Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:876

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
15-02-2019
Datum publicatie
08-03-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 4337
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

Verzoek ambtshalve vermindering ex artikel 9.6 van de Wet IB 2001. Verzoek om de verdeling van de inkomsten te wijzigen ex artikel 2:17, vierde lid, van de Wet IB 2001.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 11-03-2019
V-N Vandaag 2019/583
FutD 2019-0715 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2019/979 met annotatie van mr.dr. R.M.P.G. Niessen-Cobben
V-N 2019/21.16.3
Vp-bulletin 2019/23 met annotatie van S.G.M.J. Rebbens MSc, J.M.P. Tobben MSc LLM
FJR 2019/66.23
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RechtbanK gelderland

Team belastingrecht

zaaknummers: AWB 18/4337 en AWB 18/4338

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 februari 2019 in de zaken tussen

[X] , wonende te [Z] , eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Eindhoven, verweerder.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 18 juni 2018 waarbij het bezwaar van eiseres tegen de voor het jaar 2016 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) niet-ontvankelijk is verklaard (zaaknummer AWB 18/4337).

De uitspraak van verweerder van 8 januari 2019 waarbij het bezwaar van eiseres tegen de weigering om de aanslag IB/PVV voor het jaar 2016 ambtshalve te verminderen, ongegrond is verklaard (zaaknummer AWB 18/4338).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 februari 2019. Eiseres is verschenen, vergezeld van [A] . Namens verweerder zijn verschenen [gemachtigde] en [B] .

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Overwegingen

1. Eiseres woont sinds [2016] samen met haar partner, de heer [A] . Op hun woonadres wonen ook de minderjarige kinderen van een van hen. Eiseres en haar partner hebben er bij hun aangiften IB/PVV over het jaar 2016 voor gekozen om het hele jaar te worden aangemerkt als partners voor de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001). Bij hun aangiften hebben zij de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen over hen beiden verdeeld.

2. De aanslag IB/PVV over het jaar 2016 (hierna: de aanslag) is op 18 december 2017 in overeenstemming met de aangiften van eiseres en [A] opgelegd.

3. Eiseres ontving zorgtoeslag en kindgebonden budget. Vanwege de keuze om heel 2016 als partners te worden aangemerkt voor de inkomstenbelasting, waren eiseres en [A] voor de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) ook het hele jaar toeslagpartners in de zin van de Awir. Dit volgt uit artikel 3, eerste en tweede lid, onder f van de Awir.

4. Bij besluit van 5 januari 2018 heeft de Belastingdienst Toeslagen de door eiseres op voorschotbasis ontvangen zorgtoeslag en kindgebonden budget over 1 januari 2016 tot en met 30 september 2016 op nihil gesteld. De grond voor de nihilstelling was dat uit de inkomens- en vermogensgegevens uit de Basisregistratie inkomensgegeven (BRI) was gebleken dat eiseres en haar toeslagpartner in de periode van 1 januari 2016 tot en met 30 september 2016 een (gezamenlijk) vermogen hadden dat boven het heffingsvrije vermogen uitkwam. Door dit besluit moest eiseres aan de Belastingdienst Toeslagen € 5.033 terugbetalen.

5. Op 16 februari 2018 hebben eiseres en [A] opnieuw aangifte gedaan. Zij wilden hun keuze herzien om het hele jaar als partners te worden aangemerkt voor de inkomstenbelasting. Omdat die keuze bij het aangifteprogramma niet kon worden herzien, hebben zij de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen geheel aan [A] toebedeeld. Verweerder heeft de aanvullende aangifte behandeld als een bezwaar tegen de aanslag en als een verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag.

Ontvankelijkheid bezwaar (procedurenummer AWB 18/4337)

6. Verweerder heeft het bezwaar tegen de aanslag niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaar te laat is ingediend en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is.

7. Eiseres erkent dat het bezwaar tegen de aanslag niet binnen de bezwaartermijn van zes weken is ingediend, maar volgens haar is de termijnoverschrijding verschoonbaar. Op 5 januari 2018 ontving eiseres van de Belastingdienst Toeslagen een bericht dat zij ontvangen toeslagen over de periode januari tot en met september 2016 moest terugbetalen. Aangezien eiseres in deze periode geen inkomen of vermogen had, was het niet logisch dat zij toeslagen moest terugbetalen. Eiseres heeft vervolgens geprobeerd om te achterhalen wat er aan de hand was en hoe zij het besluit kon terugdraaien. Zij heeft gebeld naar de Belastingdienst Toeslagen. Op de vraag of de terugbetalingsplicht te maken had met de keuze voor het partnerschap voor de inkomstenbelasting, kreeg eiseres van een medewerker te horen dat dat niet het geval was. De medewerker raadde haar aan om bezwaar te maken tegen de toeslagbeschikking, hetgeen eiseres op 21 januari 2018 heeft gedaan. Dit bezwaar is uiteindelijk ongegrond verklaard. Ook [A] heeft met de belastingtelefoon gebeld. Hij vernam op 30 januari 2018 dat de gemaakte keuzes voor de inkomstenbelasting de meest gunstige waren voor de inkomstenbelasting en dat de berekening van de toeslag niet gekoppeld is aan de aangifte inkomstenbelasting. Pas achteraf is gebleken dat de Belastingdienst Toeslagen zich wel degelijk heeft gebaseerd op de inkomens- en vermogensgegevens bij de Belastingdienst Inkomstenbelasting. Eiseres is pas toen te weten gekomen dat zij de bij aangifte gemaakte keuzes had moeten wijzigen door bezwaar te maken tegen de aanslag. Volgens eiseres is zij door alle verkeerde informatie op een dwaalspoor gezet zodat de termijnoverschrijding verschoonbaar is.

8. De dagtekening van de aanslag is 18 december 2017. Nu niet is gebleken dat de dag van de dagtekening van de aanslag is gelegen vóór de dag van de bekendmaking, is de termijn voor het indienen van bezwaar geëindigd op 29 januari 2018. Omdat eiseres pas na afloop van die termijn bezwaar heeft gemaakt, is het bezwaar niet tijdig ingediend.

9. De rechtbank ziet in de door eiseres aangevoerde omstandigheden geen aanleiding om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Op grond van artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar een niet-ontvankelijkverklaring achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Desgevraagd heeft eiseres tijdens de zitting verklaard dat zij na de ontvangst van de toeslagbeschikking nog een week de tijd had om bezwaar te maken tegen de aanslag, maar dat zij geen bezwaar heeft gemaakt omdat zij de gevolgen van de toeslagbeschikking niet kon overzien en omdat zij geen juiste informatie had gekregen van de Belastingdienst Toeslagen. Uit deze verklaring blijkt dat eiseres in staat was om tijdig bezwaar te maken. Eiseres had bezwaar kunnen maken op nader aan te voeren gronden om vervolgens zo nodig een derde in te schakelen voor advies. Dat eiseres dat heeft nagelaten komt voor eigen risico. Er is geen sprake van gewekt vertrouwen dat gehonoreerd moet worden. Nog daargelaten dat Belastingdienst Toeslagen niet de bevoegde instantie is om inlichtingen te geven over de aanslag inkomstenbelasting, is niet gebleken dat eiseres is afgeraden om bezwaar te maken tegen de aanslag. [A] heeft pas na afloop van de bezwaartermijn contact opgenomen met de belastingtelefoon zodat aan deze inlichtingen, wat daar verder ook van zij, geen vertrouwen kan worden ontleend. De stelling dat eiseres pas na afloop van de bezwaartermijn te weten is gekomen dat er een reden was om bezwaar te maken, maakt de termijnoverschrijding niet verschoonbaar (Hoge Raad 11 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP1368).

10. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat verweerder het bezwaar terecht niet ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep is ongegrond.

Ambtshalve vermindering (procedurenummer AWB 18/4338)

11. Verweerder heeft de aanvullende aangifte van 16 februari 2018 tevens opgevat als een verzoek tot ambtshalve vermindering van de aanslag en heeft dit verzoek bij beschikking van 18 juni 2018 afgewezen. Bij uitspraak op bezwaar van 9 januari 2019 heeft verweerder het bezwaar daartegen ongegrond verklaard. Volgens verweerder was er geen grond voor ambtshalve vermindering. Eiseres en [A] konden hun keuze voor partnerschap voor de inkomstenbelasting en hun keuze voor de toebedeling van de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen ten tijde van het verzoek niet meer wijzigen omdat de aanslagen toen onherroepelijk vaststonden.

12. Eiseres betoogt dat zij niet heeft overzien dat de in de aangifte gemaakte keuzes zouden leiden tot de verplichting om toeslagen terug te betalen. Verweerder dient deze fout recht te zetten door de aanslag ambtshalve te wijzigen.

13. Verweerder is op grond van artikel 9.6 van de Wet IB 2001 bevoegd om een belastingaanslag ambtshave te verminderen. In artikel 45aa, aanhef en onder d, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (Uitvoeringsregeling) is bepaald dat de Inspecteur de belastingaanslag ambtshalve vermindert als de aanslag op een te hoog bedrag is vastgesteld, tenzij de onjuistheid van de aanslag voortvloeit uit de omstandigheid dat eerst nadat die aanslag onherroepelijk is vast komen te staan een beroep wordt gedaan op een fiscale faciliteit, waarop een beroep moet worden gedaan bij de aangifte of op een ander wettelijk voorgeschreven moment.

14. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft geweigerd om de aanslag te verminderen nu sprake is van de weigeringsgrond uit artikel 45aa, aanhef en onder d van de Uitvoeringsregeling. Zowel de keuzemogelijkheid voor voljaarspartnerschap als de keuzemogelijkheid om de onderlinge verdeling van de grondslag sparen en beleggen te wijzigen zijn fiscale faciliteiten waarop een beroep moet worden gedaan bij de aangifte of op een ander wettelijk voorgeschreven moment. Dit volgt uit artikel 2.17, vierde en zevende lid van de Wet IB 2001. De keuze voor voljaarspartnerschap moet bij aangifte worden gemaakt en de keuze om de grondslag sparen en beleggen anders te verdelen moet gemaakt worden voordat de aanslagen onherroepelijk vaststaan. Zoals is geoordeeld in de procedure over de ontvankelijkheid van het bezwaar (AWB 18/4337) heeft eiseres te laat bezwaar gemaakt tegen de aanslag zodat de aanslag, evenals die van [A] , onherroepelijk was vast komen te staan. Als gevolg daarvan waren de termijnen verstreken om de gemaakte keuzes te wijzigen ten tijde van het verzoek om ambtshalve vermindering.

15. Dat verweerder op grond van artikel 9.6 van de Wet IB 2001 bevoegd is om een aanslag te verminderen, oftewel te herroepen, breng niet mee dat de aanslag ten tijde van het verzoek nog niet onherroepelijk vast was komen te staan in de zin van 2.14, vierde lid van de Wet IB 2001. De rechtbank is van oordeel dat met een onherroepelijke aanslag in dat artikellid wordt bedoeld een aanslag die in rechte onaantastbaar is. Een andere betekenis van het woord “onherroepelijk” zou betekenen dat er geen termijn zou gelden voor de mogelijkheid om de verdeling van de gezamenlijke grondslag te wijzigen. Daarmee zou artikel 2.14, vierde lid, van de Wet IB 2001 inhoudsloos worden. Volgens de rechtbank is dat niet de bedoeling van de wetgever.

16. Dat eiseres en [A] niet hebben overzien welke gevolgen de bij aangifte gemaakte fiscale keuzes zouden hebben, is geen grond voor ambtshalve vermindering. De in artikel 9.6 van de Wet IB opgenomen bevoegdheid om een aanslag te verminderen is bedoeld om fouten te herstellen. Een niet meer terug te draaien keuze om een fiscale faciliteit al dan niet te gebruiken is geen fout op grond van waarvan verweerder een aanslag kan verminderen. Uit artikel 45aa, aanhef en onder d van de Uitvoeringsregeling IB 2001 volgt dat de gevolgen van dergelijke keuzes voor rekening van de belanghebbende komen, zodra de wettelijke termijnen om die keuzes te wijzigen zijn verstreken.

17. Dat betekent dat het beroep ongegrond is.

18. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.J. Zippelius, rechter, in aanwezigheid van mr. R.W.H. van Brandenburg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 februari 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.