Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:909

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
05-03-2019
Datum publicatie
05-03-2019
Zaaknummer
05/720405-18
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2020:8947, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Deels voorwaardelijke gevangenisstraf voor het plegen van een overval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/720405-18

Datum uitspraak : 5 maart 2019

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] , wonende te [adres 1] .

Raadsvrouw: mr. W. Oosterbaan-van Veen, advocaat te Ede.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 februari 2019.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 06 november 2018 te Bennekom, gemeente Ede, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

-een geldbedrag van ongeveer 392,25 euro en/of

-een of meerdere pakje(s) sigaretten

-een of meerdere pakje(s) shag,

in elk geval enig goed/geldbedrag, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ,

heeft weggenomen in/uit een (tabak)winkel gelegen aan de [adres 2] met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:

-met geheel bedekte gezichten (bivakmutsen) en een hamer de winkel binnen te gaan en/of

-(dreigend) tegen die [slachtoffer 2] te zeggen: 'geld, geld', althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking en/of

-die [slachtoffer 2] te bevelen om te gaan liggen, in elk geval (dreigend) tegen die [slachtoffer 2] te zeggen: 'liggen, liggen', althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking en/of

-(tijdens de vlucht) tegen de fiets van die [slachtoffer 3] te trappen en/of schoppen;

2.

hij op of omstreeks 06 november 2018 te Bennekom, gemeente Ede, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van:

-een geldbedrag van ongeveer 392,25 euro en/of

-een of meerdere pakje(s) sigaretten

-een of meerdere pakje(s) shag,

in elk geval enig goed/geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), door:

-met geheel bedekte gezichten (bivakmutsen) en een hamer de winkel binnen te gaan en/of

-(dreigend) tegen die [slachtoffer 2] te zeggen: 'geld, geld', althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking en/of

-die [slachtoffer 2] te bevelen om te gaan liggen, in elk geval (dreigend) tegen die [slachtoffer 2] te zeggen: 'liggen, liggen', althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 6 november 2018 heeft de verdachte samen met twee anderen een overval gepleegd op de sigarenspeciaalzaak, [slachtoffer 1] , aan de [adres 2] , gemeente Ede. Zij zijn met bedekte gezichten en een hamer de sigarenspeciaalzaak ingegaan en hebben hard tegen aangeefster, [slachtoffer 2] , gezegd “geld, geld” en “liggen, liggen”. Hierop heeft aangeefster goederen afgegeven en hebben verdachte en de anderen goederen weggenomen. Het ging hierbij om de volgende goederen:

- een geldbedrag van € 395,25;

- een of meerdere pakje(s) sigaretten;

- een of meerdere pakje(s) shag.2

Na het verlaten van de sigarenspeciaalzaak heeft verdachte tijdens zijn vlucht tegen de fiets van de getuige [slachtoffer 3] getrapt.3

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal in vereniging met geweldpleging (feit 1) en afpersing in vereniging (feit 2).

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal in vereniging (feit 1) en afpersing in vereniging (feit 2). De verdediging acht niet bewezen dat de diefstal gepaard is gegaan met en/of gevolgd is van geweld of bedreiging met geweld.

Beoordeling door de rechtbank

Beoordeeld dient te worden of de diefstal ook gepaard is gegaan met en/of gevolgd is van geweld of bedreiging met geweld.

Uit het dossier volgt niet dat tijdens en in verband met de overval daadwerkelijk geweld is toegepast, zodat de rechtbank niet bewezen acht dat de diefstal gepaard ging met geweld. Naar het oordeel van de rechtbank is het handelen tijdens de overval wel aan te merken als bedreiging met geweld. Verdachte en de anderen zijn immers met zijn drieën, onherkenbaar (met bedekte gezichten) de winkel binnen gegaan en hebben vervolgens hard tegen aangeefster gezegd dat zij moest gaan liggen en hard gezegd “geld, geld”. Dat aangeefster dit handelen ook daadwerkelijk als bedreigend heeft ervaren blijkt uit het feit dat zij direct uit zichzelf op de grond is gaan liggen en goederen heeft afgegeven. Dit betekent dat de rechtbank diefstal vergezeld van bedreiging met geweld bewezen acht.

Ter zitting heeft verdachte over het trappen tegen de fiets van [slachtoffer 3] verklaard dat hij in het begin niet in de gaten had dat hij op zijn vlucht door twee mannen werd achtervolgd en dat hij, toen hij dit wel in de gaten kreeg, uit reactie tegen de fiets van [slachtoffer 3] heeft getrapt, mede omdat de twee mannen dichterbij kwamen. Hieruit leidt de rechtbank af dat verdachte tegen de fiets heeft getrapt om te kunnen vluchten. Dit betekent dat de rechtbank (ook) diefstal gevolgd van geweld bewezen acht.

Nu verdachte en de anderen niet alleen goederen hebben weggenomen uit de sigarenspeciaalzaak, maar zij aangeefster - door eerdergenoemde bedreiging met geweld ten tijde van de overval - ook hebben gedwongen tot de afgifte van goederen, acht de rechtbank ook afpersing bewezen. Materieel beschouwt de rechtbank dat als één daad.

3 Bewezenverklaring

Op basis van het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 2 heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op of omstreeks 06 november 2018 te Bennekom, gemeente Ede, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

-een geldbedrag van ongeveer 392,25 euro en/of

-een of meerdere pakje(s) sigaretten

-een of meerdere pakje(s) shag,

in elk geval enig goed/geldbedrag, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2],

heeft weggenomen in/uit een (tabak)winkel gelegen aan de [adres 2] met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld van bedreiging met geweld tegen

[slachtoffer 2] en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] en/of

[slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:

-met geheel bedekte gezichten (bivakmutsen) en een hamer de winkel binnen te gaan en/of

-(dreigend) tegen die [slachtoffer 2] te zeggen: 'geld, geld', althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking en/of

-die [slachtoffer 2] te bevelen om te gaan liggen, in elk geval (dreigend) tegen die [slachtoffer 2] te zeggen: 'liggen, liggen', althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking en/of

-(tijdens de vlucht) tegen de fiets van die [slachtoffer 3] te trappen en/of schoppen;

2.

hij op of omstreeks 06 november 2018 te Bennekom, gemeente Ede, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van:

-een geldbedrag van ongeveer 392,25 euro en/of

-een of meerdere pakje(s) sigaretten

-een of meerdere pakje(s) shag,

in elk geval enig goed/geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), door:

-met geheel bedekte gezichten (bivakmutsen) en een hamer de winkel binnen te gaan en/of

-(dreigend) tegen die [slachtoffer 2] te zeggen: 'geld, geld', althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking en/of

-die [slachtoffer 2] te bevelen om te gaan liggen, in elk geval (dreigend) tegen die [slachtoffer 2] te zeggen: 'liggen, liggen', althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Diefstal in vereniging, vergezeld van bedreiging met geweld, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, en gevolgd van geweld om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken.

Ten aanzien van feit 2:

Afpersing in vereniging.

5. De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat toepassing van het jeugdstrafrecht niet geïndiceerd is en dat verdachte volgens het volwassenenstrafrecht afgestraft moet worden. Hij heeft geëist dat verdachte ter zake van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. Aan deze voorwaardelijke straf dienen volgens de officier van justitie de volgende bijzondere voorwaarden te worden verbonden:

- meldplicht bij de reclassering;

- ambulante behandeling;

- begeleid wonen;

- meewerken aan dagbesteding en herstelbemiddeling.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om ten aanzien van verdachte het jeugdstrafrecht toe te passen, zoals door de reclassering geadviseerd. Hiertoe is aangevoerd dat verdachte zich bij zijn ouders en pleegouders niet leeftijdsadequaat heeft kunnen ontwikkelen en hij niet in staat kan worden geacht een zelfstandig bestaan op te bouwen.

De verdediging heeft gewezen op het feit dat verdachte een jonge first offender is met een zwaar belaste voorgeschiedenis en heeft verzocht aan verdachte een onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen die gelijk is aan de duur van het voorarrest en daarnaast een voorwaardelijke jeugddetentie. De verdediging heeft bepleit dat de voorlopige hechtenis van verdachte op dit moment is geschorst en dat een terugkeer naar een penitentiaire inrichting zowel het opgestarte hulpverleningstraject met Vast en Verder als de opleiding van verdachte doorkruist.

Beoordeling door de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel justitiële documentatie, gedateerd 14 januari 2019;

- een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, gedateerd 5 februari 2019;

- een Pro Justitia rapportage van [naam 1] , forensisch GZ-psycholoog van 18 februari 2019.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft samen met twee anderen kort voor sluitingstijd een overval gepleegd op een tabakswinkel. Zij zijn met bedekte gezichten en een hamer de winkel ingegaan en hebben op harde toon tegen aangeefster gezegd “geld, geld” en “liggen, liggen”, waarna aangeefster aan deze bevelen uitvoering heeft gegeven. Vervolgens zijn verdachte en de anderen de winkel uit gevlucht, welke vlucht is gezien door diverse getuigen. De setting van de overval moet zeer beangstigend voor aangeefster zijn geweest, temeer nu zij op het bewuste moment alleen in de winkel was en de afloop ongewis was. Ook brengt een dergelijke overval gevoelens van onveiligheid teweeg in de samenleving als geheel en bij omstanders en getuigen in het bijzonder.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte met het plegen van de overval ernstig gewetenloos gehandeld. Verdachte heeft de belangen van aangeefster op grove wijze ondergeschikt gemaakt aan zijn eigen behoefte aan snel financieel gewin. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring blijkt dat aangeefster sinds de overval onder behandeling staat van een psycholoog en zij nog dagelijks de nare gevolgen van het handelen van verdachte ondervindt.

Een vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of in dit geval, bij een verdachte die ten tijde van het plegen van het bewezenverklaarde feit achttien jaar was, al dan niet toepassing moet worden gegeven aan het jeugdstrafrecht.

De reclassering en de psycholoog hebben hierover andersluidende adviezen uitgebracht. De reclassering heeft geadviseerd het jeugdstrafrecht toe te passen. De psycholoog heeft in zijn rapport aangegeven dat hiervoor onvoldoende aanwijzingen aanwezig zijn. Verdachte maakt volgens de psycholoog een leeftijdsadequate indruk en wordt in staat geacht een zelfstandig bestaan op te kunnen bouwen. Hierbij is sprake van een minimale pedagogische ondersteuningsbehoefte.

Het wettelijke uitgangspunt is dat op personen van achttien jaar en ouder het volwassenenstrafrecht van toepassing is. Bij jongvolwassenen tussen de achttien en de drieëntwintig jaar kunnen in de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan evenwel redenen worden gezien om hierop een uitzondering te maken en het jeugdstrafrecht toe te passen (artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht).

De rechtbank ziet in het onderhavige geval, gelet op het uitgebreide en gemotiveerde rapport van de psycholoog, geen aanleiding om af te wijken van het wettelijk uitgangspunt tot toepassing van het volwassenstrafrecht. De reclassering had eerder in haar rapport weliswaar toepassing van het jeugdstrafrecht geadviseerd, maar dit advies is niet zonder meer te volgen omdat de reclassering (ook) aangeeft dat, vanwege het ontbreken van onderzoek daaromtrent, nog onduidelijk is of naast de aanwezige hechtingsproblematiek ook ontwikkelingsproblematiek aanwezig is. Met het rapport van de psycholoog is deze duidelijkheid er inmiddels wel. Nu zowel de psycholoog als de reclassering geen duidelijke noodzaak en/of mogelijkheid tot pedagogische beïnvloeding zien, ziet de rechtbank geen reden het jeugdstrafrecht toe te passen. Conform de hoofdregel zal het volwassenstrafrecht worden toegepast.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een agressieve overval. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden volstaan met een straf die gelijk is aan de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Daarmee zou geen recht worden gedaan aan de ernst van het feit en de ingrijpende (mogelijk blijvende) psychische gevolgen die dit feit voor het slachtoffer heeft gehad. Dat de voorlopige hechtenis van verdachte geschorst is, maakt dat - hoewel opnieuw gedetineerd worden ingrijpend zal zijn voor verdachte - niet anders.

Het feit dat verdachte ten tijde van de schorsing van de voorlopige hechtenis een goede invulling aan zijn leven heeft gegeven, zal de rechtbank wel in het voordeel van verdachte laten meewegen. Als strafmatigende omstandigheden neemt de rechtbank daarnaast in aanmerking dat verdachte ten tijde van de feiten pas achttien jaar oud was en nog niet eerder was veroordeeld voor strafbare feiten.

Uit het rapport van de psycholoog volgt dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens. Er is sprake van een matig recidiverisico. Om de kans op herhaling te verkleinen, wordt een ambulante behandeling bij een forensische polikliniek geadviseerd. Daarnaast acht de psycholoog het van belang dat verdachte het woontrainingsprogramma voortzet. De psycholoog adviseert om verdachte de feiten in verminderde mate toe te rekenen. De rechtbank neemt deze conclusie over en weegt ook dit in strafmatigende zin mee.

Verder houdt de rechtbank rekening met het feit dat er sprake is van eendaadse samenloop.

Gelet op voornoemde strafmatigende omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de eis van de officier van justitie te hoog is. Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan negen maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden is. Op het onvoorwaardelijke strafdeel dient het voorarrest in aftrek te komen. Aan het voorwaardelijke strafdeel zal de rechtbank de door de officier van justitie genoemde bijzondere voorwaarden verbinden.

7a. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] (volgens het uittreksel van de Kamer van Koophandel: [slachtoffer 1] h.o.d.n. [slachtoffer 1] ) hebben zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten.

[slachtoffer 2] heeft een bedrag van € 2.795,20 gevorderd, bestaande uit € 795,20 aan materiële schade en € 2.000,00 aan immateriële schade.

[slachtoffer 1] heeft een bedrag van € 2.106,62 gevorderd, bestaande uit materiële schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] tot betaling van het bedrag van € 2.795,20 toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 37 dagen hechtenis.

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe te wijzen tot het bedrag van € 469,82, te vermeerderen met de wettelijke rente en waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 9 dagen hechtenis. Voor het overige heeft de officier van justitie verzocht dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vordering.

Tot slot heeft de officier van justitie verzocht om verdachte hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor de geleden schade.

Het standpunt van de verdediging

De gevorderde immateriële schade van [slachtoffer 2] is op verzoek van verdachte niet weersproken.

Ten aanzien van de gevorderde materiële schade van [slachtoffer 2] heeft de verdediging aangevoerd dat deze vordering onvoldoende is onderbouwd, nu geen stukken zijn overgelegd waaruit volgt dat [slachtoffer 2] het eigen risico voor 2018 en 2019 daadwerkelijk heeft betaald of zal moeten betalen.

Met betrekking tot de vordering van [slachtoffer 1] , die ziet op de door de overvallers meegenomen goederen en gelden, heeft de verdediging primair aangevoerd dat geen sprake is van schade. De verzekering van [slachtoffer 1] heeft immers meer vergoed dan, uitgaande van de aangifte bij de politie, aan schade is geleden. Subsidiair heeft de verdediging betoogd dat deze schade door de andere verdachten van deze overval dient te worden vergoed, nu zij van de opbrengst van de overval hebben geprofiteerd en verdachte niet. Meer subsidiair heeft de verdediging verzocht de te vergoeden schade te beperken tot het bedrag van het eigen risico, te weten € 250,00.

Met betrekking tot de gevorderde vergoeding voor het treffen van veiligheidsmaatregelen (de extra gewerkte uren door [slachtoffer 1] ) heeft de verdediging aangevoerd dat deze vordering naar beneden dient te worden bijgesteld. Er worden door [slachtoffer 1] namelijk uren opgevoerd die extra door hem zouden zijn gewerkt om [slachtoffer 2] in de winkel te ondersteunen, terwijl uit het verzoek tot schadevergoeding volgt dat [slachtoffer 1] op de maandagochtend ook regulier in de winkel werkzaam was.

Wat betreft de gevorderde kosten voor het verkrijgen van een uittreksel van de Kamer van Koophandel heeft de verdediging betoogd dat een causaal verband ontbreekt.

Tot slot heeft de verdediging het standpunt ingenomen dat een eventuele veroordeling tot betaling van een geldsom niet hoofdelijk dient te worden uitgesproken, maar dat verdachte slechts dient te worden veroordeeld tot betaling van een derde deel van de schade. De overige geleden schade moet volgens de verdediging door de andere overvallers worden vergoed.

Beoordeling door de rechtbank

Ten aanzien van [slachtoffer 2]

De door [slachtoffer 2] gevorderde immateriële schadevergoeding van € 2.000,00 wordt als onweersproken en voldoende onderbouwd toegewezen.

Met betrekking tot het gevorderde bedrag van € 770,00 aan materiële schade overweegt de rechtbank dat [slachtoffer 2] als gevolg van de door verdachte gepleegde overval onder behandeling van een psycholoog is komen te staan en dat genoegzaam is gebleken dat deze behandeling in 2019 zal voortduren. Gelet op het feit dat [slachtoffer 2] bij het declareren van de zorgkosten haar wettelijk eigen risico van € 385,00 per jaar verschuldigd zal zijn en verder aannemelijk is dat de zorgkosten de hoogte van het wettelijk eigen risico zullen overstijgen, wordt het gevorderde bedrag van € 770,00 aan materiële schade toegewezen.

Ook het gevorderde bedrag van € 25,20 aan gemaakte reiskosten kan naar het oordeel van de rechtbank worden toegewezen.

Ten aanzien van [slachtoffer 1]

Met betrekking tot de vordering van € 719,82 aan eigen risico schadeverzekering en niet vergoede posten overweegt de rechtbank als volgt. Ter zitting is vastgesteld dat deze vordering met een bedrag van € 250,00 dient te worden verminderd, nu in het door [slachtoffer 1] gevorderde bedrag per abuis twee keer het verschuldigde eigen risico van € 250,00 is meegenomen. Dit betekent dat bij de verdere beoordeling van de vordering van een bedrag van € 469,82 zal worden uitgegaan.

De rechtbank overweegt dat uit het ingediende verzoek tot schadevergoeding volgt dat het bedrag van € 469,82 ziet op door de overvallers meegenomen goederen en gelden en dat dit bedrag niet door de verzekeraar is vergoed. Nu dit schade is die geleden is als gevolg van de overval, kan dit bedrag van verdachte worden gevorderd. De rechtbank zal dit gedeelte van de vordering dan ook toewijzen. Dat tijdens het verhoor van aangeefster in eerste instantie een lager schadebedrag is genoemd dan bij de verzekering en in deze procedure is opgevoerd, maakt het voorgaande niet anders. Begrijpelijk is immers dat ten tijde van het verhoor, dat korte tijd na de overval heeft plaatsgevonden, de totale schade nog niet geheel inzichtelijk was.

Het betoog dat de andere overvallers de onderhavige schade moeten vergoeden, nu zij van de opbrengst van de overval hebben geprofiteerd en verdachte niet, treft geen doel. Door deze overval te plegen heeft verdachte de schade (mede) veroorzaakt en is hij gehouden deze schade aan [slachtoffer 1] te vergoeden. Of er ook daadwerkelijk geprofiteerd is van de opbrengst is niet relevant.

De gevorderde kosten voor het opvragen van een uittreksel van de Kamer van Koophandel worden ook toegewezen, nu het overleggen van een dergelijk uittreksel een voorwaarde is die gesteld wordt bij een niet-natuurlijk persoon om een schadevergoedingsvordering in te dienen.

Met betrekking tot de gevorderde schade voor het inzetten van extra personeel, overweegt de rechtbank dat deze schade als rechtstreekse schade veroorzaakt door de overval kan worden aangemerkt. Het is begrijpelijk dat er na de overval tijdelijk extra veiligheidsmaatregelen zijn genomen door [slachtoffer 1] naast [slachtoffer 2] in de winkel in te zetten voor ondersteuning en het geven van een veilig gevoel.

Nu uit het door [slachtoffer 1] ingediende verzoek tot schadevergoeding volgt dat [slachtoffer 1] (ook voor de overval al) regulier al op de maandagochtend in de winkel werkte, is voor toewijzing van de gewerkte uren in de ochtenden van 12 november 2018, 19 november 2018, 26 november 2018, 3 december 2018 en 10 december 2018 geen plaats. Op het totaal opgevoerde urenaantal van 200 uren zal de rechtbank 22,5 uren (zijnde 5 maandagen x 4,5 uren) in mindering brengen. Voor het overige kan de vordering, die op € 1.208,78 (zijnde 177,5 uren x € 6,81) zal worden begroot, worden toegewezen.

Ook het gevorderde bedrag van € 9,80 aan gemaakte reiskosten kan naar het oordeel van de rechtbank worden toegewezen.

Op grond van het voorgaande zal de rechtbank de vordering van [slachtoffer 1] toewijzen tot een totaalbedrag van € 1.703,40. Voor het overige zal [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

Op grond van artikel 6:166 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek is verdachte hoofdelijk aansprakelijk voor de toegebrachte schade. De rechtbank zal ten aanzien van beide vorderingen bepalen dat verdachte niet meer tot vergoeding gehouden is indien en voor zover het gevorderde door zijn mededader(s) is of wordt voldaan.

De rechtbank ziet aanleiding om aan verdachte ten aanzien van beide vorderingen op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partijen. De gevorderde en toegewezen vergoeding voor proceskosten is daar niet bij inbegrepen.

De gevorderde wettelijke rente zal de rechtbank toewijzen vanaf 6 november 2018 tot aan de dag van volledige betaling.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 47, 55, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden;

 bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf groot 9 (negen) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden voor het einde van de proeftijd die op twee jaren wordt bepaald;

 de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

  • -

    zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

  • -

    zijn medewerking zal verlenen aan het door Reclassering Nederland te houden toezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

 de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

  • -

    zich binnen 5 dagen na het onherroepelijk worden van het vonnis (telefonisch) zal melden bij Reclassering Nederland en gedurende de proeftijd zich zal blijven melden bij deze instelling, zo frequent en zolang de instelling dat noodzakelijk acht;

  • -

    zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen van een door de reclassering te bepalen instelling/behandelaar. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;

  • -

    gedurende de proeftijd zal verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te weten Vast en Verder in Lelystad of een soortgelijke instelling, en zich zal houden aan de huisregels en het (dag-)programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld;

  • -

    gedurende de proeftijd zal meewerken aan dagbesteding in de vorm van scholing, dan wel dagbesteding in overleg met Vast en Verder in Lelystad en de reclassering;

  • -

    gedurende de proeftijd zal meewerken aan herstelbemiddeling.

- Geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden (artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht).

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

  • -

    veroordeelt verdachte ten aanzien van de feiten 1 en 2, tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 2], van een bedrag van
    € 2.795,20 (tweeduizendzevenhonderdvijfennegentig euro en twintig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 november 2018 tot aan de dag van volledige betaling en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 2] , een bedrag te betalen van € 2.795,20 (tweeduizendzevenhonderdvijfennegentig euro en twintig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 november 2018 tot aan de dag van volledige betaling en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 37 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

 verstaat dat indien en voor zover door de mededader en/of mededaders het betreffende schadebedrag is betaald, veroordeelde daarvan zal zijn bevrijd;

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] h.o.d.n. [slachtoffer 1]

  • -

    veroordeelt verdachte ten aanzien van de feiten 1 en 2 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 1], van een bedrag van
    € 1.703,40 (duizendzevenhonderddrie euro en veertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 november 2018 tot aan de dag van volledige betaling en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 2] , een bedrag te betalen van € 1.703,40 (duizendzevenhonderddrie euro en veertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 november 2018 tot aan de dag van volledige betaling en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 27 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

 verstaat dat indien en voor zover door de mededader en/of mededaders het betreffende schadebedrag is betaald, veroordeelde daarvan zal zijn bevrijd.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Graat (voorzitter), mr. L.C.P. Goossens en mr. K.A.M. van Hoof, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.I. Warringa en mr. C.B.J.P. Leuverink, griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 maart 2019.

mr. J.M. Graat is buiten staat dit

vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer [nummer] , onderzoek [naam 2] , gesloten op 6 januari 2019, en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van aangifte, p. 74-78; proces-verbaal van verhoor aangeefster, p. 82-84; de verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 19 februari 2019.

3 De verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 19 februari 2019; proces-verbaal van verhoor van getuige, p. 106.