Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:933

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
27-02-2019
Datum publicatie
06-03-2019
Zaaknummer
C/05/336299 / FA RK 18/1236
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verhaalsbijstand.

- Inzage in het gehele bijstandsdossier, op grond van artikel 843a Rv, is niet nodig

- Met een wijziging van omstandigheden dient gelijk te worden gesteld het geval waarin is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens

- Ingevolge de van toepassing zijnde artikelen van de Participatiewet moet het college rekening houden met de maatstaven die gelden en de omstandigheden die van belang zijn in het geval dat de rechtbank dient te beslissen over de vraag of en, zo ja, tot welk bedrag een uitkering tot levensonderhoud zou moeten worden toegekend

- Er is slechts sprake van een verhaalsbevoegdheid indien er een causaal verband is tussen de echtscheiding en de verstrekking van bijstand. Naast de inspanning van de bijstandsgerechtigde worden ook de inspanningen van het college beoordeeld. De inspanningen van het college hebben een (beperkte) doorwerking

- De stelplicht en - bij voldoende betwisting - de bewijslast ten aanzien van de behoefte en behoeftigheid, rust bij het college

- Verjaring kan worden gestuit

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 843a
Wet werk en bijstand 62e
Wet werk en bijstand 62a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2019-0071
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Team familierecht

Zittingsplaats Arnhem

Zaakgegevens: C/05/336299 / FA RK 18/1236

Datum uitspraak: 27 februari 2019

beschikking verhaalsbijstand

in de zaak van

[naam] (nader te noemen: de man),

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. B. Anik te Arnhem,

tegen

Het college van burgemeester en wethouders van [de gemeente] (nader te noemen: het college),

advocaat mr. M. Willems-Muller te Nijmegen.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Dit verloop blijkt uit:
- het verzoekschrift namens de man, ingekomen op 23 april 2018;
- het verweerschrift tevens houdende een zelfstandig verzoek namens het college, ingekomen op 15 juni 2018;
- het verweerschrift tegen het zelfstandig verzoek namens de man, ingekomen op 2 augustus 2018;
- de akte overlegging bijlagen namens het college, ingekomen op 30 november 2018.

1.2.

De zaak is behandeld ter zitting met gesloten deuren op 12 december 2018. Daarbij waren aanwezig:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- namens het college: de advocaat voornoemd en de heer A. van Wees.

2 De feiten

2.1.

De man is gehuwd geweest met mevrouw [naam] (nader te noemen: de vrouw). Zij hebben de Nederlandse nationaliteit.

2.2.

Het minderjarige kind van partijen is:
- [naam] , geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] .

2.3.

Het huwelijk van de man en de vrouw is ontbonden door de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Arnhem van 7 november 2008 in de registers van de burgerlijke stand op 22 december 2008.

2.4.

In de echtscheidingsbeschikking is (onder meer) bepaald dat [de minderjarige] haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw heeft.
Met ingang van 12 juli 2017 is [de minderjarige] bij de man gaan wonen.

2.5.

Bij beschikking van de rechtbank Arnhem van 30 mei 2011 is de door de man verschuldigde verhaalsbijdrage voor de vrouw en [de minderjarige] met ingang van 1 juni 2010 vastgesteld op € 429 per maand en met ingang van 1 april 2011 op € 438,70 per maand, alles tot zolang de bijstandsverlening aan de vrouw voortduurt.

2.6.

De verhaalsbijdrage is nadien diverse malen door het college aangepast:
- beslissing van 13 januari 2016 (door de toepassing van de wettelijke indexering): € 462,65 per maand met ingang van 1 januari 2016;
- beslissing van 15 juni 2016 (door een herberekening): € 839 per maand met ingang van 1 november 2016;
- beslissing van 18 april 2017 (door een herberekening): € 772 per maand met ingang van 27 maart 2017;
- beslissing van 1 augustus 2017 ( [de minderjarige] woont vanaf 12 juli 2017 bij de man): € 660 per maand met ingang van 12 juli 2017.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

De man verzoekt de rechtbank, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. Te bepalen dat het college op grond van artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.) in deze procedure inzage dient te verstrekken in het volledige bijstandsdossier betreffende de vrouw, dan wel inzage te verstrekken in die delen van het bijstandsdossier betreffende de vrouw waaruit valt op te maken welke bedragen er de afgelopen tijd aan de vrouw zijn uitgekeerd, op welke wijze het college de vrouw heeft aangespoord om te gaan werken, en/of waarom de vrouw al deze jaren niet heeft gewerkt;
II. Primair vast te stellen dat de verhaalsbijdrage ten behoeve van de vrouw met ingang van het moment dat zij een bijstandsuitkering ontving op nihil wordt gesteld, dan wel dat dit gebeurt met ingang van de datum waarop de rechtbank van mening is dat de vrouw niet langer behoeftig is, dan wel met ingang van een datum zoals de rechtbank dat reëel acht;
III. Subsidiair te bepalen dat de verhaalsbijdrage ten behoeve van [de minderjarige] , en daarmee samenhangend dan ook voor wat betreft de vrouw, over de afgelopen jaren opnieuw dient te worden berekend aan de hand van de nog nader vast te stellen behoefte van zowel [de minderjarige] als de vrouw ten tijde van het huwelijk van de man en de vrouw;
IV. Meer subsidiair te bepalen dat de verhaalsbijdrage met ingang van 27 november 2016 opnieuw dient te worden vastgesteld, in verband met het destijds afgesloten krediet en de daarmee samenhangende lasten, en deze bijdrage met ingang van 1 maart 2018 wederom opnieuw vast te stellen, rekening houdend met de verlaging van het inkomen van de man.

3.2.

Ter onderbouwing van zijn verzoek voert de man - kort gezegd - aan dat:
- van het college mag worden verwacht dat zij er alles aan hebben gedaan om de vrouw aan te sporen om zelf in haar levensonderhoud te gaan voorzien, waardoor de vrouw niet behoeftig is en geen behoefte heeft;
- de behoefte van de vrouw nooit is vastgesteld;
- er sprake is geweest van een wijziging van omstandigheden.

3.3.

Het college verzoekt de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken, althans deze af te wijzen. Zij voert daartoe - kort gezegd - aan dat de opgelegde verhaalsbijdragen aan de wettelijke vereisten hebben voldaan. Het college maakt daarnaast aanspraak op betaling van de achterstallige verhaalsbijdrage, over de periode 1 juni 2008 tot
1 augustus 2017 berekend op € 20.031,40. Het college verzoekt de rechtbank de man daartoe te veroordelen, zulks te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid, althans vanaf de dag van het verzoekschrift tot aan de dag van algehele voldoening. Ten slotte verzoekt het college de man te veroordelen in de kosten van de procedure, te vermeerderen met de nakosten.

3.4.

De man verzoekt het college niet-ontvankelijk te verklaren in het verzoek tot betaling van een bedrag van € 20.031,40 Daarnaast verzoekt de man het verzoek van het college om hem in de kosten van de procedure te veroordelen af te wijzen.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna nader ingegaan, voor zover voor de verzoeken van belang.

4 De beoordeling

De ontvankelijkheid

4.1.

Op grond van artikel 62e lid 1 van de Participatiewet kan het door de rechter vastgestelde verhaalsbedrag op verzoek van het college of van degene op wie verhaal wordt uitgeoefend door de rechter worden gewijzigd op grond van gewijzigde omstandigheden.

4.2.

Op grond van artikel 62e lid 2 van de Participatiewet kan het college aan de rechter verzoeken het verhaalsbedrag in afwijking van een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud verschuldigd krachtens boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) vast te stellen, indien de rechter:
a) deze uitspraak zou kunnen wijzigen op de gronden genoemd in de artikelen 157 en 401 van Boek 1 BW;
b) geen rekening heeft kunnen houden met alle voor de betrokken beslissing in aanmerking komende gegevens en omstandigheden betreffende beide partijen.

4.3.

Met een wijziging van omstandigheden dient te worden gelijkgesteld het geval waarin, naar analogie van artikel 1:401 lid 4 BW, bij een vorige beschikking is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens (Hoge Raad 11 november 1988, ECLI:NL:HR:1988:AC:2216 en Hoge Raad 14 april 1989, ECLI:NL:HR:1989:AC3547).
Dit maakt dat de man in zijn verzoeken, gebaseerd op artikel 62e lid 1 en naar analogie op artikel 62e lid 2 van de Participatiewet, kan worden ontvangen.

4.4.

Dat de beschikking van de rechtbank Arnhem van 30 mei 2011, waartegen de man geen hoger beroep heeft ingesteld, in kracht van gewijsde is gegaan, maakt niet dat de man zich niet (meer) kan beroepen op de stelling dat de beschikking van de aanvang af aan niet heeft voldaan aan de wettelijke maatstaven. Het ligt echter op de weg van de man om met onderliggende stukken te onderbouwen welke verhaalsbijdrage, uitgaande van de volgens hem juiste gegevens, dan had moeten worden vastgesteld. De man heeft zijn stelling dat bij de beschikking van 30 mei 2011 van onjuiste en onvolledige gegevens is uitgegaan voldoende onderbouwd gemotiveerd, zodat hij kan worden ontvangen in zijn verzoek.

Verjaring en terugwerkende kracht

4.5.

Het college heeft aangevoerd dat de man geen aanpassing kan verzoeken van al hetgeen hij voorafgaand aan de periode aan 13 april 2013 (vijf jaren voor de indiening van het verzoekschrift) verschuldigd is. Voor zover het college hiermee heeft beoogd te betogen dat een verzoek gegrond op 62e lid 1 van de Participatiewet juncto 1:401 lid 4 BW met daarbij het verzoek tot het toekennen van terugwerkende kracht, slecht kan worden gedaan voor zover het verzoek tot terugwerkende kracht gelijk is aan de verjaringstermijn, mist het verweer van het college grondslag. De mogelijkheid tot het instellen van een verzoek tot wijziging van de verhaalsbijdrage is immers niet aan verjaring van vijf jaren onderhevig. Een dergelijk verzoek kan ook vergezeld gaan van het verzoek terugwerkende kracht toe te kennen waarbij de rechter hierin een beslissing zal nemen. Aan het verjaringsverweer van het college wordt derhalve voorbij gegaan.

Inzage op grond van artikel 843a Rv

4.6.

Artikel 843a Rv bepaalt dat ‘hij die daarbij een rechtmatig belang heeft, kan op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn, van degene die deze bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft’.

4.7.

Op basis van de Memorie van Toelichting bij het aanhangige wetsvoorstel en het arrest van de Hoge Raad van 5 december 2014 (ECLI:NL:HR:2014:3533), waarin wordt geoordeeld dat artikel 223 Rv analoge toepassing vindt in verzoekschriftprocedures, is artikel 843a Rv ook van toepassing in verzoekschriftprocedures.
Het verzoek dient dus thans inhoudelijk te worden beoordeeld.

4.8.

Aan de toewijsbaarheid van een verzoek op grond van artikel 843a Rv zijn drie cumulatieve voorwaarden verbonden: 1) rechtmatig belang, 2) bepaalde bescheiden, 3) partij zijn bij de rechtsbetrekking. Er is aldus geen sprake van een algemene inzagerecht. De man kan slechts om inzage in bepaalde met name genoemde bescheiden verzoeken en hij moet dan bij de inzage van de bescheiden een rechtmatig belang hebben. Het verzoek van de man heeft betrekking op zijn onderhoudsplicht die hij heeft jegens de vrouw en [de minderjarige] en daarvoor is geen inzage nodig in het gehele bijstandsdossier. Het had op de weg van de man gelegen om, mede in het licht van hetgeen reeds door het college in het geding is gebracht, te specificeren welke documenten hij nog nader wenste te ontvangen. Dat de man dit niet heeft gedaan komt voor zijn eigen risico. Zijn vordering tot inzage op grond van 843a Rv wordt derhalve afgewezen.

Verhaalsrecht

4.9.

Ingevolge artikel 62 Participatiewet kan het college kosten van bijstand verhalen tot de grens van de onderhoudsplicht, bedoeld in Boek 1 BW. Bij de beoordeling van het bestaan van dit verhaalsrecht dient het college, ingevolge artikel 62a Participatiewet, rekening te houden met de maatstaven die gelden en de omstandigheden die van belang zijn in het geval dat de rechtbank dient te beslissen over de vraag of en, zo ja, tot welk bedrag een uitkering tot levensonderhoud na echtscheiding, scheiding van tafel en bed of ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed zou moeten worden toegekend.

4.10.

In de door het college gehanteerde interne richtlijn, die de algemeen geldende regels en de jurisprudentie met betrekking tot de verhaalsbijdrage volgen, is bepaald dat er slechts sprake is van een verhaalsbevoegdheid jegens de ex-partner indien er sprake is van een causaal verband tussen de echtscheiding en de behoefte aan bijstand van de ex-partner. Bij de vaststelling van het causaal verband wordt de doelstelling van de wet - werk vóór inkomen - in acht genomen. Naast de inspanning met betrekking tot de arbeidsinschakeling van de bijstandsgerechtigde, worden ook de inspanningen van het college hiertoe beoordeeld. Dit heeft tot gevolg dat zowel het college als de bijstandsontvangende zich dient in te spannen op het gebied van de arbeidsinschakeling.

4.11.

Nu het college in haar beleidsregels voor bijstandsverhaal een causaliteitsvereiste hanteert, komt het bij de beoordeling van de vraag of het college de kosten van de bijstandsverlening aan de vrouw op de man kan verhalen niet alleen aan op de in de wet genoemde maatstaven en omstandigheden die de rechter in ogenschouw dient te nemen indien de vrouw zelf ten laste van de man partneralimentatie zou verzoeken. Tot die maatstaven en omstandigheden behoort onder meer de vraag wat de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw is en in hoeverre zij zelf in die behoefte kan voorzien, dan wel in hoeverre haar van het niet daarin (kunnen) voorzien een verwijt kan worden gemaakt. Ook dient in de beoordeling te worden betrokken of de inspanningen die het college heeft geleverd op het gebied van arbeidsinschakeling voldoende zijn, zoals volgt uit r.o. 4.10.

4.12.

De verhaalsrechter dient niet te beoordelen of terecht bijstand is verstrekt, maar moet wel beoordelen of de gronden voor de onderhoudsplicht aanwezig zijn. Daartoe is niet alleen relevant of de draagkracht van de man betaling van een bijdrage toelaat, maar ook of behoefte bestaat aan de kant van de vrouw. Voor het bepalen van de behoeftigheid wordt rekening gehouden met de eigen (redelijkerwijs te verwerven) inkomsten van de onderhoudsgerechtigde, in casu de vrouw. Als eventueel zou mogen blijken dat de vrouw in haar eigen levensonderhoud kan en/of had kunnen voorzien – mede in het licht van de daartoe getroostte inspanningen door haarzelf en het college - brengt dat met zich dat door het college aan haar verstrekte bijstand niet op de man verhaald kan worden. De stelplicht en - bij voldoende betwisting - de bewijslast ten aanzien van de behoefte en behoeftigheid van de vrouw, rust bij het college (gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 19 april 2016; ECLI:NL:GHARL:2016:3282 en gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17 april 2018; ECLI:GHARL:2018:3773).

4.13.

Ten aanzien van [de minderjarige] geldt er altijd een onderhoudsverplichting van de man jegens haar en er hoeft aldus geen sprake te zijn van een causaal verband.

4.14.

Het college is dus verplicht om inzage in haar beleid in dit specifieke geval te geven. Door het college zijn in dat kader de navolgende producties in het geding gebracht:
- bijlage 11: een bewijs van inschrijving Centrum voor werk en inkomen d.d. 10 maart 2008;
- bijlage 12: een Rapportage aanvraag WWB;
- bijlage 13: de arbeidsovereenkomst van de vrouw d.d. 1 april 2007;
- bijlage 14: een brief d.d. 26 maart 2008 van [uitzendbureau] aan de vrouw;
- bijlage 15: een brief d.d. 10 maart 2008 namens het college aan de vrouw;
- bijlage 16: een gespreksverslag d.d. 17 juli 2008;
- bijlage 17: een brief d.d. 21 juli 2008 met daarin een trajectplan ‘Werken voor de Stad’;
- bijlage 18: een brief d.d. 21 juli 2008 namens het college aan Dienst Inwonerszaken;
- bijlage 19: de eindrapportage d.d. 2 september 2008 ‘Werken voor de Stad’;
- bijlage 20: het formulier ‘Einde opdracht’ d.d. 8 september 2008;
- bijlage 21: de rapportage ‘signaalgestuurd onderzoek woon- en leefsituatie’;
- bijlage 22: een brief d.d. 4 november 2009 betreffende opdrachtverstrekking inburgering;
- bijlage 23: de rapportage ‘inzet RVI traject’;
- bijlage 24: het klantprofiel inburgering d.d. 21 januari 2010;
- bijlage 25: het resultaat ‘educatieve intake en voorstel scholingstraject [onderwijsinstelling] ’;
- bijlage 26: het bewijs van inschrijving als bedoeld in artikel 30b, Wet SUWI, d.d. 20 januari 2011 respectievelijk 12 september 2011;
- bijlage 27:de gespreksverslagen namens het college met de vrouw in de periode 2011-2016;
- bijlage 28: een brief namens het college aan de vrouw d.d. 8 december 2016;
- bijlage 29: de ‘Volledige diagnose’ d.d. 19 december 2016.

4.15.

Van belang acht de rechtbank het volgende:
- De vrouw was gedurende het huwelijk met de man vrijwel niet werkzaam. Zij is op 1 april 2007 een arbeidsovereenkomst voor de duur van een jaar aangegaan, zijnde een oproepcontract bij [uitzendbureau] . De laatste werkdag van de vrouw is op 22 februari 2008 geweest en de arbeidsovereenkomst is niet verlengd. Tijdens de laatste maanden van het huwelijk had de vrouw derhalve geen werk meer.
- In het trajectplan ‘Werken voor de Stad’ uit juli 2008 (bijlage 17) is vastgelegd welke stappen de vrouw zou gaan ondernemen op het gebied van activering. Omdat de vrouw de Nederlandse taal niet voldoende beheerste is in dat kader afgesproken dat zij stappen zou zetten om de Nederlandse taal beter te leren. Het doel daarvan was dat de vrouw zo spoedig mogelijk zelf in de kosten van haar bestaan zou kunnen voorzien. Vanuit het college is aan Dienst Inwonerszaken opdracht gegeven voor dienstverlening met als doel de vrouw te trainen op diverse vaardigheden zodat de kans op uitstroom naar regulier dan wel gesubsidieerde arbeid vergroot wordt (bijlage 18), maar uit de eindrapportage d.d. 2 september 2008 (bijlage 19) volgt dat de vrouw is terug gemeld, omdat het traject niet heeft geleid tot verandering in haar situatie. Genoemde omstandigheden hebben zich tijdens het huwelijk van de man en de vrouw voorgedaan.
- Het project ‘Werken voor de Stad’ is niet succesvol afgerond, hetgeen blijkt uit het formulier ‘Einde opdracht’ d.d. 8 september 2008 (bijlage 20). Gebleken is dat de vrouw niet de goede hulp heeft gekregen, omdat de scheiding nog niet rond was.
- Uit de rapportage ‘signaalgestuurd onderzoek woon- en leefsituatie’ (bijlage 21) d.d. medio februari 2009 blijkt dat door de echtscheiding het dossier is overgedragen naar de afdeling verhaal om te bezien of er ten laste van de man een onderhoudsbijdrage dient te worden vastgesteld. Namens het college is bij brief d.d. 4 november 2009 (bijlage 22) opdracht gegeven om aan de vrouw een taaltraject aan te bieden met als einddoel dat zij voldoende niveau behaalt om beroepsgericht een studie te volgen. Daartoe hebben er op 19 en 21 januari 2010 gesprekken plaatsgevonden tussen de vrouw en haar casemanager en deze gesprekken zijn vastgelegd in een rapportage ‘inzet RVI traject’ (bijlage 23). Daarbij is geconcludeerd dat de vrouw teveel belemmeringen heeft om aan het traject te kunnen deelnemen. De vrouw is daarom aangemeld voor een ander traject, gericht op werk, met als doel, naast het verhogen van haar taalniveau, haar te laten wennen aan het volgen van een opleiding. Uit het ‘Klantprofiel inburgering’ d.d. 21 januari 2010 volgt dat de vrouw eerst een opleiding dient te volgen, zodat ze een startkwalificatie kan behalen en vaardigheden op kan bouwen om te kunnen participeren in scholing en werk. Het resultaat ‘educatieve intake en voorstel scholingstraject’ blijkt uit de brief van [onderwijsinstelling] d.d. 12 maart 2010 (bijlage 25). Daarnaast is de vrouw als werkzoekende ingeschreven bij het UWV Werkbedrijf (bijlage 26).
- In de periode 2011-2016 zijn er gesprekken geweest namens het college met de vrouw. Uit de verslagen (bijlage 27) volgt dat de vrouw sinds de echtscheiding fysieke en psychische belemmeringen heeft, waarvoor zij antidepressiva en andere medicijnen gebruikt.
- Uit de ‘Volledige diagnose’ d.d. 19 december 2016 (bijlage 29) blijkt dat de vrouw fysieke en psychische belemmeringen heeft waardoor zij geen werkzaamheden of activiteiten kan uitvoeren. Vanwege het gebrek aan relevante werkervaring, het ontbreken van scholing en de grote medische belemmeringen is vastgesteld dat de vrouw nauwelijks inzetbaar is op de arbeidsmarkt.

4.16.

Uit de hiervoor genoemde bescheiden volgt, naar het oordeel van de rechtbank dat het college tot en met het jaar 2013 het causaal verband tussen het huwelijk en de verstrekking van bijstand, de behoefte en de behoeftigheid van de vrouw voldoende inzichtelijk heeft gemaakt. Door het college zijn in genoemde periode voldoende inspanningen verricht om de vrouw te bewegen in haar levensonderhoud te (gaan) voorzien. De omstandigheden aan de zijde van de vrouw maakten dat zij niet zelf in haar behoefte kon voorzien en hierdoor is de man gehouden tot het voldoen van zijn onderhoudsplicht jegens de vrouw.

4.17.

Het feit dat de vrouw in genoemde periode aanspraak heeft gemaakt op een bijstandsuitkering maakt dat zij behoefte heeft aan het bedrag van de bijstandsuitkering. De namens het college verzochte bedragen overstijgen het bedrag van de bijstandsuitkering niet.

4.18.

Het college heeft niet inzichtelijk gemaakt dat met ingang van 1 januari 2014 er nog (steeds) sprake is geweest van causaal verband tussen de echtscheiding en de behoefte van de vrouw. De gespreksverslagen namens het college met de vrouw in de periode 2011-2016 (bijlage 27) geven daarvoor onvoldoende houvast. De brief namens het college van 8 december 2016 (bijlage 28) betreft slechts een standaard uitnodiging voor een gesprek op 19 december 2016 om te bekijken wat de situatie en de mogelijkheden van de vrouw zijn. De rapportage ‘Volledige diagnose’ van 19 december 2016 geeft slechts de mening van de vrouw weer en is geen medisch rapport. De door het college getrooste inspanningen tot en met december 2013 hebben ook in de periode daarna hun uitwerking op de inspanningen die de vrouw zich heeft getroost om werk te vinden, zodat niet kan worden geoordeeld dat per 1 januari 2014 er geen causaal verband meer bestaat tussen de echtscheiding en de behoefte aan bijstand van de vrouw. Deze causale relatie is evenwel op een later moment geëindigd hetgeen ertoe leidt dat de rechtbank in redelijkheid oordeelt dat vanaf 1 januari 2016 niet meer kan worden gesproken van een causale relatie tussen de echtscheiding en de behoefte aan bijstand door de vrouw, zodat vanaf die datum geen verhaalsrecht van het college meer bestaat jegens de man.

De ingangsdatum

4.19.

Artikel 1:402 BW laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de verhaalsverplichting. De rechter dient van zijn bevoegdheid tot vaststelling van een bijdrage over een periode in het verleden een behoedzaam gebruik te maken.

4.20.

De rechtbank neemt het uitgangspunt zoals verwoord in rechtsoverweging 4.18 in ogenschouw bij haar beslissing op het verzoek op het toekennen van terugwerkende kracht zoals dit door de man is gedaan. Naast de doorwerking van de inspanningen van het college om de vrouw te bewegen werk te vinden is voor de rechtbank van belang dat tussen de beschikking van 30 mei 2011 en de indiening van het verzoekschrift op 23 april 2018 bijna zeven jaren zijn verstreken. De man heeft om hem moverende redenen aanleiding gezien pas in 2018 om wijziging te vragen, terwijl hij dit al (veel) eerder had kunnen doen. Dat hij dit heeft nagelaten dient, onder omstandigheden, voor zijn rekening en risico te blijven. Het college mocht er ook op vertrouwen dat de man aan zijn onderhoudsverplichting jegens de vrouw en [de minderjarige] zou voldoen. In het licht van het bovenstaande zal de rechtbank de door de man verzochte nihilstelling vaststellen met terugwerkende kracht tot 1 januari 2016.

Wijziging van omstandigheden

4.21.

De man stelt dat er zich na het geven van de beschikking van 30 mei 2011 een wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan:
- per 1 maart 2018 is zijn netto inkomen gedaald;
- er is een persoonlijk krediet bij Santander afgesloten.

4.22.

Het college stelt dat de door de man gestelde feiten geen relevante wijziging van omstandigheden met zich brengt. Daartoe stelt zij dat:
- op basis van één salarisstrook geen herberekening kan worden gemaakt;
- de noodzaak van het aangaan van het persoonlijke krediet bij Santander niet is gebleken.

4.23.

Gelet op het feit dat de man vanaf 1 januari 2016 niet meer geacht kon worden om een bijdrage het college te voldoen, kan bespreking van de gewijzigde omstandigheden, die zich nadien hebben voorgedaan, achterwege blijven.

4.24.

Overigens is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van een wijziging van omstandigheden. Daartoe is het volgende van belang:
- In de door de man bestreden beschikking van 30 mei 2011 is door de rechtbank rekening gehouden met een arbeidsinkomen aan de zijde van de man van € 2.140,87 bruto per maand, exclusief vakantiegeld. Door de man is aangegeven dat zijn netto inkomen vanaf maart 2018 is gedaald. Hiertoe heeft de man een salarisstrook van periode 3 van 2018 in het geding gebracht. Meerdere salarisspecificaties zijn, ondanks het aanbod van de man daartoe, niet in het geding gebracht. Uit de salarisstrook van periode 3 van 2018 blijkt van een salaris van € 2.544,32 bruto per maand en een ploegentoeslag van € 355,19 in genoemde periode. Dit salaris, ook nog te vermeerderen met de aanspraak op het vakantiegeld, overstijgt het salaris waarmee in de bestreden beschikking rekening is gehouden. De man heeft aldus niet aangetoond noch aannemelijk gemaakt dat zijn netto inkomen per 1 maart 2018 is gedaald.
- Op 27 december 2016 / 9 januari 2017 heeft de man een persoonlijke lening afgesloten bij Santander Consumer Finance Benelux BV voor een bedrag van € 21.000. De duur van de kredietovereenkomst bedraagt 120 maanden en op deze lening dient maandelijks met een bedrag van € 266,22 te worden afgelost, zodat het totale bedrag, inclusief rente,
€ 31.936,40 bedraagt. Gelet op het hogere inkomen van de man dan ten tijde van de bestreden beschikking van 30 mei 2011 kan niet zonder meer worden gesteld dat, ook indien rekening wordt gehouden met de aflossing op het bij Santander afgesloten krediet, de draagkracht van de man tot het betalen van een verhaalsbijdrage is verminderd ten opzichte van de in genoemde beschikking weergegeven draagkracht. Het had op de weg van de man gelegen daartoe bewijs aan te brengen, hetgeen hij heeft nagelaten.

De aanspraak op betaling van de achterstallige verhaalsbijdrage

4.25.

Het verzoek van het college heeft betrekking op het onderwerp van het oorspronkelijke verzoek van de man. Het verzoek heeft betrekking op de verhaalsbijdrage, zodat het college zelfstandig een verzoek kan doen tot betaling van de achterstallige verhaalsbijdrage.

4.26.

Tot en met 1 augustus 2017 bedraagt de achterstand € 20.031,40, waarbij het college de achterstand over de periode juni 2008 tot en met juni 2010 op nihil heeft gesteld bij wijze van tegemoetkoming, aldus het college. De man heeft geen bezwaar gemaakt tegen het besluit d.d. 5 februari 2016, waarin de hoogte van de op dat moment bestaande achterstand is vastgesteld. De man heeft aangevoerd dat de vordering van het college (ten dele) verjaard is. In het bijzonder heeft de man gesteld dat de brief van 5 februari 2016 niet kan dienen als stuitingsbrief omdat onvoldoende duidelijk is op betaling van welke vorderingen het college aanspraak maakt. Naar het oordeel van de rechtbank is uit voornoemde brief van het college genoegzaam duidelijk dat het college aanspraak maakt op betaling van alle uitstaande bedragen én dat er sprake kan zijn van verjaring en dat brief “uitstel” teweeg brengt zoals het in de brief is verwoord. Zodoende is voldaan aan de vereisten van stuiting (zie o.a. HR 18 september 2015 (ECLI:NL:HR:2015:2741). De brief betreffende het besluit van het college heeft in 2016 de verjaring van de toen bestaande vorderingen ontstaan na 5 februari 2011 gestuit, zodat er thans geen sprake is van verjaring van deze vorderingen, zoals dit door de man is betoogt. Het college heeft geen, althans niet gemotiveerd, verweer gevoerd tegen de verjaring van de vorderingen ontstaan voor februari 2011, zodat de rechtbank deze wél als verjaard aan zal merken.

4.27.

De man is gehouden om voor de periode tot van februari 2011 tot 1 januari 2016 de bestaande achterstand te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid. Het wordt aan het college overgelaten om tot genoemde datum de achterstand (en de rente daarover) te becijferen.

De proceskosten

4.28.

Gelet op het feit dat de man in zijn verzoek kan worden ontvangen en partijen over en weer in het (on)gelijk zijn gesteld, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren. Dit verzoek van het college om de man in de proceskosten te veroordelen zal aldus worden afgewezen.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

bepaalt dat de man met ingang van 1 januari 2016 niet meer is gehouden om aan het college een verhaalsbijdrage voor de vrouw –en tot 12 juli 2017 mede voor [de minderjarige] - te voldoen;

5.2.

bepaalt dat de man aan het college de bestaande achterstand over de periode van februari 2011 tot 1 januari 2016 dient te betalen, zulks te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid, en veroordeelt de man tot betaling daarvan;

5.3.

verklaart de hiervoor gegeven beslissingen uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

bepaalt dat elke partij de eigen kosten van de procedure draagt;

5.5.

wijst af wat door partijen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door M.M.K.J. Steketee, rechter, in tegenwoordigheid van F. Wolters als griffier en in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2019.

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.