Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:956

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
04-02-2019
Datum publicatie
13-06-2019
Zaaknummer
345602 / FZ RK 18-3019
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De ouders van een minderjarig kind dat in een pleeggezin woont en onder voogdij staat van Jeugdbescherming Gelderland, verzoeken primair op grond van artikel 1:253q lid 5 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) om hen gezamenlijk te belasten met het ouderlijk gezag. De rechtbank wijst op grond van artikel 1:253b BW juncto artikel 1:253c BW dit verzoek af omdat er in de gegeven omstandigheden gegronde vrees bestaat dat de belangen van de minderjarige worden verwaarloosd indien de ouders met het ouderlijk gezag worden belast. De ouders verzoeken subsidiair op grond van artikel 1:377a BW een omgangsregeling vast te stellen tussen hen en de minderjarige welk verzoek eveneens door de rechtbank wordt afgewezen omdat de huidige omgangsregeling recht doet aan het belang van de minderjarige om zich voorspoedig te kunnen ontwikkelen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 253b
Burgerlijk Wetboek Boek 1 253c
Burgerlijk Wetboek Boek 1 377a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Familie- en jeugdrecht

Zittingsplaats Zutphen

Zaaknummer: 345602 / FZ RK 18-3019

beschikking van de enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 4 februari 2019

in de zaak van:

[verzoeker] ,

hierna te noemen: de vader,

en

[verzoekster] ,

hierna te noemen: de moeder,

beiden wonende te [plaats] ,

advocaat: mr. T. Şeker te Enschede,

tegen

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, de gecertificeerde instelling, hierna te noemen: de GI, gevestigd te Amsterdam.

Het procesverloop

Dit verloop blijkt uit:

- het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen op 20 november 2018;

- het proces-verbaal van de behandeling ter zitting van 7 januari 2019;

- het ter zitting door de GI overgelegde evaluatie hulpverleningsplan over de periode november 2017 tot december 2018.

De feiten

Uit de affectieve relatie van de ouders is geboren de minderjarige:

- [naam], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] .

De vader heeft voornoemde minderjarige erkend met toestemming van de moeder.

Blijkens het uittreksel uit het gezagsregister is op 17 januari 2013 vastgesteld dat de ouders hebben voldaan aan de voorwaarden om de aantekening tot het gezamenlijk uitoefenen van het gezag over [minderjarige] in het gezagsregister te verkrijgen.

Uit het uittreksel uit het gezagsregister blijkt tevens dat op 21 februari 2013 de aantekening tot gezamenlijk gezag van 17 januari 2013 is doorgehaald in verband met de ondercuratelestelling van de moeder waardoor zij onbevoegd is tot het gezag over [minderjarige] . Sinds [datum] 2006 is de moeder onder curatele gesteld.

Bij beschikking van 8 april 2013 van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, is de Stichting Bureaus Jeugdzorg Gelderland benoemd tot voogdes over [minderjarige] . Voormelde Stichting heeft de uitvoering van de voogdij opgedragen aan de GI.

Bij beschikking van 3 september 2014 van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, is vervangende toestemming verleend tot wijziging van het verblijf van [minderjarige] .

[minderjarige] woont sindsdien in het pleeggezin van de familie [naam] .

Op [datum] 2015 zijn de ouders met elkaar gehuwd.

Op grond van de beschikkingen van 20 juni 2018 van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, zijn de goederen die (zullen) toebehoren aan de ouders onder bewind gesteld wegens hun geestelijke of lichamelijk toestand. Tot bewindvoerder is benoemd: [naam] te Arnhem.

Het verzoek van de ouders

De ouders verzoeken de rechtbank om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Primair: de ouders in het gezag te herstellen door hen gezamenlijk te belasten met het ouderlijk gezag over [minderjarige] ;

Subsidiair: tussen de ouders en [minderjarige] een regeling inzake de omgang vast te stellen met dien verstande dat gedurende de eerste drie maanden eenmaal in de veertien dagen op een zaterdag of een zondag omgang zal plaatsvinden, waarna dit na evaluatie en positieve beoordeling zal worden uitgebreid naar eenmaal in de veertien dagen een weekend met overnachting, dan wel een regeling zoals de rechtbank in goede justitie vermeend te behoren,

kosten rechtens.

De ouders hebben, mede bij monde van hun advocaat, – kort samengevat – gesteld dat zij thans weer bevoegd zijn tot het uitoefenen van het ouderlijk gezag over [minderjarige] en dat het belang van [minderjarige] zich er niet tegen verzet de ouders in het gezag te herstellen op grond van artikel 1:253q lid 5 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). De ouders hebben een goede band met [minderjarige] en het beste met hem voor. Zij achten zich in staat om het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uit te oefenen en de juiste beslissingen over hem te nemen.

Voor zover de rechtbank voormeld verzoek niet toewijsbaar acht, verzoeken de ouders op grond van artikel 1:377a lid 2 BW juncto artikel 1:377g BW een regeling inzake de omgang tussen de ouders en [minderjarige] vast te stellen. De ouders hebben thans slechts eenmaal in de drie weken gedurende zes uren contact met [minderjarige] . [minderjarige] reageert zeer goed op de omgangsmomenten met de ouders. Volgens de ouders is een uitbreiding van de omgang in het belang van [minderjarige] . [minderjarige] geeft aan vaker bij de ouders te willen zijn en ook bij de ouders te willen overnachten.

De ouders zijn van mening dat de huidige omgangsfrequentie afbreuk doet aan het recht en de belangen van [minderjarige] om regelmatig contact met zijn ouders te hebben. De ouders voelen zich onvoldoende als ouder erkend en betrokken bij het opgroeien van [minderjarige] .

Het standpunt van de GI

De voogd van [minderjarige] heeft namens de GI verweer gevoerd tegen beide verzoeken en – kort samengevat – aangegeven dat het toekomstperspectief van [minderjarige] duidelijk is. Het is in het belang van [minderjarige] dat hij opgroeit in het huidige pleeggezin waarbij de voogdij, de GI die het gezag uitoefent, de meest passende gezagsvoorziening is. De samenwerking tussen de ouders enerzijds en de voogd en de pleegouders anderzijds verloopt niet goed. Het valt de ouders zwaar te accepteren dat [minderjarige] het fijn heeft in het pleeggezin. Ondanks de ingezette hulpverlening voor de ouders, is er geen verbetering zichtbaar in de acceptatie van de plek die de pleegouders in het leven van [minderjarige] innemen. Volgens de GI is het belangrijk dat er duidelijkheid wordt gecreëerd over de continuïteit van het verblijf van [minderjarige] in het pleeggezin en dat de voogd de beslissingen blijft nemen in het belang van [minderjarige] . [minderjarige] is nog maar 6 jaar oud. Bij hem is sprake van enige achterstand. Hij dient in de huidige opvoedingssituatie tot rust te komen om zich goed te kunnen ontwikkelen. De GI heeft met betrekking tot de omgang aangegeven dat de bezoekregeling tussen de ouders en [minderjarige] telkens wordt vastgesteld in overleg met een gedragswetenschapper en de pleegzorgmedewerker en dat de huidige bezoekregeling het meest passend is voor [minderjarige] . Een overnachting bij de ouders is niet in zijn belang. [minderjarige] geeft in het pleeggezin aan dat hij niet in andere huizen dan in het huis van zijn pleegouders wil slapen. Om de ouders meer te betrekken bij het leven van [minderjarige] , zoals bij zijn schoolgang, is de GI telkens op zoek naar mogelijkheden hiertoe. Dit vraagt ook inzicht aan de zijde van de ouders. De ouders komen echter afspraken niet na en zijn onvoldoende in staat tot zelfreflectie. Gesprekken met de ouders worden sowieso gecontinueerd, zij zijn en blijven de ouders van [minderjarige] .

Het standpunt van de pleegouders

De pleegouders zijn, hoewel daartoe naar behoren opgeroepen, niet ter terechtzitting verschenen.

Het advies van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad)

De zittingsvertegenwoordigster van de Raad heeft – kort samengevat – aangegeven dat [minderjarige] al geruime tijd in het pleeggezin woont en dat dit gezin zijn familie is geworden naast zijn ouders. Het feit dat [minderjarige] nadenkt over wat hij waar zegt, toont volgens de Raad aan dat hij niet toekomt aan zijn eigen ontwikkeling. In het pleeggezin voelt hij zich thuis en kan hij dusdanig zichzelf zijn dat hij er daar ook ruzies ‘uitgooit’. Bij zijn ouders daarentegen moet het voor [minderjarige] vooral goed zijn waardoor hij dan ander gedrag zal laten zien. Volgens de Raad is er geen reden die maakt dat het perspectief van [minderjarige] niet in het huidige pleeggezin ligt en is een wijziging van het gezag niet aan de orde. Wat er in verband met de omgang mogelijk is uitgaande van de belangen van [minderjarige] , dient door de ouders niet bezien te worden vanuit strijd met de voogd en de pleegouders. Er is meer winst te behalen in de onderlinge samenwerking.

Wellicht dat hiervoor vanuit alle betrokken partijen toch nog meer aandacht dient te zijn.

De beoordeling

ten aanzien van het primaire verzoek van de ouders

De ouders hebben primair verzocht om hen gezamenlijk te belasten met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . De ouders hebben dit verzoek in eerste instantie gegrond op artikel 1:253q lid 5 BW.

De rechtbank overweegt dat ingevolge artikel 1:246 BW onbevoegd tot het gezag zijn minderjarigen, zij die onder curatele zijn gesteld en zij wier geestvermogens zodanig zijn gestoord, dat zij in de onmogelijkheid verkeren het gezag uit te oefenen, tenzij deze stoornis van tijdelijke aard is.

In artikel 1:253q lid 5 BW wordt bepaald dat wanneer de grond van de onbevoegdheid ten aanzien van de ouder die het gezag alleen uitoefende, is vervallen, de rechtbank deze ouder op zijn verzoek wederom met het gezag belast tenzij de rechtbank oordeelt dat het belang van de minderjarige zich hiertegen verzet. Op verzoek van de ouders of een van hen kan hij de ouders gezamenlijk met het gezag belasten.

De rechtbank overweegt dat in de huidige situatie het primaire verzoek niet gegrond kan worden op artikel 1:253q lid 5 BW nu niet gebleken is dat een ouder het gezag alleen heeft uitgeoefend. De moeder was op grond van de ondercuratelestelling in 2006 reeds vanaf de geboorte van [minderjarige] onbevoegd tot het uitoefenen van het ouderlijk gezag over hem. De vader heeft niet het ouderlijk gezag over [minderjarige] uitgeoefend aangezien op 21 februari 2013 de aantekening tot gezamenlijk gezag van 17 januari 2013 is doorgehaald.

Naar het oordeel van de rechtbank wordt de grondslag van het verzoek van de ouders gevormd door artikel 1:253b lid 2 en lid 5 BW juncto artikel 1:253c lid 1, lid 4 en lid 5 BW.

De raadsman van de ouders en de GI hebben zich hierbij ter zitting aangesloten.

In artikel 1:253b lid 1 BW wordt bepaald dat indien ten aanzien van een kind alleen het moederschap vaststaat van de vrouw uit wie het kind is geboren of indien de ouders van een kind niet met elkaar gehuwd zijn dan wel gehuwd zijn geweest en zij het gezag niet gezamenlijk uitoefenen, de moeder uit wie het kind is geboren van rechtswege het gezag over het kind alleen uitoefent, tenzij zij bij haar bevalling onbevoegd tot het gezag was.

Ingevolge artikel 1:253 lid 2 BW verkrijgt de in het eerste lid bedoelde moeder die ten tijde van haar bevalling onbevoegd was tot het gezag, dit gezag van rechtswege op het tijdstip waarop zij daartoe bevoegd wordt, tenzij op dat tijdstip een ander met het gezag is belast.

Ingevolge artikel 1:253 lid 5 BW wordt wanneer een voogd het gezag over het kind uitoefent, het verzoek slechts afgewezen, indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd.

Ingevolge artikel 1:253c lid 1 BW kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind geboren is heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten.

Ingevolge 1:253c lid 4 BW wordt wanneer niet in het gezag is voorzien of wanneer een voogd het gezag uitoefent, het verzoek om de tot het gezag bevoegde ouder, bedoeld in het eerste lid, alleen met het gezag te belasten slechts afgewezen, indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd.

Ingevolge 1:253c lid 5 BW kan een verzoek om de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten als bedoeld in het eerste lid, ook door de moeder uit wie het kind is geboren, worden gedaan.

Namens de ouders is ter zitting gesteld dat zij bevoegd zijn tot het uitoefenen van het ouderlijk gezag over [minderjarige] omdat er met de onderbewindstelling van de ouders een einde is gekomen aan de ondercuratelestelling van de moeder en daarmee aan de grond voor de onbevoegdheid tot het uitoefenen van het gezag. Volgens de ouders zijn zij in staat om in samenspraak met de GI het gezag over [minderjarige] uit te oefenen.

De rechtbank overweegt dat het eindigen van de ondercuratelestelling niet automatisch met zich brengt dat de voormalig onder curatele gestelde weer bevoegd is tot het uitoefenen van het ouderlijk gezag. Blijkens artikel 1:246 BW zijn ook onbevoegd tot het gezag diegene wier geestvermogens zodanig zijn gestoord, dat zij in de onmogelijkheid verkeren het gezag uit te oefenen, tenzij deze stoornis van tijdelijke aard is. Onderbewindstelling van het vermogen leidt niet zonder meer tot onbevoegdheid tot het gezag, maar denkbaar is dat er in een dergelijk geval wel sprake is van een geestelijke stoornis zoals bedoeld in artikel 1:246 BW. Uit de beschikkingen tot onderbewindstelling van de ouders van 20 juni 2018 blijkt in ieder geval dat de ouders als gevolg van hun geestelijke of lichamelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat zijn ten volle hun vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen, zodat het in die situatie in beginsel op de weg van de ouders ligt om inzichtelijk te maken dat zij desondanks in staat zijn het ouderlijk gezag uit te oefenen.

Nog daargelaten of de ouders op dit moment al dan niet bevoegd kunnen worden geacht tot uitoefening van het ouderlijk gezag, is de rechtbank – op grond van de inhoud van de stukken en het onderzoek ter zitting – van oordeel dat in de gegeven omstandigheden gegronde vrees bestaat dat de belangen van [minderjarige] worden verwaarloosd indien de ouders met het ouderlijk gezag over hem worden belast. De rechtbank overweegt dat gezag betrekking heeft op de verzorging en opvoeding van een kind, inclusief de zorg en verantwoordelijkheid voor zijn geestelijk en lichamelijk welzijn en het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. Vastgesteld moet worden dat het gezag over [minderjarige] de afgelopen vijf jaar wordt uitgeoefend door de GI en dat [minderjarige] vanaf zijn tweede levensjaar niet meer bij de ouders maar in het pleeggezin opgroeit. Bij beschikking van 3 september 2014 is voor de plaatsing in het pleeggezin vervangende toestemming verleend omdat de ouders (bij wie sprake is van een verstandelijke beperking) onvoldoende op de behoeften van [minderjarige] kunnen inspelen en onvoldoende in staat zijn voor duidelijke structuur en veiligheid te zorgen. De ouders beschikken over onvoldoende pedagogische kwaliteiten om [minderjarige] zodanig op te voeden dat hij zich adequaat zal kunnen ontwikkelen op alle gebieden, zodat er geen enkel perspectief is op terugkeer naar de ouders. Gebleken is dat de plaatsing in het pleeggezin een perspectief biedende plek vormt en dat deze plaatsing in het belang van [minderjarige] gecontinueerd dient te worden hetgeen de ouders ter zitting ook min of meer hebben onderschreven. De pleegouders kunnen aansluiten bij de (ontwikkelings)behoeftes van [minderjarige] en hij ontwikkelt zich in het pleeggezin goed. Indien de ouders met het gezag zouden worden belast, betekent dit dat aan de voogdij-uitoefening een einde komt en dat de ouders beslissingen aangaande [minderjarige] dienen te nemen. Aangenomen kan echter worden dat de voogd het beste zicht heeft op de belangen van [minderjarige] en op basis daarvan beslissingen omtrent [minderjarige] zal nemen.

Daarbij is de samenwerking tussen de ouders enerzijds en de voogd en de pleegouders anderzijds zorgelijk hetgeen de ontwikkeling van [minderjarige] niet ten goede komt en zijn loyaliteiten ondergraaft. Naar het oordeel van de rechtbank is het belangrijk dat [minderjarige] kan vertrouwen op duidelijkheid en rust in zijn huidige opvoedingsomgeving. Indien de ouders in plaats van de voogd de zeggenschap zouden krijgen in zaken die [minderjarige] betreffen, bestaat het gevaar dat de huidige gecreëerde stabiliteit ondergraven wordt wat de ontwikkeling van [minderjarige] zal schaden. Nu het toekomstperspectief van [minderjarige] duidelijk is, namelijk continuering van zijn verblijfplaats in het pleeggezin, dient de zeggenschap over hem – gezien de gegeven omstandigheden – niet bij de ouders te (komen) liggen.

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank het primaire verzoek afwijzen.

ten aanzien van het subsidiaire verzoek van de ouders

De ouders hebben subsidiair verzocht om op grond van artikel 1:377a lid 2 BW juncto artikel 1:377g BW een omgangsregeling vast te stellen aldus dat er tussen de ouders en [minderjarige] gedurende de eerste drie maanden eenmaal in de veertien dagen op een zaterdag of een zondag omgang zal plaatsvinden, waarna dit na evaluatie en positieve beoordeling zal worden uitgebreid naar eenmaal in de veertien dagen een weekend met overnachting, dan wel een regeling zoals de rechtbank in goede justitie vermeend te behoren.

In artikel 1:377a lid 1 BW is als uitgangspunt vermeld dat het kind het recht heeft op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Op grond van artikel 1:377a lid 2 BW stelt de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang.

Op grond van artikel 1:377g BW kan de rechter, indien haar blijkt dat de minderjarige van twaalf jaar of ouder hierop prijs stelt, ambtshalve een beslissing geven op de voet van de artikelen 1:377a of 1:377b BW, dan wel zodanige beslissing op de voet van artikel1:377e BW wijzigen. Hetzelfde geldt indien de minderjarige de leeftijd van twaalf jaren nog niet heeft bereikt, maar in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake.

De rechtbank overweegt dat de ouders op dit moment eenmaal in de drie weken gedurende zes uren contact hebben met [minderjarige] . De rechtbank begrijpt dat de ouders met de door hen verzochte omgangsregeling een uitbreiding van dit contact wensen. De ouders zijn betrokken ouders en voelen zich verbonden met hun kind. De rechtbank acht hetgeen de ouders hebben gesteld echter onvoldoende om te kunnen concluderen dat de door hen verzochte omgangsregeling in de plaats dient te komen van de huidige regeling. Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van de verstrekte informatie voldoende komen vast te staan dat de huidige frequentie en duur van het contact tussen de ouders en [minderjarige] recht doet aan het belang van [minderjarige] om zich voorspoedig te kunnen ontwikkelen. Gebleken is dat de bezoekregeling zorgvuldig wordt vastgesteld in overleg met deskundigen en ook wordt uitgebreid indien hiervoor mogelijkheden zijn met inachtneming van de belangen van [minderjarige] . Een overnachting van [minderjarige] bij de ouders zoals door de ouders op termijn verzocht, is een brug te ver. [minderjarige] is vooral gebaat bij rust en moet kunnen vertrouwen op een bezoekregeling die tegemoet komt aan zijn behoeftes.

De rechtbank overweegt dat – blijkens het onderzoek ter zitting – het pijnpunt in de onderhavige situatie met name gelegen lijkt te zijn in het gegeven dat de ouders zich onvoldoende gehoord voelen door de GI. Dit dient een aandachtspunt voor de GI te blijven, mede gelet op het belang van een goede samenwerking tussen de ouders, de GI en de pleegouders. Dit vraagt ook van de ouders dat zij in deze samenwerking investeren en zich richten op het creëren van mogelijkheden om dichter bij [minderjarige] te kunnen staan op welke manier dan ook. Voorop staat immers dat [minderjarige] het fijn dient te hebben in het pleeggezin en bij de ouders.

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank ook het subsidiaire verzoek afwijzen.

ten aanzien van het verzoek inzake de proceskosten

Ten aanzien van de proceskosten acht de rechtbank termen aanwezig deze kosten te compenseren als na te melden.

De beslissing

De rechtbank:

wijst af de verzoeken van de ouders;

compenseert de proceskosten tussen partijen aldus, dat ieder van partijen de eigen kosten

draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.M. Koopman, rechter, in tegenwoordigheid van mr. V. Stroink als griffier en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2019.

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.