Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:951

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
06-03-2019
Datum publicatie
07-03-2019
Zaaknummer
05/880765-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

poging tot doodslag – geslaagd beroep op noodweer – veroordeling wapenbezit en handel in cocaïne

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/880765-17

Datum uitspraak : 6 maart 2019

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres]

raadsman: mr. W.H. Teusink, advocaat te Wezep.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 25 september 2017, 9 oktober 2017, 18 december 2017, 12 maart 2018, 4 juni 2018, 17 juli 2018, 10 september 2018, 5 februari 2019, 6 februari 2019 en 21 februari 2019.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een toegewezen vordering wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

Primair

hij in of omstreeks de nacht van 10 maart 2017 op 11 maart 2017 te Vaassen, in elk geval in de gemeente Epe, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een vuurwapen meerdere malen, althans eemaal, geschoten, terwijl die [slachtoffer 1] zich op dat moment in de direkte omgeving van verdachte bevond, waarbij die [slachtoffer 1] in het lichaam werd geraakt, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

Subsidiair

hij in of omstreeks de nacht van 10 maart 2017 op 11 maart 2017 te Vaassen, in elk geval in de gemeente Epe, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, meerdere malen, althans eenmaal, met een vuurwapen heeft geschoten, terwijl die [slachtoffer 1]

zich op dat moment in de direkte omgeving van verdachte bevond, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij in of omstreeks de nacht van 10 maart 2017 op 11 maart 2017 te Vaassen, in elk geval in de gemeente Epe, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2]

en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] opzettelijk van het leven te beroven, met een vuurwapen meerdere malen, althans eenmaal, op/in de richting van die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 4] en/of die [slachtoffer 5] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij in of omstreeks de nacht van 10 maart 2017 op 11 maart 2017 te Vaassen, in elk geval in de gemeente Epe, een of meer wapen(s) van categorie II en/of categorie III, te weten een of meer vuurwapen(s), voorhanden heeft gehad;

4.

hij in of omstreeks de periode van 12 maart 2017 tot en met 27 juni 2017 in de gemeente Apeldoorn meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

In de nacht van 10 maart 2017 op 11 maart 2017 tussen ongeveer 23:50 uur en 00:02 uur heeft een schietpartij plaatsgevonden op de carpoolplaats te Vaassen. Tijdens de schietpartij op de carpoolplaats waren aanwezig: [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 4] , [verdachte] en [slachtoffer 1] .2

[slachtoffer 1] is bij de schietpartij om het leven gekomen. Na onderzoek aan zijn lichaam is vastgesteld dat hij is overleden als gevolg van inwerking van bij leven opgelopen uitwendig mechanisch perforerend geweld, passend bij één doorschot door de linkerhelft van de borstkas. Het schotkanaal verliep zeer waarschijnlijk van voren naar achteren.3

Op de carpoolplaats zijn tien hulzen aangetroffen: vijf hulzen van het kaliber 9 mm Parabellum en vijf hulzen van het kaliber 7.62 mm Tokarev. In de aangetroffen auto van [slachtoffer 1] is één huls van het kaliber 9 mm Parabellum aangetroffen.4 Door het verschil in kaliber zijn de twee groepen hulzen verschoten met minimaal twee verschillende wapens.5 De gehanteerde wapens zijn niet aangetroffen.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 subsidiair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat verdachte ten aanzien van de feiten 1, 2 en 4 moet worden vrijgesproken wegens het ontbreken van wettig bewijs. Ten aanzien van feit 3 heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De door de verdediging gevoerde verweren zullen verderop bij de beoordeling worden besproken.

Beoordeling door de rechtbank

Ten aanzien van de feiten 1 en 2

[verdachte] heeft verklaard dat hij op de carpoolplaats een Tokarev vuurwapen bij zich had en dat hij al rennend in de richting van de auto van [slachtoffer 1] heeft geschoten.6 Hij hield daarbij zijn wapen naar achteren en schoot.7 Toen [verdachte] wegrende stond [slachtoffer 1] achter de auto. [slachtoffer 1] rende op enig moment in de richting van [verdachte] .8

Op dat moment stonden verder op de carpoolplaats [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 4] .9

Gelet op de vijf aangetroffen hulzen die afkomstig zijn van het kaliber 7.62 mm Tokarev, kan vastgesteld worden dat [verdachte] in ieder geval vijf keer heeft geschoten.10

Forensisch onderzoek en conclusies daaruit

Er is veel inspanning verricht om te onderzoeken uit welk wapen het dodelijk schot afkomstig was. Daarbij was allereerst de vraag aan de orde welke wapens gebruikt zijn. Te onderscheiden zijn een Tokarev, kaliber 7.62 mm ( [verdachte] ), een Glock, kaliber 9 mm ( [slachtoffer 5] ), beide pistool. Daarnaast is geschoten met een revolver, kaliber onbekend ( [slachtoffer 2] ). Voorts is onbekend met welk wapen [slachtoffer 3] heeft geschoten. Uit het feit dat verklaard wordt dat [slachtoffer 3] in de auto op de terugweg hulzen in zijn handen had zou een revolver voor de hand liggen. De hulzen die op de plaats delict zijn gevonden passen bij de Glock van [slachtoffer 5] en de Tokarev van [verdachte] .

Kijkend naar de schotverwondingen zou het gaatje in de rib van ongeveer 6 mm moeten horen bij kaliber .22, waar [slachtoffer 2] mogelijk mee geschoten heeft (of [slachtoffer 3] ?), maar de deskundige wijst er op dat dit gaatje zich in het kraakbenig deel van de rib bevindt en dat dit buigzaam/elastisch is, zodat er ook een kogel van kaliber 9 mm of 7.62 mm doorheen gegaan kan zijn (resp. [slachtoffer 5] en [verdachte] en mogelijk ook nog [slachtoffer 3] ).

Er is ook veel aandacht voor het schotrestenonderzoek geweest, maar ook dat heeft – kort gezegd - geen uitsluitsel over wapen en schutter kunnen geven.

De raadsman van verdachte is in zijn pleidooi zeer diep op de forensische materie ingegaan en heeft vergaande gevolgtrekkingen naar voren gebracht, maar ook daaruit zijn naar het oordeel van de rechtbank niet met de voor een veroordeling vereiste zekerheid een schutter en een wapen af te leiden.

(Poging tot) doodslag?

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig als verdachte zich bewust was van de aanmerkelijke kans dat het onderhavige gevolg zou intreden en dat hij die kans willens en wetens heeft aanvaard. Daarvoor is niet alleen vereist dat verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans tijdens de gedraging bewust heeft aanvaard of op de koop toe heeft genomen. Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van voorwaardelijk opzet zal onder meer afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het, behoudens contra-indicaties, niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

Dit houdt in dit geval in dat voor het aannemen van voorwaardelijk opzet op de ten laste gelegde feiten, sprake moet zijn van een aanmerkelijke kans op de dood van de op de carpoolplaats aanwezige personen en de bewuste aanvaarding of het op de koop toenemen van die kans door verdachte.

De rechtbank is van oordeel dat hiervan sprake is. Door al rennend te schieten op de carpoolplaats, terwijl er op die carpoolplaats meerdere personen aanwezig waren, bestond een aanmerkelijke kans op de dood van één of meer van hen.

Verdachte heeft deze aanmerkelijke kans ook willens en wetens aanvaard. Hij wist op het moment dat hij schoot dat er meerdere personen op de carpoolplaats waren, waaronder zijn vriend [slachtoffer 1] . Door desondanks met een vuurwapen op de carpoolplaats te schieten, heeft verdachte de aanmerkelijke kans op de dood van een van de aanwezigen bewust aanvaard.

Hetzij door een kogel van verdachte, hetzij door een kogel van een medeverdachte. Ook verdachte heeft nauw en bewust bijgedragen aan de dood van [slachtoffer 1] door bewust en met een bepaald doel op pad te gaan met een “ijzer” en dat vervolgens met de andere wapendragers op de carpoolplaats in het wilde weg te gebruiken. Door zich aldus te gedragen doet het niet meer terzake voor welke partij men optreedt, immers alle aanwezigen plaatsen zich bewust in de rol van schutter en mogelijk slachtoffer tegelijk. Het eendrachtige en gezamenlijke levensgevaarlijke gedrag treedt op de voorgrond. Door aldus deel te nemen aan de schietpartij is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachten gericht op de dood van een of meer deelnemers. De rechtbank acht het daarbij niet relevant door wie het dodelijk schot is gelost. Kennelijk werd, gelet op de meegebrachte vuurwapens, voorafgaand aan de drugsdeal door beide partijen geanticipeerd op mogelijk gebruik van geweld of dreiging met geweld.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte aangemerkt kan worden als medepleger van een voltooide doodslag. Dit is echter niet ten laste gelegd.

Nu wegens het ontbreken van onomstotelijk forensisch bewijs niet kan worden vastgesteld wie het schot heeft gelost als gevolg waarvan [slachtoffer 1] om het leven is gekomen, zal verdachte worden vrijgesproken van het onder feit 1 primair ten laste gelegde feit.

De rechtbank is gelet op het bovenstaande van oordeel dat een poging tot doodslag wel bewezen kan worden verklaard, zowel ten aanzien van feit 1 als feit 2.

Ten aanzien van feit 3

Verdachte heeft verklaard dat hij in de nacht van 10 maart 2017 op 11 maart 2017 in Vaassen een vuurwapen van het merk Tokarev voorhanden heeft gehad.11 Ook [slachtoffer 5] heeft verklaard dat verdachte een vuurwapen bij zich droeg.12 Dit vuurwapen valt onder categorie III van de Wet Wapens en Munitie.13 Gelet hierop vindt de rechtbank het ten laste gelegde onder feit 3 wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 4

Het telefoonnummer van verdachte is getapt in de periode van 7 april 2017 tot 29 mei 2017 en van 12 juni 2017 tot 4 juli 2017. Verdachte maakte met zijn gesprekspartners gebruik van versluierd taalgebruik.14 Zo belde verdachte op 13 mei 2017 met een persoon die zegt dat hij lotto en donni nodig heeft. Verdachte vraagt B of C. De persoon zegt dat hij C nodig heeft.15 Op dezelfde datum vraagt een persoon verdachte om Mani, Ino of granny.16 Getuige [getuige] en verdachte wisselen op 20 juni 2017 Whats-Appberichten uit waarin getuige vraagt of verdachte zijn € 300,- wil omdat hij het nu heeft. Ook geeft verdachte aan dat hij nog 8 donis heeft en dat hij het in de brievenbus van getuige laat gooien.17 Geconfronteerd met deze berichtenwisseling verklaarde getuige [getuige] dat hij in één jaar tijd 3 of 4 keer pakketjes coke van € 20,- of € 50,- bij verdachte heeft gekocht. De laatste keer dat hij coke bij verdachte heeft gekocht kan volgens hem in de periode zijn geweest waarin de aan hem getoonde WhatsApp-berichten van 20 juni 2017 plaatsvonden.18

Naast voormelde gesprekken tussen verdachte en afnemers van drugs, is op 27 juni 2017 in de woningen van verdachte een hoeveelheid contant geld aangetroffen van € 8.280,- in coupures van € 10,-, € 20,- en € 50,-.19 Het is algemeen bekend dat dergelijke coupures typerend zijn voor de handel in drugs. De verklaring van verdachte dat hij dit geld in bewaring had voor iemand anders vindt de rechtbank niet aannemelijk en wordt bovendien niet nader onderbouwd.

Gelet op bovenvermelde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, vindt de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde onder feit 4 heeft begaan.

Gelet op de periode waarin de telefoon van verdachte is getapt verklaart de rechtbank als begindatum van de ten laste gelegde periode 7 april 2017 wettig en overtuigend bewezen.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 subsidiair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan, te weten dat:

1.

hij in of omstreeks de nacht van 10 maart 2017 op 11 maart 2017 te Vaassen, in

elk geval in de gemeente Epe, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, meerdere malen, althans eenmaal, met een vuurwapen heeft geschoten, terwijl die [slachtoffer 1] zich op dat moment in de direkte omgeving van verdachte bevond, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij in of omstreeks de nacht van 10 maart 2017 op 11 maart 2017 te Vaassen, in elk geval in de gemeente Epe, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2]

en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] opzettelijk van het leven te beroven, met een vuurwapen meerdere malen, althans eenmaal, op/in de richting van die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 4] en/of die [slachtoffer 5] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij in of omstreeks de nacht van 10 maart 2017 op 11 maart 2017 te Vaassen, in elk geval in de gemeente Epe, een of meer wapen(s) van categorie II en/of categorie III, te weten een of meer vuurwapen(s), voorhanden heeft gehad;

4.

hij in of omstreeks de periode van 7 april 2017 tot en met 27 juni 2017 in de

gemeente Apeldoorn meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

poging tot doodslag

Ten aanzien van feit 2:

poging tot doodslag, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 3:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

Ten aanzien van feit 4:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

5 De strafbaarheid van de feiten

De raadsman heeft namens verdachte met betrekking tot feit 1 subsidiair en feit 2 een beroep gedaan op noodweer. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte en [slachtoffer 1] in de auto door [slachtoffer 5] met een vuurwapen werden bedreigd. Ook viel er in de auto een schot. Vlak voordat verdachte uit de auto kwam zag hij dat [slachtoffer 3] een wapen op hem richtte. Verdachte rende vervolgens in de richting van het talud terwijl [slachtoffer 5] en [slachtoffer 2] in de richting van verdachte schoten. Verdachte is ook daadwerkelijk in zijn hand geraakt door een kogel. In zijn vlucht schoot verdachte zijn wapen af. Verdachte handelde aldus uit noodweer toen hij in de vlucht voor zijn belagers zijn wapen afschoot.

De officier van justitie heeft ten aanzien van feit 1 naar voren gebracht dat [slachtoffer 1] geen van de verdachten heeft aangevallen en dat om die reden een beroep op noodweer niet mogelijk is. Ten aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie naar voren gebracht dat verdachte met criminele intenties naar de carpoolplaats is gekomen. Verdachte had de deal af moeten blazen nu hij er sterk en concreet rekening mee hield dat hij geript zou worden. Daarnaast is er pas geschoten op het moment dat alle verdachten van elkaar wegliepen. Op dat moment was er geen sprake meer van een wederrechtelijke aanranding.

De rechtbank overweegt dat [slachtoffer 5] in de auto de eerste geweldshandeling heeft gepleegd. Verdachte werd immers onder schot gehouden door [slachtoffer 5] en ook heeft [slachtoffer 5] in de auto het eerste schot gelost. Ook werd verdachte onder schot gehouden door [slachtoffer 3] die buiten de auto stond en hebben [slachtoffer 5] en [slachtoffer 2] in de richting van verdachte geschoten terwijl verdachte wegrende. Naar het oordeel van de rechtbank was op dat moment sprake van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van verdachte waartegen hij zich moest verdedigen. Dat er sprake was van een dergelijke situatie wordt ondersteund door de verklaring van [slachtoffer 3] die in het Huis van Bewaring tegen een medegedetineerde heeft gezegd: “Er waren twee kerels. Eén is gone. Die is dood, en de ander, die is weggerend […] heeft zichzelf gered…”.

De rechtbank volgt de officier van justitie niet in haar stelling dat een beroep op noodweer niet mogelijk is omdat [slachtoffer 1] verdachte niet heeft aangevallen. Dit doet immers niet af aan de situatie waarin verdachte zich bevond, namelijk dat er op hem werd geschoten en dat hij zich moest verdedigen.

Vast staat dat verdachte gewapend naar de carpoolplaats is gekomen en er rekening mee hield dat hij geript zou worden. De Hoge Raad heeft bepaald dat gedragingen van een verdachte voorafgegaan aan de latere wederrechtelijke aanranding in de weg kunnen staan aan een geslaagd beroep op noodweer, maar slechts onder bijzondere omstandigheden. De enkele omstandigheid dat een verdachte zich willens en wetens in een situatie heeft begeven waarin een agressieve reactie van het latere slachtoffer te verwachten viel of dat een verdachte zich in verband met een mogelijke aanval van het slachtoffer als voorzorgsmaatregel van een illegaal vuurwapen had voorzien, is daartoe evenwel onvoldoende. Gelet hierop staan de gedragingen van verdachte naar het oordeel van de rechtbank niet in de weg aan een geslaagd beroep op noodweer.

De rechtbank is daarnaast van oordeel dat verdachte door zijn handelwijze de grenzen van de noodzakelijk verdediging niet heeft overschreden. Verdachte heeft allereest geprobeerd om zich te onttrekken aan de aanranding door weg te rennen. Tijdens zijn vlucht werd er op hem geschoten. Verdachte moest zich op dat moment verdedigen. Het door hem gebruikte verdedigingsmiddel, een vuurwapen, staat in redelijke verhouding tot de ernst van de aanranding.

Dit brengt mee dat het beroep op noodweer wordt gehonoreerd en verdachte ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Deze feiten zijn derhalve niet strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder feit 1 subsidiair en het onder feit 2, 3 en 4 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 jaar.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte wilde een drugsdeal sluiten en is gewapend met een vuurwapen naar de carpoolplaats gegaan. Op de carpoolplaats kwam het tot een schietpartij tussen verdachte en de kopers [slachtoffer 2] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 3] . Verdachte heeft toen, hoewel uit zelfverdediging, ook zelf geschoten. Daarnaast heeft verdachte gedurende ruim 3 maanden gehandeld in cocaïne.

Het voorhanden hebben van een vuurwapen vormt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij, terwijl hij de kopers niet vertrouwde, gewapend met een vuurwapen naar de carpoolplaats is gegaan om een drugsdeal te sluiten. Daarnaast heeft verdachte door te handelen in cocaïne bijgedragen aan de verspreiding en het gebruik van deze sterk verslavende harddrugs. Hiermee heeft hij de gezondheid van personen in gevaar gebracht. Kennelijk heeft een ripdeal met fatale afloop voor zijn vriend [slachtoffer 1] verdachte niet afgeschrikt en hem niet weerhouden van het weer oppakken van zijn drugshandel. De rechtbank vindt dit onbegrijpelijk.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de straf aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken. Bij het voorhanden hebben van een vuurwapen wordt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden vermeld. Voor de handel in harddrugs wordt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden vermeld. Strafverhogend werkt het feit dat verdachte het vuurwapen voorhanden heeft gehad in een explosieve situatie, namelijk in een situatie waarin hij de kopers niet vertrouwde en de drugsdeal mogelijk uit de hand zou lopen, hetgeen ook is gebeurd. Ten slotte heeft de rechtbank het verdachte betreffende uittreksel justitiële documentatie van 19 december 2018 in de beoordeling betrokken, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld.

Alles overwegende vindt de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden passend en geboden.

De rechtbank ziet aanleiding om een gedeelte van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen nu verdachte per 10 oktober 2017 is geschorst uit de voorlopige hechtenis met onder andere de bijzondere voorwaarde elektronisch toezicht door middel van een enkelband. Verdachte is derhalve gedurende langere tijd in zijn vrijheid beperkt. De rechtbank zal daarom een deel van de gevangenisstraf, te weten 3 maanden, voorwaardelijk opleggen.

7a. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [benadeelde] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het ten laste gelegde onder de feiten 1 en 2. Gevorderd wordt een bedrag van € 20.000,- voor immateriële schade (affectieschade) en een bedrag van € 6.750,- voor materiële schade. Dit betreft kosten in verband met de uitvaart. Daarnaast is een bedrag van € 4.170,- voor advocaatkosten gevorderd.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering niet ontvankelijk te verklaren nu, juridisch gezien, niemand verantwoordelijk kan worden gehouden voor de dood van [slachtoffer 1] .

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gevraagd de vordering af te wijzen nu de verdediging vrijspraak voor feit 1 primair en ontslag van alle rechtsvervolging voor feit 1 subsidiair heeft bepleit.

Beoordeling door de rechtbank

Verdachte is ontslagen van alle rechtsvervolging van het ten laste gelegde onder feit 1. Nu de door de benadeelde partij gevorderde schade een gevolg is van het ten laste gelegde onder feit 1, zal de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 41, 45, 91 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart het onder feit 1 en 2 bewezen verklaarde niet strafbaar en ontslaat verdachte voor dit feit van alle rechtsvervolging;

 verklaart verdachte voor het bewezenverklaarde onder de feiten 3 en 4 strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden;

- Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf groot 3 (drie) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van de voorwaarde dat verdachte zich niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de proeftijd drie jaren bedraagt;

- beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

 verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in haar vordering.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.J.M. van Apeldoorn (voorzitter), mr. W.L.F. Prisse en

mr. S.A. van Hoof, rechters, in tegenwoordigheid van D. Waizy en mr. E. Bruinsma-Visscher, griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 maart 2019.

mr. W.L.F. Prisse en mr. S.A. van Hoof zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] , brigadier van de politie Oost Nederland, Dienst Regionale Recherche, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 2017111069 (onderzoek TGO Estland), gesloten op 21 november 2017 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 De verklaring van [slachtoffer 2] afgelegd ter terechtzitting van 5 februari 2019, de verklaring van [slachtoffer 3] afgelegd ter terechtzitting van 5 februari 2019, de verklaring van [slachtoffer 5] afgelegd ter terechtzitting van 5 februari 2019, de verklaring van [slachtoffer 4] afgelegd ter terechtzitting van 5 februari 2019 en de verklaring van [verdachte] afgelegd ter terechtzitting van 10 september 2018.

3 Het NFI-rapport d.d. 20 maart 2017, p. 2558-2559.

4 Het proces-verbaal sporenonderzoek, p. 2269.

5 Het NFI-rapport d.d. 15 juni 2017, p. 675.

6 De verklaring van verdachte [verdachte] afgelegd ter terechtzitting van 10 september 2018.

7 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , p. 449.

8 Het proces-verbaal van verhoor getuige [verdachte] , p. 607.

9 De verklaring van [slachtoffer 2] afgelegd ter terechtzitting van 5 februari 2019, de verklaring van [slachtoffer 3] afgelegd ter terechtzitting van 5 februari 2019, de verklaring van [slachtoffer 5] afgelegd ter terechtzitting van 5 februari 2019, de verklaring van [slachtoffer 4] afgelegd ter terechtzitting van 5 februari 2019 en de verklaring van [verdachte] afgelegd ter terechtzitting van 10 september 2018.

10 Het proces-verbaal sporenonderzoek, p. 2269.

11 De verklaring van verdachte [verdachte] afgelegd ter terechtzitting van 10 september 2018.

12 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [slachtoffer 5] , p. 314.

13 Het proces-verbaal van bevindingen WWM, PL0600 – 2017111069-137.

14 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 1867.

15 Tapgesprek, p. 1941.

16 Tapgesprek, p. 1950.

17 WhatsApp-berichten, p. 1999 en 2000.

18 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 1969 en 1970.

19 Het proces-verbaal doorzoeking, p. 1821 en 1822, het proces-verbaal onderzoek in beslag genomen kluis, p. 1829 en het proces-verbaal van doorzoeking, p. 1844.