Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:871

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
28-02-2019
Datum publicatie
01-03-2019
Zaaknummer
05/740206-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt een man uit Emmeloord van 34 jaar voor verkrachting, aanranding en overtreding van de Opiumwet tot een gevangenisstraf van 4 jaar. Daarvan is 1 jaar voorwaardelijk

De verkrachting vond plaats in de nacht van 30 september op 1 oktober 2017. De man en het slachtoffer hadden met elkaar afgesproken in Nijmegen voor een date. Op het moment dat het slachtoffer naar het toilet ging heeft de man GHB in haar drankje gedaan. De man zou het slachtoffer met zijn auto naar haar slaapadres brengen. Het slachtoffer valt in de auto meermalen weg. Onderweg heeft de man zijn penis bij het slachtoffer in haar mond gebracht. Het slachtoffer is uiteindelijk bij Kampen door verdachte uit de auto gezet.

De rechtbank is van oordeel dat sprake is van verkrachting doordat de man zijn penis in de mond van het slachtoffer heeft gebracht. De rechtbank heeft de man vrijgesproken van het in de vagina brengen van zijn penis en/of vingers.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de man ook thuis een forse hoeveelheid GHB voorhanden heeft gehad.

Strafoplegging

De straf is gelijk aan de eis van de officier van justitie. De man krijgt een celstraf van 4 jaar waarvan 1 jaar voorwaardelijk. Hier gaat de tijd van af die hij al in voorarrest heeft gezeten. Voor de voorwaardelijke straf geldt een proeftijd van 3 jaar en hieraan zijn bijzondere voorwaarden verbonden. De voorwaarden bestaan uit reclasseringscontact, meewerken aan verdiepende diagnostiek van het NIFP en zich onder behandeling zal stellen en een contactverbod met het slachtoffer. De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de wijze waarop het feit is gepleegd en het feit dat verdachte eerder voor overtreding van de Opiumwet is veroordeeld.

Schadevergoeding

Tot slot moet de man een schadevergoeding van ruim €29.000 aan het slachtoffer betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-0373
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/740206-18

Datum uitspraak : 28 februari 2019

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] .

Raadsman: mr. Z. Nahar, advocaat te Amsterdam.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen

van 24 juli 2018, 28 augustus 2018, 22 oktober 2018 en 14 februari 2019.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een door de rechtbank toegewezen vordering wijziging tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij (op één of meerdere tijdstippen) in of omstreeks de nacht van 30 september 2017 op

1 oktober 2017 op één of meer locaties op de route tussen Nijmegen en Kampen,

in ieder geval (telkens) in Nederland,

door geweld en/of door één of meer andere feitelijkheden,

een persoon, te weten [slachtoffer] ,

heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen bestaande uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] ,

te weten het brengen van zijn penis in haar mond en/of het brengen van zijn penis en/of één of meer vingers in haar vagina en/of tussen haar schaamlippen,

waarbij dat geweld en/of die één of meer andere feitelijkheden er in heeft/hebben bestaan dat verdachte die [slachtoffer] heeft gedrogeerd met GHB (waardoor zij niet meer in staat was om weerstand aan verdachte te bieden),

terwijl verdachte daarnaast voorbij is gegaan aan eerder door die [slachtoffer] afgegeven verbale en/of non-verbale signalen dat zij geen seksueel contact met hem wenste;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij (op één of meerdere tijdstippen) in of omstreeks de nacht van 30 september 2017 op

1 oktober 2017 op één of meer locaties op de route tussen Nijmegen en Kampen,

in ieder geval (telkens) in Nederland,

met een persoon, te weten [slachtoffer] ,

van wie verdachte wist dat deze in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde (die [slachtoffer] verkeerde onder invloed van GHB), handelingen heeft gepleegd,

bestaande uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] te weten het brengen van zijn penis in haar mond en/of het brengen van zijn penis in haar vagina en/of één of meer vingers in haar vagina en/of tussen haar schaamlippen;

2.

hij (op één of meerdere tijdstippen) in of omstreeks de nacht van 30 september 2017 op

1 oktober 2017 te Nijmegen en/of op één of meer locaties op de route tussen Nijmegen en Kampen, in ieder geval (telkens) in Nederland,

door geweld en/of door één of meer andere feitelijkheden,

een persoon, te weten [slachtoffer] ,

heeft gedwongen tot plegen en/of dulden van ontuchtige handelingen,

door zijn tong in haar mond te duwen en/of haar borsten en/of haar schaamstreek te betasten, waarbij dat geweld en/of die één of meer andere feitelijkheden er in heeft/hebben bestaan dat verdachte die [slachtoffer] heeft gedrogeerd met GHB (waardoor zij niet meer in staat was om weerstand aan verdachte te bieden),

terwijl verdachte daarnaast voorbij is gegaan aan eerder door die [slachtoffer] afgegeven verbale en/of non-verbale signalen dat zij geen seksueel contact met hem wenste;

3.

hij in of omstreeks de periode van 30 september 2017 tot en met 1 oktober 2017, te Emmeloord, in ieder geval in Nederland,

opzettelijk aanwezig heeft gehad (in totaal) ruim/circa 100 milliliter GHB,

althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende GHB (4-hydroxyboterzuur),

zijnde GHB (4-hydroxyboterzuur) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verkrachting van [slachtoffer] door zijn penis in haar mond te brengen en zijn vingers tussen de schaamlippen te brengen, terwijl verdachte haar heeft gedrogeerd met GHB waardoor zij geen weerstand kon bieden (feit 1 primair),

het dwingen tot/dulden van ontuchtige handelingen terwijl verdachte [slachtoffer] heeft gedrogeerd met GHB waardoor zij geen weerstand kon bieden (feit 2) en het opzettelijk aanwezig hebben van ongeveer 100 milliliter GHB.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich ten aanzien van feit 1 op het standpunt gesteld dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verkrachting dan wel seksueel binnendringen van een bewusteloze. [slachtoffer] heeft de GHB zelf tot zich genomen en is zelf over gegaan tot het plegen van seksuele handelingen bij verdachte. Daarnaast kan niet wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte zijn penis in de vagina van [slachtoffer] heeft gebracht.

Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging gesteld dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat sprake is van feitelijke aanranding van de eerbaarheid, nu - onder andere - [slachtoffer] zelf is overgegaan tot seksuele handelingen en uit het dossier niet is gebleken dat [slachtoffer] verbale en non-verbale signalen heeft gegeven dat zij geen seks met verdachte wilde.

De verdediging heeft ten aanzien van feit 3 gesteld dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte ongeveer 100 milliliter GHB voorhanden heeft gehad, nu geen sprake is van aanwezig hebben in de zin van de wet en de indicatieve tests onvoldoende betrouwbaar zijn.

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Feiten 1 en 2

Op 30 september 2017 hebben verdachte en aangeefster [slachtoffer] (verder: [slachtoffer] ) met elkaar in Nijmegen afgesproken.2 Verdachte had GHB bij zich tijdens deze afspraak.3 Na hun afspraak zou verdachte [slachtoffer] met de auto naar Blerick brengen.4 Verdachte heeft [slachtoffer] bij Kampen in de buurt van de McDonalds uit de auto gezet.5

Uit onderzoek van het NFI is gebleken dat [slachtoffer] 220 mg/l GHB in haar urine had zitten.6 Op de haren van [slachtoffer] is sperma aangetroffen waarvan het DNA-profiel overeenkomt met het DNA-profiel van verdachte.7

Feit 3

Op 2 oktober 2017 zijn in de woning aan de [woonplaats] in de zilverkleurige koelvries-combinatie drie flessen vloeistof aangetroffen.8 Het ging om flessen met 7,75 milliliter, 4,6 milliliter en 95 milliliter vloeistof.9

Verdachte stond op 2 oktober 2017 ingeschreven op adres [woonplaats] .10

Beoordeling door de rechtbank

Ten aanzien van feit 1 en 2

Drogeren met GHB

Uit het toxicologisch onderzoek van het NFI is gebleken dat op 1 oktober 2017 omstreeks 7:30 uur haar eerste uitgeplaste urine is veiliggesteld. Deze urine is onderzocht op aanwezigheid van GHB. Uit dit onderzoek is gebleken dat de urine van [slachtoffer] 220 mg/l GHB bevatte. Het NFI heeft een beschrijving van werking van GHB in het bloed gegeven. Bij een concentratie tussen de 10 en 50 mg/l veroorzaakt in het algemeen (lichte) duizeligheid en sufheid op. Bij hogere concentraties worden de hersenfuncties in sterkere mate gedempt.11

Nu vaststaat dat er GHB is aangetroffen in de urine van [slachtoffer] , ziet de rechtbank zich vervolgens voor de vraag gesteld of [slachtoffer] de GHB zelf heeft ingenomen, zoals verdachte heeft verklaard, of dat zij deze toegediend heeft gekregen.

In haar aangifte heeft [slachtoffer] verklaard dat ze tijdens de afspraak met verdachte na de tweede gin-tonic naar de wc is gegaan. Toen ze terug kwam nam ze het laatste kleine beetje en proefde ze dat het heel bitter smaakte. Ze heeft toen nog een gin-tonic besteld. Verdachte ging tijdens het laatste drankje afrekenen. Na een kwart van het glas opgedronken te hebben, voelde ze zich super aangeschoten, zelfs een beetje dronken. Verdachte zei vervolgens tegen haar dat hij wel verwachtte dat ze het hele glas leeg zou drinken en drong wat aan. Ze heeft toen toch het hele glas leeggedronken. Toen ze op stond voelde ze dat ze niet stevig op haar benen stond.12 Bij de parkeergarage voelde ze dat ze niet meer op haar benen kon staan en er doorheen zakte.13

[getuige 1] heeft verklaard dat [slachtoffer] , toen zij in de nacht van 30 september op 1 oktober 2017 helemaal overstuur bij de McDonalds aan was komen lopen, hem vertelde dat zij op een date was geweest met een jongen, dat ze wat hadden gedronken en dat hij op een gegeven moment weg wilde en dat zij haar drankje daarom snel moest opdrinken. De jongen zou haar naar Venlo brengen. In de auto voelde zij dat zij wegzakte en dat zij moe was. De jongen had aan haar had gezeten, en dat wilde zij niet. Zij wist vervolgens niet meer wat er gebeurd was.14

De rechtbank acht de verklaring van [slachtoffer] , zoals neergelegd in haar aangifte, in samenhang bezien met de manier waarop zij volgens [getuige 1] bij de McDonalds is aangetroffen en hetgeen zij aan hem heeft verteld, betrouwbaar. Dat [slachtoffer] bij de rechter-commissaris op details anders heeft verklaard, leidt de rechtbank niet tot een andere conclusie. De verklaringen bij de politie zijn – in tegenstelling tot die bij de rechter-commissaris – kort na het incident afgelegd. De verklaringen van [slachtoffer] bij de politie worden tot slot ondersteund door hetgeen zij op die bewuste avond tegen [getuige 1] heeft verteld, zodat de rechtbank van deze verklaringen uit zal gaan.

De rechtbank concludeert op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, dat verdachte degene is geweest die de GHB aan [slachtoffer] heeft toegediend.

Geweld en feitelijke handelingen

Artikel 81 van het Wetboek van Strafrecht bepaalt dat het brengen in een staat van bewusteloosheid of onmacht wordt gelijkgesteld met het plegen van geweld. De rechtbank heeft hiervoor vast gesteld dat verdachte [slachtoffer] heeft gedrogeerd met GHB.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte [slachtoffer] daarmee opzettelijk in een zodanige toestand van fysieke weerloosheid heeft gebracht, dat zij als gevolg daarvan niet of zeer moeilijk in staat was zich tegen de handelingen te verzetten.

Voorbijgaan aan afgegeven verbale en/of non-verbale signalen

In de aangifte, die de rechtbank hiervoor al betrouwbaar heeft geacht, heeft [slachtoffer] verklaard dat verdachte in de parkeergarage in Nijmegen zijn tong in haar mond duwde en haar begon te tongzoenen. Ze drukte haar tanden op elkaar zodat hij niet verder kon. Ze zei dat ze wilde gaan.15 Nadat ze voor de tweede keer wakker werd omdat ze misselijk werd en verdachte met de auto was gestopt, begon hij aan haar te zitten. Hij begon over haar been te wrijven en over de binnenkant van haar been. Hij trok haar been een beetje naar buiten en ging met zijn hand in de richting van haar vagina. Met zijn andere hand pakte hij haar borst vast. Hij ging met zijn hand in haar bloes aan de rechterkant en raakte haar borst over haar BH aan. Ze heeft hem geprobeerd weg te duwen en zei dat ze het niet wilde. Ze zei dat hij moest stoppen.16

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat vast is komen staan dat verdachte voorbij is gegaan aan de verbale en non-verbale signalen van [slachtoffer] dat zij geen seksueel contact met hem wilde.

Feit 1

In aanvulling op het hiervoor besprokene onder “ten aanzien van feit 1 en 2”, overweegt de rechtbank het volgende ten aanzien van feit 1.

Penis in mond

[slachtoffer] heeft verklaard dat toen ze weer wakker werd verdachte half over haar heen hing en zijn penis dicht bij haar gezicht hield en zei “je was me net lekker aan het pijpen waarom stop je nou”. Ze voelt met haar hand sperma aan haar mond en in haar haren.17 Verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer] hem heeft gepijpt en dat hij is klaargekomen.18

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat vast is komen te staan dat verdachte met zijn penis in de mond van [slachtoffer] is geweest.

Penis en/of vingers in vagina en/of tussen schaamlippen

De rechtbank kan op basis van het rapporten van het NFI niet vaststellen dat verdachte zijn penis dan wel vingers in de vagina van [slachtoffer] heeft gebracht. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Ten aanzien van de bemonstering ZAAC8073NL#09 waarvan een Y-chromosomaal DNA-profiel is veilig gesteld tussen de binnenste schaamlippen van [slachtoffer] is door het NFI geformuleerd dat het zeer veel waarschijnlijker is dat het mannelijk celmateriaal in de bemonstering afkomstig is van de verdachte of van een in de mannelijke lijn aan hem verwante man

Desondanks kan de rechtbank op basis hiervan, in tegenstelling tot het standpunt van de officier van justitie, niet vaststellen hoe het Y-chromosomaal DNA-profiel van verdachte tussen de binnenste schaamlippen terecht is gekomen, aangezien [slachtoffer] daar geen verklaring over heeft (kunnen) geven.

De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken voor dit deel van de tenlastelegging.

Conclusie

De rechtbank acht het primair tenlastegelegde onder feit 1 wettig en overtuigend bewezen.

Feit 2

In aanvulling op het hiervoor besprokene onder “ten aanzien van feit 1 en 2”, overweegt de rechtbank het volgende ten aanzien van feit 2.

Plegen en/of dulden van ontuchtige handelingen

De rechtbank is van oordeel dat gelet op hetgeen onder “Voorbijgaan aan afgegeven verbale en/of non-verbale signalen” is overwogen wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte [slachtoffer] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, door zijn tong in haar mond te duwen en haar borst te betasten. Ten aanzien van het betasten van haar schaamstreek is de rechtbank eveneens van oordeel dat dit wettig en overtuigend bewezen is, nu [slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte aan de binnenkant van haar been heeft gewreven, met zijn hand richting haar vagina ging en haar been iets naar buiten duwde.

Conclusie

De rechtbank acht het tenlastegelegde onder feit 2 wettig en overtuigend bewezen.

Feit 3

Tijdens de doorzoeking in de woning aan de [woonplaats] op 1 oktober 2017, heeft de bewoonster, [getuige 2] , verklaard dat de zilverkleurige koelvriescombinatie in gebruik is van haar medebewoner, te weten verdachte. De drie aangetroffen flessen waren van verdachte en bevatte volgens [getuige 2] , GHB.19

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat de aangetroffen GHB in de koelkast van [getuige 2] en hem was.20 Ter terechtzitting van 22 oktober 2018 heeft verdachte verklaard dat hij GHB bij zich had op 30 september 2017 en dat hij dit die avond ook heeft gebruikt.21

Indicatieve tests GHB

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de verklaring van [getuige 2] , waarin zij aangeeft dat de drie flessen met vloeistof in de zilverkleurige koelkast GHB bevatten bevestiging vindt in de uitslag van de indicatieve test waaruit blijkt dat deze positief reageerde op de aanwezigheid van GHB in de onderzochte vloeistof uit deze flessen. De rechtbank acht daarmee wettig en overtuigend bewezen dat de inhoud van de flessen GHB betrof.

Aanwezig hebben

Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat de drie flessen met vloeistof in de zilverkleurige koelkast van verdachte zijn. Daarnaast heeft verdachte verklaard dat hij op 30 september 2017 GHB bij zich had en die avond ook heeft gebruikt.

De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode 30 september 2017 tot en met 1 oktober 2017 ruim 100 milliliter GHB voorhanden heeft gehad. De vastgestelde hoeveelheid van ruim 100 milliliter GHB is naar het oordeel van de rechtbank geen gebruikershoeveelheid. Dat verdachte ter terechtzitting van 22 oktober 2018 heeft verklaard dat de GHB alleen van [getuige 2] was, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 primair, feit 2 en feit 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij (op één of meerdere tijdstippen) in of omstreeks de nacht van 30 september 2017 op

1 oktober 2017 op één of meer locaties op de route tussen Nijmegen en Kampen,

in ieder geval (telkens) in Nederland,

door geweld en/of door één of meer andere feitelijkheden,

een persoon, te weten [slachtoffer] ,

heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen bestaande uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] ,

te weten het brengen van zijn penis in haar mond en/of het brengen van zijn penis en/of één of meer vingers in haar vagina en/of tussen haar schaamlippen,

waarbij dat geweld en/of die één of meer andere feitelijkheden er in heeft/hebben bestaan dat verdachte die [slachtoffer] heeft gedrogeerd met GHB (waardoor zij niet meer in staat was om weerstand aan verdachte te bieden),

terwijl verdachte daarnaast voorbij is gegaan aan eerder door die [slachtoffer] afgegeven verbale en/of non-verbale signalen dat zij geen seksueel contact met hem wenste;

2.

hij (op één of meerdere tijdstippen) in of omstreeks de nacht van 30 september 2017 op

1 oktober 2017 te Nijmegen en/of op één of meer locaties op de route tussen Nijmegen en Kampen, in ieder geval (telkens) in Nederland,

door geweld en/of door één of meer andere feitelijkheden,

een persoon, te weten [slachtoffer] ,

heeft gedwongen tot plegen en/of het dulden van ontuchtige handelingen,

door zijn tong in haar mond te duwen en/of haar borsten en/of haar schaamstreek te betasten, waarbij dat geweld en/of die één of meer andere feitelijkheden er in heeft/hebben bestaan dat verdachte die [slachtoffer] heeft gedrogeerd met GHB (waardoor zij niet meer in staat was om weerstand aan verdachte te bieden),

terwijl verdachte daarnaast voorbij is gegaan aan eerder door die [slachtoffer] afgegeven verbale en/of non-verbale signalen dat zij geen seksueel contact met hem wenste;

3.

hij in of omstreeks de periode van 30 september 2017 tot en met 1 oktober 2017, te Emmeloord, in ieder geval in Nederland,

opzettelijk aanwezig heeft gehad (in totaal) ruim/circa 100 milliliter GHB,

althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende GHB (4-hydroxyboterzuur),

zijnde GHB (4-hydroxyboterzuur) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1 primair:

“verkrachting”

Feit 2

“feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd”

Feit 3:

“opzettelijk handelen in strijd met artikel 2, onder C van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 10 lid 3 van de Opiumwet”

5 De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder feit 1 primair, feit 2 en feit 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met als bijzondere voorwaarden reclasseringstoezicht, verdiepende diagnostiek en indien nodig geacht door de reclassering een ambulante behandeling en een contact verbod (direct en indirect) met aangeefster [slachtoffer] .

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Het contact met de reclassering verloopt goed en verdachte is zijn leven op orde aan het brengen is. Oplegging van een gevangenisstraf is daarmee niet opportuun.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel justitiële documentatie, gedateerd 21 december 2018;

- een voorgangsverslag van GGZ Fivoor Den Haag, d.d. 13 februari 2019;

- een voorlichtingsrapport van Iriszorg, d.d. 11 juli 2018;

- een psychologisch rapport van drs. [naam 1] , psycholoog, d.d. 9 juli 2018.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verkrachting door zijn penis in de mond van [slachtoffer] te brengen, feitelijke aanranding van de eerbaarheid van die [slachtoffer] en aan het voorhanden hebben van ruim 100 milliliter GHB.

Verdachte heeft met [slachtoffer] via Tinder een afspraak gemaakt om elkaar te ontmoeten in Nijmegen. Verdachte heeft vervolgens, terwijl [slachtoffer] naar de wc was, GHB in haar drankje gedaan. In de auto voelde [slachtoffer] dat zij wegviel. Verdachte heeft [slachtoffer] in deze toestand verkracht en ontuchtige handelingen met haar gepleegd. Verdachte heeft hiermee op brute wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van [slachtoffer] en heeft hij het zelfbeschikkingsrecht op haar eigen lichaam in zeer vergaande mate geschonden. Dit alles ter bevrediging van zijn eigen lustgevoelens. Uit de slachtofferverklaring en hetgeen door de raadsvrouw van [slachtoffer] ter terechtzitting naar voren is gebracht blijkt dat [slachtoffer] lijdt onder de psychische gevolgen van hetgeen haar door verdachte is aangedaan. Verdachte heeft haar gevoel van veiligheid van haar afgenomen.

De rechtbank rekent verdachte de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd, zeer zwaar aan.

Daarnaast heeft verdachte een ruime hoeveelheid, meer dan een gebruikershoeveelheid, GHB voorhanden gehad. Het voorhanden hebben –en het gebruik daarvan- van verdovende middelen vormen een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid, gaan vaak gepaard met crimineel gedrag en veroorzaken onrust en schade in de samenleving.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat niet anders kan worden gereageerd op dergelijke feiten dan met het opleggen van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur met daarbij een proeftijd van 3 jaren. In het nadeel van verdachte is in aanmerking genomen dat verdachte eerder ten aanzien van overtreding van de Opiumwet, en in het bijzonder met betrekking tot GHB, is veroordeeld. De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk opgelegd moet worden om te voorkomen dat verdachte in de toekomst nogmaals soortgelijke feiten zal plegen. Als bijzondere voorwaarden, zoals geëist door de officier van justitie, stelt de rechtbank dat verdachte moet meewerken aan verdiepende diagnostiek door het NIFP betreffende onderzoek naar de persoon van verdachte en dat hij zich zo nodig onder behandeling zal stellen om zich te laten behandelen voor het door het NIFP gediagnosticeerde stoornis. Daarnaast zal een contactverbod (direct en indirect) met [slachtoffer] worden opgelegd.

Alles afwegend is de rechtbank, conform de eis van de officier van justitie, van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren waarvan 1 jaar voorwaardelijk met aftrek en met bijzondere voorwaarden met een proeftijd van 3 jaren, passend en geboden.

7a. De beoordeling van de civiele vorderingen, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van de ten laste gelegde feiten. De totale omvang van de vordering aan materiële schade bedraagt € 28.531,84. De totale omvang van de vordering aan immateriële schade bedraagt € 20.000,--. Tot slot vordert [slachtoffer] wettelijke rente over het door haar gevorderde bedrag.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt dat in het geval van een bewezenverklaring de gevorderde materiële schade dient te worden toegewezen met oplegging van de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel. Voor wat betreft de hoogte van het bedrag aan immateriële schade, zoals gevorderd door [slachtoffer] , refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van [slachtoffer] niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat deze te ingewikkeld zou zijn en de behandeling ervan aldus een onevenredige belasting van het strafgeding vormt. Daarnaast heeft de verdediging betwist dat er een causaal verband bestaat tussen de ten laste gelegde feiten en de door [slachtoffer] geleden schade. [slachtoffer] had immers al langer last van psychische klachten.

Beoordeling door de rechtbank

Ten aanzien van de materiële schade

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat [slachtoffer] als gevolg van de onder 1,2 en 3 bewezen verklaarde feiten materiële schade heeft geleden tot het bedrag van € 22.509,10.

De door [slachtoffer] gevorderde schade met betrekking tot haar verhoogde economische kwetsbaarheid, zal door de rechtbank worden afgewezen nu de verschuldigdheid en de omvang van deze kosten zijn omgeven met teveel onzekerheden en er bovendien nog geen sprake is van een medische eindtoestand bij [slachtoffer] . De rechtbank zal [slachtoffer] niet-ontvankelijk verklaren in dat deel van haar vordering.

De verdachte is voor de schade − naar burgerlijk recht − aansprakelijk. De vordering dient tot een bedrag van € 22.509,10 te worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 september 2017.

Ten aanzien van immateriële schade

Door [slachtoffer] wordt een bedrag van € 20.000,-- aan immateriële schadevergoeding gevorderd. [slachtoffer] heeft over de ten laste gelegde feiten verklaard dat verdachte haar ernstig heeft getraumatiseerd. Ook ondervindt zij psychische klachten ten gevolge van de ten laste gelegde feiten.

De rechtbank houdt bij het begroten van de immateriële schade van [slachtoffer] rekening met deze omstandigheden. Anderzijds dient de rechtbank ook rekening te houden met de bedragen die in vergelijkbare zaken aan schadevergoeding zijn toegekend. De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde immateriële schadevergoeding tot een bedrag van in totaal

€ 7.000,--dient te worden toegewezen. De rechtbank zal de vordering van [slachtoffer] voor het overige gedeelte afwijzen.

De verdachte is voor de schade − naar burgerlijk recht − aansprakelijk. De vordering dient tot een bedrag van € 7.000,-- te worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 september 2017.

In het belang van de [slachtoffer] wordt, als extra waarborg voor betaling aan haar, ter zake alle toegewezen bedragen de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opgelegd

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36f, 57, 243 en 246 van het Wetboek van Strafrecht en 2 en 10 van de Opiumwet.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren;

 bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf groot 1 (één) jaar, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarde(n) voor het einde van de proeftijd die op drie jaren wordt bepaald;

 de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de Reclassering Nederland te houden toezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

 de bijzondere voorwaarde(n) dat de veroordeelde:

- zich uiterlijk 3 dagen na het beëindiging van zijn detentie zal

melden bij de Reclassering Nederland en gedurende de proeftijd zich zal blijven

melden bij deze instelling, zo frequent en zolang de instelling dat noodzakelijk

acht;

- gedurende de proeftijd zal meewerken aan verdiepende diagnostiek betreffende de persoon van veroordeelde bij het NIFP;

- zich zo nodig, naar aanleiding van de conclusies van de verdiepende diagnostiek van het NIFP, onder behandeling zal stellen van een nader te bepalen zorginstelling/deskundige op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling/deskundige en/of de reclassering aan te geven,

teneinde zich te laten behandelen voor het door het NIFP gediagnosticeerde stoornis;

- gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer], zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

 Geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden (artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht).

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

heft op het bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis;

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .

 veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 1 primair en feit 2 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer], van een bedrag van € 29.509,10 (negenentwintigduizendvijfhonderden negen euro en tien cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 september 2017 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 29.509,10 (negenentwintigduizendvijfhonderdennegeneuro en tien cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 september 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 182 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

Dit vonnis is gewezen door mr. L.C.P. Goossens (voorzitter),

mr. D.S.M. Bak en mr. M.G.E. ter Hart, rechters,

in tegenwoordigheid van L.J.M. Visser, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 28 februari 2019.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [naam 2] van de politie Oost Nederland, Dienst Regionale Recherche, afdeling Thematische Opsporing, team Zeden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 2017454572, gesloten op 12 april 2018, een aanvullend proces-verbaal van bevindingen, d.d. 3 juli 2018, PL0600-2017454572-36, een aanvullend proces-verbaal van bevindingen, d.d. 18 september 2018, PL0600-2017454572-37, een aanvullend proces-verbaal van bevindingen, d.d. 26 november 2018, PL0600-2017454572-40, het proces-verbaal van verhoor van verdachte, d.d. 1 mei 2018, PL0600-2017454572-1 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 22 oktober 2018, p. 4 en proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , p. 104

3 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 22 oktober 2018, p. 4

4 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 22 oktober 2018, p. 4 en proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , p. 106

5 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 22 oktober 2018, p. 5

6 Toxicologisch onderzoek door NFI, p. 85

7 Rapport NFI onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek, p. 76

8 Proces-verbaal van bevindingen, p. 157

9 Proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, p. 174 “hoeveelheid vloeistof”

10 Pv aanvraag doorzoeking te inbeslagneming, p. 139

11 Toxicologisch onderzoek in de urine van [slachtoffer] , p. 83-85-86

12 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , p. 107 en 108

13 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , p. 108

14 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 134

15 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , p. 108

16 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , p. 109

17 Proces-verbaal van informatief gesprek zeden, p. 56

18 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 22 oktober 2018, p. 4, proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 1 mei 2018 p. 5 en rapport NFI onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek, p. 76

19 Proces-verbaal van bevindingen, p. 158

20 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, d.d. 1 mei 2018, p. 8

21 Proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 22 oktober 2018, p. 4