij] – na diverse andere behandelingen die niet tot het gewenste resultaat hebben geleid – op 24 mei 2017 en 14 juli 2017 geadviseerd om een liposuctiebehandeling te laten uitvoeren alvorens de knieoperatie te ondergaan. Volgens [dermatoloog 3] , dermatoloog, zijn meerdere liposuctiebehandelingen noodzakelijk.

2.4.

[dermatoloog 3] heeft bij aanvullende brief van 18 juli 2017 aan Menzis bericht dat [eisende partij] in aanmerking komt voor een liposuctiebehandeling.

2.5.

Op 11 september 2017 heeft [eisende partij] (na een eerdere afwijzing) een verzoek ingediend bij Menzis om de behandeling Pure Tumescent Liposuctie met vibrerende microcanules (hierna: de liposuctiebehandeling) ten bedrage van € 5.500,00 te vergoeden. Menzis heeft hier bij brief van 11 september 2017 afwijzend op gereageerd en daarbij aangegeven dat [eisende partij] niet aan de vergoedingseisen voldoet.

2.6.

Bij brief van 11 juni 2018 heeft Menzis [eisende partij] bericht dat haar medisch adviseur de aanvraag opnieuw had beoordeeld, maar dat Menzis – onder verwijzing naar haar brief van 11 september 2017 – is gebleven bij haar besluit om de behandeling niet te vergoeden.

2.7.

Per e-mailbericht van 21 juni 2018 aan Menzis heeft [eisende partij] bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van de aanvraag om vergoeding van de liposuctiebehandeling. Tevens heeft [eisende partij] met diezelfde e-mail een klacht ingediend bij Menzis.

2.8.

Bij brief van 26 juli 2018 heeft Menzis [eisende partij] bericht dat zij bij haar beslissing blijft om de behandeling niet te vergoeden. Volgens Menzis is de liposuctiebehandeling niet gebruikelijk, omdat er in de (internationale) medische wetenschap en praktijk onvoldoende bewijs is dat de behandeling een meerwaarde heeft ten opzichte van de klassieke behandeling.

2.9.

De rechtsbijstandsverzekeraar van [eisende partij] heeft haar medisch adviseur om advies gevraagd. [adviseur A] , verzekeringsarts en medisch adviseur, is in zijn advies van 29 augustus 2018 tot de conclusie gekomen dat de behandeling wel gebruikelijk is.

2.10.

Bij brief van 14 september 2018 aan de rechtsbijstandsverzekeraar van [eisende partij] heeft Menzis laten weten dat zij het medisch advies heeft voorgelegd aan haar adviserend geneeskundige die de kwestie opnieuw heeft beoordeeld. Dit heeft niet geleid tot een ander inzicht.

3 De vordering en het verweer

3.1.

[eisende partij] vordert dat de kantonrechter, rechtdoende als voorzieningenrechter, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. bepaalt voor recht dat de liposuctiebehandeling (Pure Tumescent Liposuctie met vibrerende microcanules t.b.v. Lipoedeem) bij [eisende partij] gedekt is onder de basisverzekering van de door [eisende partij] bij Menzis gesloten zorgverzekering “Menzis Basis polis”;

2. Menzis veroordeelt tot nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst jegens [eisende partij] door de kosten van de aangevraagde behandeling

(Pure Tumescent Liposuctie met vibrerende microcanules t.b.v. Lipoedeem) van € 5.500,00 exclusief BTW te vergoeden, met daarbij de aanzegging dat, indien er door de behandelend specialist aanvullende behandelingen noodzakelijk worden geacht, ook deze behandelingen vergoed zullen worden door Menzis;

3. Menzis veroordeelt in de proceskosten (daaronder begrepen de nakosten), een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en – voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

3.2.

[eisende partij] legt kort gezegd aan haar vorderingen ten grondslag dat de liposuctiebehandeling gelet op de door haar overgelegde stukken (het medisch advies van de medisch adviseur van Achmea [adviseur A] van 29 augustus 2018, de brief van dermatoloog [dermatoloog 3] van 18 juli 2017, en de uitspraak van de geschillencommissie van de Stichting Klachten en Geschillen Zorgverzekeringen van 6 april 2016) behoort tot de stand van de wetenschap en praktijk zoals bedoeld in de Zorgverzekeringswet, het Besluit zorgverzekering en de polisvoorwaarden van Menzis. Menzis is derhalve gehouden de verleende zorg te vergoeden.

3.3.

Menzis voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het spoedeisend belang van de vorderingen vloeit voldoende voort uit de stellingen van [eisende partij] . [eisende partij] dient een knieoperatie te ondergaan, maar dat is volgens haar niet mogelijk zonder dat eerst een liposuctiebehandeling plaatsvindt. [eisende partij] heeft momenteel enorm veel pijn, slikt daarvoor zware medicatie, kampt met afnemende mobiliteit en mede door dit alles ook met psychische klachten. [eisende partij] kan de liposuctiebehandeling die

€ 5.500,00 per behandeling kost en waarvan [dermatoloog 3] (dermatoloog) heeft aangegeven dat meerdere behandelingen noodzakelijk zijn, niet zelf betalen en vordert daarom vergoeding van deze behandeling(en) van haar zorgverzekeraar Menzis.

4.2.

In dit geding gaat het om de vraag of Menzis op grond van de zorgverzekeringovereenkomst met [eisende partij] gehouden is de liposuctiebehandeling die [eisende partij] wenst te ondergaan te vergoeden, meer in het bijzonder of deze behandeling voldoet aan de stand van de wetenschap en praktijk.

4.3.

Niet in geschil is dat de verzekeringsovereenkomst tussen Menzis en [eisende partij] een zorgverzekering is in de zin van de Zorgverzekeringswet (Zvw) en dat de uitleg van die overeenkomst dient te geschieden tegen de achtergrond van de Zvw en het Besluit Zorgverzekering (Bzv).

4.4.

Artikel 11, eerste lid Zvw bepaalt dat een zorgverzekeraar jegens zijn verzekerden een zorgplicht heeft die zodanig wordt vormgegeven, dat de verzekerde bij wie het verzekerd risico zich voordoet, krachtens de zorgverzekering recht heeft op prestaties bestaande uit:

de zorg of de overige diensten waaraan hij behoefte heeft, of vergoeding van de kosten van deze zorg of overige diensten alsmede, desgevraagd, activiteiten gericht op het verkrijgen van deze zorg of diensten. Het derde lid van datzelfde artikel bepaalt dat bij algemene maatregel van bestuur de inhoud en omvang van de in het eerste lid bedoelde prestaties nader worden geregeld en dat voor bij die maatregel aan te wijzen vormen van zorg of overige diensten kan worden bepaald dat een deel van de kosten voor rekening van de verzekerde komt.

4.5.

Het Bzv is een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 11, derde lid Zvw en bepaalt in artikel 2.1 lid 2 dat de inhoud en omvang van de vormen van zorg mede worden bepaald door de stand van de wetenschap en praktijk en, bij het ontbreken van een zodanige maatstaf, door hetgeen in het betrokken vakgebied als verantwoorde en adequate zorg geldt.

4.6.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 30 maart 2018 (ECLI:NL:HR:2018:469) onder meer overwogen dat met het criterium ‘stand van de wetenschap en praktijk’ van art. 2.1 lid 2 Bzv is beoogd om die zorg tot onderdeel van het verzekerde pakket te maken, die de betrokken beroepsgroep rekent tot het aanvaarde arsenaal van medische onderzoeks- en behandelingsmogelijkheden. Daarbij zijn volgens de toelichting op het Bzv zowel de stand van de medische wetenschap als de mate van acceptatie in de medische praktijk belangrijke graadmeters. Met het criterium is tevens bedoeld te voldoen aan het (in verband met de vrijheid van diensten gegeven) oordeel van het HvJ EU in zijn uitspraak van 12 juli 2001, ECLI:EU:C:2001:404, NJ 2002/3 (Smits en Peerbooms) dat ‘gebruikelijkheid’ alleen aanvaardbaar is als maatstaf indien daarmee wordt verwezen naar hetgeen door de internationale medische wetenschap voldoende beproefd en deugdelijk is bevonden. Volgens de toelichting bij het Bzv kan het begrip ‘stand der wetenschap’ “slechts internationaal worden uitgelegd”.

4.7.

De Hoge Raad heeft ook de taak van het Zorginstituut Nederland (hierna: ZiN) (voorheen het College voor Zorgverzekeringen, hierna CVZ) beschreven en geeft aan dat het ZiN – dat onder meer belast is met de bevordering van de eenduidige uitleg van de aard, inhoud en omvang van de prestaties, bedoeld in artikel 11 Zvw – dient te beoordelen of een bepaalde vorm van zorg voldoet aan het criterium ‘stand van de wetenschap en praktijk’. Het kan in dat verband standpunten publiceren en ter bevordering van de eenduidige uitleg van de aard, inhoud en omvang van de zorg richtlijnen geven aan zorgverzekeraars (art. 64 lid 2 Zvw). De richtlijnen en standpunten van het ZiN zijn niet bindend. De rechter die tot een ander oordeel komt dan is vervat in een dergelijk standpunt of in een dergelijke richtlijn, dient dit deugdelijk te motiveren. De wijze waarop het ZiN beoordeelt of een behandeling behoort tot de stand van de wetenschap en praktijk, is door hem vastgelegd in (de in de conclusie van de Advocaat-Generaal genoemde) rapporten, te weten het op 21 december 2006 uitgebrachte rapport “Pakketbeheer in de praktijk”, en het in 2007 uitgebrachte rapport “Beoordeling van de stand van de wetenschap en praktijk”, dat in januari 2015 is geactualiseerd.

4.8.

De beoordelingswijze van het ZiN stemt volgens de Hoge Raad overeen met hetgeen de wetgever bij het criterium ‘de stand van de wetenschap en praktijk’ voor ogen heeft gestaan en is derhalve aan te merken als een deugdelijke wijze om aan dat criterium te toetsen. Deze beoordelingswijze houdt volgens de Hoge Raad in hoofdlijnen het volgende in:

“4.3.2 Het CVZ neemt alle relevante gegevens in aanmerking, waaronder literatuur, wetenschappelijke onderzoeken en gezaghebbende meningen van specialisten. Om deze gegevens te beoordelen is zogeheten ‘evidence based medicine’ het leidende principe. Bij voorkeur berust het oordeel op ‘best evidence’. Om de waarde van een nieuwe behandeling te toetsen dient die vergeleken te worden met de bestaande ‘goudenstandaardbehandeling’ of met ‘usual care’ (de klassieke behandeling). Hierbij wordt gebruik gemaakt van de zogeheten EBRO-richtlijnen (Evidence Based Richtlijn Ontwikkeling). Als uit ten minste twee kwalitatief verantwoorde studies (gerandomiseerd dubbelblind vergelijkend klinisch onderzoek van goede kwaliteit en voldoende omvang; ook aangeduid als RCT) blijkt dat de behandeling in kwestie een (meer)waarde heeft ten opzichte van de behandeling die tot nog toe de voorkeur had in de internationale kring van de beroepsgenoten (de ‘goudenstandaardbehandeling’), dan wordt de nieuwe behandeling als effectief beschouwd.

4.3.3

Als geen studies van voldoende niveau zijn gepubliceerd, kan het CVZ zijn oordeel baseren op ‘evidence’ van lagere orde, zoals publicaties van gezaghebbende meningen van medisch specialisten of richtlijnen die door wetenschappelijke verenigingen namens de beroepsgroep zijn opgesteld. Dan bepaalt de mate van consistentie van de onderzoeken dan wel publicaties of ze worden beschouwd als een voldoende onderbouwing van de effectiviteit.”

4.9.

De Hoge Raad heeft dus geoordeeld dat de beoordelingswijze van het ZiN, zoals (laatstelijk) verwoord in het rapport “Beoordeling van de stand van de wetenschap en praktijk”, overeenstemt met hetgeen de wetgever bij het criterium ‘de stand van de wetenschap en praktijk’ voor ogen heeft gestaan en is aan te merken als een deugdelijke wijze om aan dat criterium te toetsen.

4.10.

Kernvraag in deze zaak is of de liposuctiebehandeling die [eisende partij] wenst te ondergaan voldoet aan de stand van de wetenschap en praktijk. [eisende partij] heeft ter onderbouwing van haar standpunt dat de liposuctiebehandeling bij Lipoedeem behoort tot de stand van de wetenschap en praktijk verwezen naar de onder 3.2. opgenomen stukken. Menzis betwist dat de liposuctiebehandeling een behandeling conform de stand van de wetenschap en praktijk betreft en verwijst daarvoor naar het standpunt van het ZiN en heeft tijdens de mondelinge behandeling de door [eisende partij] overgelegde stukken besproken en deze onvoldoende geacht om tot wijziging van het standpunt van Menzis te kunnen leiden.

4.11.

Vooropgesteld wordt dat het ZiN (toen nog CvZ genaamd) op 26 februari 2007 en op 9 maart 2007 – in het kader van een geschil tussen een verzekerde en verzekeraar – na een literatuuronderzoek heeft geconcludeerd dat een liposuctiebehandeling bij Lipoedeem niet voldoet aan de stand van de wetenschap en praktijk en dus geen te verzekeren prestatie is.

Nadien heeft het ZiN naar aanleiding van een klachtenprocedure bij de Geschillencommissie van de Stichting Klachten en Geschillen Zorgverzekeringen voornoemd standpunt diverse malen heroverwogen, maar dat heeft niet geleid tot een wijziging van het standpunt. Het meest recente advies, dat door Menzis is overgelegd, dateert van 15 juni 2018 (definitief advies) en 13 april 2018 (voorlopig advies). Daarin is vermeld dat in oktober 2016 opnieuw gekeken is of het standpunt van 2007 herziening behoefde. Daartoe bleek geen aanleiding te bestaan. Tussen 1 oktober 2016 en 3 april 2018 zijn door het ZiN zeven nieuwe publicaties gevonden, maar deze gaven geen bruikbare en aanvullende informatie over de effectiviteit van liposuctie bij Lipoedeem, aldus het ZiN. Volgens het ZiN voldoet een liposuctiebehandeling bij Lipoedeem daarom niet aan de stand van de wetenschap en praktijk en kan de betreffende behandeling daarom niet als een verzekerde prestatie worden aangemerkt.

4.12.

[eisende partij] heeft een brief van dermatoloog [dermatoloog 3] overgelegd waarin hij concludeert dat een liposuctiebehandeling momenteel de enige effectieve behandeling is bij Lipoedeem, onder verwijzing naar (internationale) literatuur. Geconstateerd kan worden dat deze literatuur niet recent is en dateert van onder meer 1990, 2001, 2002, 2004, 2007, 2009, 2014 en 2015 en daarmee van vóór het door het ZiN ingenomen standpunt van 2007 en van 2016. Niet weersproken is dat het grootste deel van deze literatuur reeds is meegenomen in de (her)beoordeling door het ZiN in 2007 en 2016. Enkele oudere artikelen zijn niet door het ZiN beoordeeld, maar deze zijn in dit kort geding niet overgelegd en volgens Menzis ook niet vindbaar, omdat ze niet op de gebruikelijke manier zijn gepubliceerd. In dit kort geding kan derhalve niet worden vastgesteld wat de inhoud hiervan precies is. Niet weersproken is dat het artikel van [dermatoloog 3] uit 2009 en het artikel van Baumgartner uit 2016 geen vergelijkend onderzoek bevatten. Het eerste artikel beschrijft de behandeling en het risico op complicaties en het tweede artikel bevat een folluw-up van patiënten die een liposuctie hebben ondergaan, waarbij uiteindelijk slechts 1/3 deel van de patiënten klachtenvrij was, maar daarvan had wel ¾ deel eerst een conservatief traject gevolgd en ¾ deel behield dit ook als nabehandeling. Onvoldoende aannemelijk is dan ook dat uit het advies van [dermatoloog 3] en de door hem aangehaalde literatuur kan worden afgeleid/geconcludeerd dat een liposuctiebehandeling voldoet aan de stand van de wetenschap en de praktijk.

4.13.

[eisende partij] heeft een advies van de medisch adviseur van Achmea overgelegd die zijn conclusie, dat een liposuctiebehandeling bij Lipoedeem voldoet aan de stand van de wetenschap en praktijk, op vijf artikelen baseert. Ook deze artikelen dateren van vóór het laatste advies van het ZiN. Drie van de vijf artikelen zijn door het ZiN al meegenomen in haar eerdere adviezen. In de overige twee artikelen wordt geconcludeerd dat patiënten met een hoge BMI meer kans maken op postoperatieve infecties bij knieprotheses en dat gewichtsreductie in het algemeen aangewezen is. Deze artikelen zeggen dus niets over de effectiviteit van een liposuctiebehandeling. Ook op grond van dit advies kan dan ook niet geconcludeerd worden dat een liposuctiebehandeling voldoet aan de stand van de wetenschap en praktijk.

4.14.

Wat het bindend advies van de Geschillencommissie van de Stichting Klachten en Geschillen Zorgverzekeringen van 6 april 2016 betreft overweegt de kantonrechter dat in dat geval werd geoordeeld dat het ZiN de internationale publicaties waarop door verzoekster was gewezen niet had betrokken in haar beoordeling. Daarna heeft het ZiN dat wel gedaan, getuige onder meer het bindend advies van 2 november 2016 en het Duitse artikel van Wollina (2017) dat is meegenomen in het advies van 15 juni 2018, zodat het beroep van [eisende partij] op het bindend advies van 6 april 2016 geen doel treft.

4.15.

Ook het door [eisende partij] aangehaalde artikel van Halk en Damstra (2016) en dat van Fetzer (2016) zijn reeds door het ZiN meegenomen in haar beoordelingen en de daaruit voortgevloeide adviezen. Er wordt in laatstgenoemd artikel gesproken over een veelbelovende behandeling, maar niet over een standaardbehandeling. Niet uitgesloten kan worden dat een liposuctiebehandeling bij Lipoedeem in de toekomst als een standaardbehandeling kan worden aangemerkt, maar zover is het thans kennelijk nog niet.

Het voert te ver om in dit kort geding op basis van één enkel artikel en enkele meningen van specialisten (die zijn gestoeld op artikelen die het ZiN ook in zijn adviezen heeft betrokken en die tot afwijzing van de verzoeken tot vergoeding van de behandeling hebben geleid) in afwijking van het standpunt van het ZiN te oordelen dat een liposuctiebehandeling bij Lipoedeem voldoet aan de stand van de wetenschap en praktijk.

4.16.

De situatie van [eisende partij] is echter wel afwijkend van de gevallen waarin het ZiN heeft geadviseerd over een liposuctiebehandeling bij Lipoedeem en waarvan in dit kort geding stukken (adviezen) zijn overgelegd. Immers de liposuctiebehandeling voor het Lipoedeem bij [eisende partij] staat niet op zichzelf. [eisende partij] voert aan dat alleen als zij de liposuctiebehandeling ondergaat bij haar een knieoperatie kan worden uitgevoerd. Indien deze kniebehandeling niet zal worden uitgevoerd, zal de mobiliteit van [eisende partij] afnemen dan wel geheel verdwijnen, aldus haar huisarts. [eisende partij] heeft naast haar lichamelijke beperking (zij kan niet langer dan tien minuten lopen) progressieve pijnklachten waarvoor zij een hoge dosering morfine preparaten gebruikt, zo blijkt uit de brief van haar huisarts van 2 januari 2019.

In het onderhavige geval is het dan ook van belang dat ook gekeken dient te worden naar de effectiviteit van de behandeling ten behoeve van de knieoperatie(s) die [eisende partij] dient te ondergaan.

4.17.

Niet weersproken is dat [eisende partij] alle overige behandelingen teneinde haar klachten (Lipoedeem) te verminderen, alvorens geopereerd te kunnen worden, reeds heeft ondergaan. De orthopedisch chirurg [orthopeed A] (werkzaam te [woonplaats] ) heeft op 3 maart 2017 aangegeven dat het Lipoedeem aan de benen van [eisende partij] eerst behandeld moet worden voordat hij haar zal opereren. In de brief van 24 mei 2017 van dermatologen [dermatoloog 1] en [dermatoloog 2] is ook vermeld dat het, volgens de second opinion van de orthopeed bij het Radboud UMC (te Nijmegen), de voorkeur verdient om de maximaal haalbare oedeemreductie te behalen teneinde het infectiegevaar zo laag mogelijk te houden. Dit hebben de dermatologen bij brief van 14 juli 2017 nog eens herhaald. Volgens de brief van de huisarts van 16 augustus 2018 heeft ook de behandelend internist, [internist 1] , geadviseerd om het Lipoedeem eerst te behandelen alvorens over te gaan tot het plaatsen van de knieprothese. Tot slot heeft [eisende partij] zelf tijdens de zitting toegelicht dat door haar aandoening het gevaar bestaat dat de knieprothese scheef gezet wordt.

4.18.

Het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien maakt dat de effectiviteit van de liposuctiebehandeling ten behoeve van de knieoperatie(s) bij [eisende partij] in het bestek van dit kort geding voldoende aannemelijk is geworden. Immers alle specialisten geven [eisende partij] hetzelfde medisch advies. De kantonrechter acht verder nog van belang dat niet is weersproken dat indien [eisende partij] de knieoperatie(s) niet kan ondergaan, dit leidt tot verminderde dan wel algehele immobiliteit. Naast het feit dat dit voor [eisende partij] uiteraard een behoorlijke impact op haar leven zou hebben, zou dit ook leiden tot de nodige (medische) kosten die ten laste zullen komen van de verzekeraar en/of anderen. Daarbij is niemand gebaat. Tot slot weegt mee dat de huisarts en ook [eisende partij] hebben verklaard dat zij enorm veel pijn ervaart, daarvoor zware medicatie slikt, en mede door dit alles ook met psychische klachten en hartklachten (vanwege spanningen omtrent deze procedure) kampt.

4.19.

Dit leidt er toe dat de vordering onder 2. toewijsbaar is, waarbij geldt dat deze wordt gemaximeerd tot vier behandelingen, omdat de bevoegdheid van de kantonrechter beperkt is tot zaken met een belang van niet meer dan € 25.000,00. De vordering onder 1. zal worden afgewezen, nu een declaratoire uitspraak in kort geding niet mogelijk is.

4.20.

Menzis wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten dragen.

De gevorderde nakosten zullen worden begroot op een bedrag van € 100,00, te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis. De rente over de proceskosten en de nakosten wordt toegewezen vanaf veertien dagen na de datum van het vonnis.

5 De beslissing

De kantonrechter

rechtdoende als voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt Menzis tot nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst jegens [eisende partij] door de kosten van de aangevraagde behandeling (Pure Tumescent Liposuctie met vibrerende microcanules t.b.v. Lipoedeem) van € 5.500,00 exclusief BTW te vergoeden, met daarbij de aanzegging dat indien door de behandelend specialist aanvullende behandelingen noodzakelijk worden geacht deze behandelingen tot een maximum aantal van vier vergoed zullen worden door Menzis;

5.2.

veroordeelt Menzis in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van [eisende partij] begroot op € 88,01 aan dagvaardingskosten, € 231,00 aan griffierecht en € 720,00 aan salaris voor de gemachtigde, en € 100,00 aan kosten die na dit vonnis zullen ontstaan, te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten vanaf veertien dagen na de datum van het vonnis;

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. M.P.C.J. van Bavel en in het openbaar uitgesproken op