Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:964

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
20-02-2019
Datum publicatie
13-03-2019
Zaaknummer
C/05/330344 / HZ ZA 17-449
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onteigening. Schadeloosstelling. Exploitatie van onteigende door concern met dezelfde aandeelhouder als eigenaar van het onteigende. Ook de door het concern geleden schade die het rechtstreeks en noodzakelijk gevolg van onteigening is, dient vergoed te worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JGROND 2019/109 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zutphen

zaaknummer / rolnummer: C/05/330344 / HZ ZA 17-449

Vonnis van 20 februari 2019

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE PROVINCIE GELDERLAND,

zetelend te Arnhem,

eiseres,

advocaat mr. J.S. Procee te 's-Gravenhage,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] ,

gevestigd te Putten,

gedaagde,

advocaat mr. C.W. Kniestedt te Amsterdam.

Partijen zullen hierna de provincie en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 17 januari 2018
- het advies van de deskundigen van 14 mei 2018
- de brieven van mr. Kniestedt van 19 en 25 oktober 2018 met het bericht dat het pleidooi van 31 oktober 2018 geen doorgang hoeft te vinden
- de akte in verband met kosten deskundigen van [gedaagde]
- de antwoordakte van de provincie
- het e-mailbericht van de provincie van 24 januari 2019.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling
2.1. De rechtbank heeft bij (hersteld) vonnis van 17 januari 2018 vervroegd en ten name van de provincie de onteigening uitgesproken van het gedeelte ter grootte van 00.74.15 hectare, van het perceel kadastraal bekend [kadastrale gegevens] , Terrein (grasland), ter grootte van in totaal 03.51.83 hectare (hierna ook: het onteigende). Hierbij is het voorschot op de te betalen schadeloosstelling vastgesteld op een bedrag van € 112.680,00.

2.2.

Bij het rapport van 14 mei 2018 hebben de deskundigen de schadeloosstelling als volgt berekend:

-waarde onteigende

€ 55.612,50

-waardevermindering overblijvende

43.000,00

-bijkomende schade

7.020,00

-(extra) accountantskosten

2.000,00

Totaal

€ 107.632,50

2.3.

Partijen hebben afgezien van pleidooien en vonnis gevraagd.

2.4.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de schadeloosstelling als volgt.

Uitgangspunten bij de vaststelling van de schadeloosstelling
2.5.Uitgangspunt is dat de schadeloosstelling een volledige vergoeding is voor alle schade, die de eigenaar rechtstreeks en noodzakelijk door het verlies van zijn zaak lijdt (artikel 40 Onteigeningswet, Ow).

2.6.

Peildatum is 19 februari 2018, de dag waarop het vonnis van 17 januari 2018 in de openbare registers is ingeschreven (artikel 40a Ow).

2.7.

Het onteigende maakt deel uit van een perceel dat in gebruik is als weiland. Het perceel is eigendom van [gedaagde] . Dit perceel wordt samen met andere gronden gebruikt ten behoeve van de exploitatie van boerderij [naam 1] . [naam 1] wordt geëxploiteerd door het voedingsmiddelenconcern [naam 2] (hierna: [naam 2] ). [gedaagde] is onderdeel van [naam 2] . Exploitatie vindt plaats vanaf de overzijde van de aan de oostzijde van het perceel gelegen [adres 1] , alwaar de bedrijfsopstallen van [gedaagde] en [naam 2] zijn gesitueerd.
De onteigening heeft plaatsgevonden ter uitvoering van het provinciale inpassingsplan “Rondweg Voorthuizen N303”. Dit plan voorziet in de aanleg van een rondweg ten westen van de kern van Voorthuizen. Die rondweg zal het perceel doorsnijden.

Het deskundigenrapport
2.8. De deskundigen gaan er in hun advies van uit dat aanleiding bestaat “voor een vorm van vereenzelviging”. Zij hebben hierbij overwogen dat [gedaagde] / [naam 1] zo niet al de jure dan toch de facto geheel onder de vleugels van het [naam 2] -concern hangen. Ofschoon zij het problematisch vinden dat niet goed een concrete rechtspersoon kan worden aangewezen waarmee vereenzelviging zou moeten plaatsvinden, concluderen zij: “Voorshands zullen deskundigen evenwel het ‘corporate veil’ doorprikken en [gedaagde] en [naam 2] gezamenlijk als ‘schade lijdende partij’ beschouwen.”

De waarde van het onteigende
2.9.De deskundigen zijn ervan uitgegaan dat het onteigende de hoogste waarde ontleent aan de waarde op basis van het bestaand (agrarisch) gebruik. Op grond van de vergelijkingsmethode en met verwijzing naar vergelijkingstransacties komen zij tot een waarde van € 7,50 per m², hetgeen voor het onteigende resulteert in een bedrag van € 55.612,50. De deskundigen zijn, mede vanwege het ontbreken van vergelijkingstransacties, voorbijgegaan aan het betoog van [gedaagde] dat meerdere SKAL-gecertificeerde bedrijven bereid zijn om voor gecertificeerde grond meer te betalen. Daarbij is opgemerkt dat de dichtst bij gelegen SKAL-bedrijven op zodanige afstand van het onteigende liggen, dat het onteigende niet geschikt zal zijn voor beweiding.

Waardevermindering overblijvende
2.10. De deskundigen hebben de restwaarde van het overblijvende (twee zuidelijke overhoeken en een gedeelte aan de noordzijde van het onteigende) begroot op 3,50 per m². Uitgaande van een waarde van € 7,50 per m² betekent dit een waardevermindering van € 4,00 per m². De deskundigen hebben hierbij overwogen dat de aanwendingsmogelijkheden van de overhoeken vanwege bestemming en ligging uiterst gering zijn en dat het noordelijk overblijvende vanwege vormverslechtering verminderd bewerkbaar zal zijn. Op grond hiervan wordt de waardevermindering voor het overblijvende begroot op een bedrag van € 43.000,00.

Bijkomende schade
2.11. De deskundigen zijn, mede vanwege het ontbreken van vergelijkingstransacties, van oordeel dat een redelijk handelend eigenaar niet zou kiezen voor vervanging van het onteigende, maar voor (gedeeltelijke) liquidatie. Zij hebben daarvoor van belang geacht dat het bedrijf van [gedaagde] vooral een functie heeft als “uithangbord of “visitekaartje” van het [naam 2] -concern en dat het die functie ook kan vervullen door de bedrijfsvoering voort te zetten op (enkel) het overblijvende.
De deskundigen gaan ervan uit dat een redelijk handelend ondernemer zal kiezen voor het behouden van het aantal koeien en het bijkopen van extra voer. De kosten van het extra voer dat nodig is in verband met het verlies van 1.41.65 ha is berekend op € 3.364,00 per jaar. Deze kosten vallen volgens de deskundigen echter weg tegen de rente over het vrijkomend kapitaal (berekend op € 3.994,50) en komen dus niet in aanmerking voor vergoeding.

2.12.

De deskundigen hebben een bedrag van € 2.520,00 begroot voor het plaatsen van hekwerk op het noordelijk overblijvende ter afscherming van de rondweg. Voor het zuidelijk overblijvende rekenen zij met een bedrag van € 3.000,00 voor een afscherming met schapengaas en een bedrag van € 1.500,00 voor een extra hek.
De provincie heeft naar aanleiding van het concept-deskundigenrapport aangevoerd dat onaannemelijk is dat het zuidelijk overblijvende voor het houden van schapen zal worden gebruikt en dat meer aannemelijk is dat deze percelen worden gekocht door de aangrenzende eigenaar. In het definitieve advies zijn de deskundigen aan dit betoog voorbijgegaan, daarbij stellende dat geen enkele aanwijzing bestaat dat de buurman het zuidelijk overblijvende zal (willen) kopen en dat een redelijk handelend ondernemer ter plaatse veeleer schapen zal houden dan de grond ongebruikt zal laten. Dit gebruik past volgens de deskundigen bij de beoogde uitstraling en functie van [naam 1] .

2.13.

De deskundigen hebben geoordeeld dat de onteigening slechts in zeer beperkte mate tot extra reistijd leidt voor wat betreft het transport van blaarkoppen naar de overkant van de weg. De daaraan verbonden kosten (door [gedaagde] begroot op € 100,00) vallen volgens de deskundigen weg tegen het restant van de rente over het vrijkomend kapitaal.
De door [gedaagde] vanwege het [naam 2] -concern opgevoerde omrijdschade die het gevolg zou zijn van de omstandigheid dat de route over de nieuwe rondweg 700 meter langer is, is door de deskundigen van de hand gewezen. De deskundigen hebben in het definitieve rapport, mede naar aanleiding van opmerkingen van [gedaagde] , opgemerkt dat redelijk handelende partijen een omrijden van 700 meter dat gepaard gaat met een kortere reistijd niet als een verslechtering en daarmee als een extra kostenpost zullen beschouwen. In het geval [naam 2] aan de transporteurs een vergoeding per kilometer betaalt, zou [gedaagde] de transporteurs kunnen sommeren de kortste route te volgen. De deskundigen hebben aangedragen dat, mocht het zo zijn dat de contracten tussen [naam 2] en de transporteurs hiertoe geen ruimte laten, zij deze contracten graag alsnog ontvangen. [gedaagde] heeft ervan afgezien deze contracten in het geding te brengen.

2.14.

[gedaagde] heeft verder kosten opgevoerd in verband met het vervangen, althans aanpassen van reclame-uitingen op de website van [naam 2] en in bedrijfsfilmpjes.
De deskundigen hebben in hun advies geoordeeld dat zij niet inzien waarom aanpassing van de reclame-uitingen als gevolg van de onteigening noodzakelijk is. Het enige fragment in de reclame-uitingen dat na onteigening niet meer de werkelijkheid zal weerspiegelen, is een fragment van blaarkoppen in de wei aan de overzijde van de [adres 1] , maar ook na onteigening staan de blaarkoppen in de directe omgeving van de hoeve in de wei en daarmee is de sfeer die de reclamebeelden kennelijk willen overbrengen nog steeds in lijn met de werkelijkheid, aldus de deskundigen.

2.15.

De deskundigen achten het redelijk dat [gedaagde] (extra) accountantskosten maakt om de (financiële) gevolgen van de onteigening op adequate wijze te laten verwerken en begroten deze kosten op € 2.000,00. Naar aanleiding van de opmerking van de provincie dat de in dit verband te besteden tijd in verband met de vereenzelviging van [gedaagde] met het [naam 2] -concern meeloopt in de “gewone” activiteiten van de accountant van [naam 2] , hebben de deskundigen in het definitieve advies opgemerkt dat de mogelijkheid dat de kosten op een ander niveau binnen het (vereenzelvigde) concern worden gemaakt er niet aan afdoet dat de betreffende kosten (als gevolg van de onteigening) moeten worden gemaakt.

De beoordeling door de rechtbank
2.16. De rechtbank zal het advies van de deskundigen volgen. De deskundigen hebben de berekening van de schadeloosstelling en de keuzes die daarbij zijn gemaakt deugdelijk en begrijpelijk gemotiveerd. Zij zijn gemotiveerd ingegaan op de opmerkingen die partijen naar aanleiding van het concept-advies hebben gemaakt. Op het definitieve rapport hebben partijen niet meer gereageerd. De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de door de deskundigen begrote schade.

2.17.

Ten aanzien van de “vereenzelviging” van [naam 2] (althans [naam 2] Holding B.V.) met [gedaagde] wordt – in aanvulling op het deskundigenadvies op dit punt – het volgende overwogen.
Hoofdregel in het onteigeningsrecht is dat alleen de in artikel 3 Ow genoemde partijen (rechtstreeks) aanspraak maken op vergoeding van schade die het directe gevolg van de onteigening is. Naast de eigenaar betreft het bepaalde, nader aangeduide derde-belanghebbenden. Het [naam 2] -concern dan wel een of meer van haar vennootschappen zijn niet aan te merken als derde-belanghebbenden in de zin van artikel 3 Ow.
Er bestaat aanleiding om in dit geval een uitzondering op de hoofdregel aan te nemen, nu sprake is van de volgende - door [gedaagde] gestelde en door de provincie niet weersproken - feiten en omstandigheden.
heeft in 2007 boerderij Bleekenstein samen met bijbehorende agrarische grond (waaronder het perceel waarvan het onteigende deel uitmaakt) aangekocht en geleverd gekregen. Vanaf de levering aan [gedaagde] heeft [naam 2] Holding N.V. (waarvan de aandelen (middellijk) bij dezelfde persoon lagen) de exploitatie van boerderij Bleekenstein ter hand genomen. [naam 2] heeft investeringen in het bedrijf gedaan en het omgevormd naar een biologische boerderij. Daarbij diende de boerderij met name als marketinginstrument voor [naam 2] Holding N.V.
Het [naam 2] -concern betaalde geen vergoeding voor het gebruik van de gronden aan [gedaagde] . [gedaagde] en [naam 2] Holding N.V. leefden ten onrechte in de veronderstelling dat de gronden feitelijk behoorden tot het [naam 2] -concern. Met het sluiten van een vaststellingsovereenkomst in 2016 is (onder meer) afgesproken dat de door [gedaagde] te ontvangen koopsom voor het de gronden, waarvan een deel onteigend is, zal worden voldaan als agiostorting.
2.18. In deze omstandigheden - met name de band tussen [gedaagde] en [naam 2] , de jarenlange exploitatie van de grond door [naam 2] zonder dat daar een vergoeding tegenover stond - moet de positie van [naam 2] op één lijn worden gesteld met die van de juridisch eigenaar die de onteigende zaak voor eigen doeleinden aanwendt. De door de Ow verlangde volledige vergoeding van de schade die het rechtstreeks en noodzakelijk gevolg is van de eigendomsontneming omvat in het onderhavige geval naar redelijkheid tevens vergoeding van de bedrijfsschade van [naam 2] . Er bestaat geen goede grond deze schade voor rekening van [naam 2] te laten in plaats van voor rekening te laten komen van de gemeenschap wier belang met de onteigening is gediend.
Zoals ook de deskundigen hebben geoordeeld, komt dus ook de door [naam 2] geleden schade die een rechtstreeks en noodzakelijk gevolg van de onteigening is, in aanmerking voor vergoeding (aan [gedaagde] ).

2.19.

De rechtbank zal daarom de totale schadeloosstelling bepalen op een bedrag van € 107.632,50.

2.20.

Gelet op het reeds betaalde voorschot van € 112.680,00, dient [gedaagde] een bedrag van € 5.047,50 aan de provincie terug te betalen. [gedaagde] zal worden veroordeeld om dit bedrag aan de provincie terug te betalen.


De kosten van juridische en overige deskundige bijstand
2.21.Op grond van artikel 50 Ow en de jurisprudentie bij dit artikel is uitgangspunt dat de daadwerkelijk gemaakte kosten van rechtsbijstand en van bijstand door andere deskundigen in beginsel ten laste van de onteigende partij komen. Daarbij dient getoetst te worden of het redelijk is dat de kosten van juridische en andere deskundige bijstand zijn gemaakt en of die kosten binnen een redelijke omvang zijn gebleven. Daarbij spelen ook het belang van de zaak, zoals dit tot uitdrukking komt in de samenstelling en de hoogte van de toegekende schadeloosstelling, en de mate waarin een zaak juridisch of anderszins gezien ingewikkeld is, een rol.
2.22.Bij akte van 14 november 2018 heeft [gedaagde] de rechtbank een overzicht doen toekomen van de kosten van juridische en overige deskundige bijstand. De kosten van juridisch bijstand bedragen € 10.347,00 inclusief btw. De kosten van overige deskundige bijstand komen volgens [gedaagde] uit op een bedrag van € 19.965,00 inclusief btw. Het gaat om 130 uren die door Gloudemans B.V. aan de zaak zijn besteed.
De provincie heeft in reactie hierop gesteld dat van de kosten van deskundige bijstand alleen die kosten voor vergoeding in aanmerking komen die zouden zijn gemaakt als alleen zou zijn onderhandeld en geprocedeerd over agrarische schadecomponenten. De overige door [gedaagde] gestelde schade (verbouwingskosten hoofdgebouw, marketingkosten, waardevermindering bedrijfswoningen en hogere kosten door verminderde bereikbaarheid) was illusoir of niet het gevolg van onteigening. Vanwege de beperkte complexiteit van de procedure acht de provincie 75 uur alleszins redelijk. Uitgaande van een uurtarief van € 165,00 per uur exclusief btw, komt dit neer op een bedrag van (afgerond) € 14.974,00 inclusief btw.
De door de advocaat bestede uren acht de provincie op dezelfde grond als hiervoor uiteengezet niet redelijk. Zij gaat uit van (afgerond) 20 uur. Het in rekening gebrachte uurtarief van € 425,00 vindt de provincie niet redelijk. Zij verzoekt de rechtbank aansluiting te zoeken bij het tarief van € 300,00 dat de voorzitter van de rechtbankcommissie in rekening brengt.
Hieromtrent wordt het volgende overwogen.
2.23.Dat [gedaagde] deskundige bijstand heeft ingeroepen, acht de rechtbank redelijk. Het aantal uren dat [gedaagde] heeft opgevoerd vanwege overige deskundige bijstand komt echter, mede gelet op de ingewikkeldheid van de zaak en afgezet tegen het aantal uren dat door de rechtbankdeskundigen aan deze zaak is besteed (afgerond 59 uren), onredelijk hoog voor. Dat de door de onteigende partij ingeschakelde deskundigen meer uren nodig hebben voor hun advisering ligt niet voor de hand, omdat de door de rechtbank benoemde deskundigen een ruimer takenpakket hebben. Zij moeten immers ook reageren op de standpunten van beide partijen. Hier komt bij dat [gedaagde] met name heeft ingezet op een hoge schadeloosstelling op de grond dat door de onteigening schade zou worden toegebracht aan de waarde van [naam 1] als marketinginstrument voor [naam 2] (de visuele beleving van de blaarkoppen in de wei). Dergelijke schade wordt - ook door de deskundigen - niet toewijsbaar geacht. De rechtbank acht een aantal uren van 100 tegen een uurtarief van € 120,00 redelijk. Uitgaande van de gehanteerde uurtarieven betekent dit dat een bedrag van € 14.520,00 inclusief btw toewijsbaar is. De provincie zal worden veroordeeld tot betaling van dit bedrag.

2.24.

Ook de opgevoerde kosten voor juridische bijstand zullen naar beneden worden bijgesteld. De advocaat van [gedaagde] heeft in zijn declaratie verschillende uurtarieven gebruikt, maar vooral een tarief van € 425,00 en € 440,00. Een uurtarief van meer dan € 400,00 inclusief btw komt de rechtbank, ook voor gespecialiseerde en ervaren advocaten, hoog voor. Mede gelet op de aard en omvang van de zaak zal de rechtbank de voor vergoeding voor juridische kosten ex aequo et bono begroten op een bedrag van 20 uren x € 400,00, dit is € 8.000,00 inclusief btw. Deze kosten komen voor rekening van de provincie.

2.25.

In deze zaak is een kennelijke en evidente fout gemaakt bij het heffen van griffierecht. Aan de provincie is een bedrag van € 496,00 en aan [gedaagde] is een bedrag van € 618,00 in rekening gebracht. Op grond van artikel 10 lid 2 van de Wet Griffierechten Burgerlijke Zaken (WGBZ) dient de hoogte van het griffierecht bepaald te worden aan de hand van de som die in de dagvaarding als schadeloosstelling wordt aangeboden. Door de provincie is in de dagvaarding een bedrag van € 125.200,00 als schadeloosstelling aangeboden. Hierbij hoort een griffierecht van € 3.894,00 voor beide partijen. Dit betekent dat aan de provincie een naheffing van € 3.398,00 en aan [gedaagde] een naheffing van € 3.276,00 zal worden opgelegd.
Het door [gedaagde] verschuldigde griffierecht van € 3.894,00 komt voor rekening van de provincie.
2.26. De declaratie van de door de rechtbank benoemde deskundigen bedraagt € 18.093,74 inclusief btw. Bij e-mailbericht van 24 januari 2019 heeft de provincie te kennen gegeven geen bezwaar te hebben tegen de hoogte van deze declaratie. Nu deze kosten de rechtbank niet bovenmatig voorkomen, zal de rechtbank de kosten van de deskundigen op genoemd bedrag begroten en de provincie in deze kosten veroordelen.

2.27.

Ten slotte zal een nieuwsblad worden aangewezen waarin dit vonnis zal worden gepubliceerd overeenkomstig het in artikel 54 Onteigeningswet bepaalde.
3. De beslissing

De rechtbank

3.1.

bepaalt de schadeloosstelling voor [gedaagde] op een bedrag van € 107.632,50 (honderdzevenduizend zeshonderdtweeëndertig euro en vijftig cent),

3.2.

veroordeelt [gedaagde] om aan de provincie te betalen het verschil tussen het betaalde voorschot van € 112.680,00 en het door de rechtbank bepaalde bedrag van € 107.632,50, derhalve een bedrag van € 5.047,50,

3.3.

veroordeelt de provincie in de kosten van rechts- en deskundigenbijstand aan de zijde van [gedaagde] begroot op een bedrag van € 22.520,00 inclusief btw, te vermeerderen met het ten laste van [gedaagde] komende griffierecht van € 3.894,00,

3.4.

veroordeelt de provincie in de kosten van de door de rechtbank benoemde deskundigen ten bedrage van € 18.093,74 inclusief btw,

3.5.

wijst de te Voorthuizen verschijnende Barneveldse krant aan als nieuwsblad, waarin dit vonnis door de griffier van de rechtbank bij uittreksel zal moeten worden geplaatst.

Dit vonnis is gewezen door mr. D. Vergunst, mr. M.J. van Lee en mr. K.H.A. Heenk en in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2019.

GR/KH/Le/Vg