Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:775

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
25-02-2019
Datum publicatie
26-02-2019
Zaaknummer
05/760032-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De militaire kamer veroordeelt verdachte tot een deels voorwaardelijk gevangenisstraf voor het plegen van ontuchtige handelingen met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer: 05/760032-18

Datum uitspraak : 25 februari 2019

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige militaire kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats] , wonende te [woonplaats]

raadsman: mr. H.J.G. Dudink, advocaat te Beverwijk.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 11 februari 2019.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari 2017 tot en met 21 januari 2018 te Hoogvliet Rotterdam, gemeente Rotterdam, althans in Nederland, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, (telkens) een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , immers heeft verdachte

 één of meer vinger(s) in de vagina en/of tussen de schaamlippen van voornoemde [slachtoffer] gebracht en/of geduwd en/of

 voornoemde [slachtoffer] getongzoend en/of

 de borst(en) en/of de bil(len) en/of de vagina van voornoemde [slachtoffer] betast en/of bevoeld en/of

 de hand van voornoemde [slachtoffer] (vast)gepakt en/of (vervolgens) de hand van voornoemde [slachtoffer] tegen zijn ontblote penis gehouden en/of geduwd;

en/of

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari 2017 tot en met 21 januari 2018 te Hoogvliet Rotterdam, gemeente Rotterdam, althans in Nederland, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, (telkens) een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, immers heeft verdachte

 voornoemde [slachtoffer] getongzoend en/of

 de borst(en) en/of de bil(len) en/of de vagina van voornoemde [slachtoffer] betast en/of bevoeld en/of

 de hand van voornoemde [slachtoffer] (vast)gepakt en/of (vervolgens) de hand van voornoemde [slachtoffer] tegen zijn ontblote penis gehouden en/of geduwd;

De officier van justitie heeft ter terechtzitting toegelicht dat de tenlastelegging dient te worden gelezen als een uitsluitend primair/subsidiaire tenlastelegging. In plaats van “ en/of” dient daarom “ subsidiair” te worden gelezen.

2A. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat er sprake is van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek ex artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Er is sprake van een grove veronachtzaming van de belangen van verdachte en hierdoor is het recht op een eerlijk proces van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) geschonden. Verdachte heeft vrijwillig zijn telefoon ingeleverd bij de politie en de politie heeft die telefoon laten “crashen”. Hierdoor kan geen ontlastend onderzoek meer plaatsvinden. Dit nadeel kan niet anders worden gecompenseerd dan door bewijsuitsluiting van de onderzoeksresultaten welke door middel van digitaal onderzoek uit de telefoon van [slachtoffer] naar voren zijn gekomen.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat geen sprake is van een vormverzuim aangezien het vergaarde bewijs niet afkomstig is van de telefoon van verdachte, maar van [slachtoffer] .

De beoordeling door de militaire kamer

De raadsman heeft een beroep gedaan op artikel 359a Sv. Deze bepaling vindt toepassing indien blijkt dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld en de rechtsgevolgen hiervan niet uit de wet blijken.

De raadsman heeft gesteld dat de telefoon door toedoen van de Koninklijke Marechaussee niet meer kan worden onderzocht. Uit de onderzoeksgegevens van de Koninklijke Marechaussee blijkt echter enkel dat de telefoon van verdachte op fabrieksinstellingen is teruggezet. Of dat ook betekent dat de telefoon niet meer kan worden onderzocht, is onduidelijk. Nader onderzoek door bijvoorbeeld het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) zou dit kunnen uitwijzen. Voor een dergelijk onderzoek ziet de militaire kamer geen aanleiding omdat het rechtsgevolg wat de raadsman aan het gestelde vormverzuim heeft verbonden, bewijsuitsluiting, niet tot een ander oordeel kan leiden. Immers, ingevolge artikel 359a Sv kan de rechtbank bepalen dat de resultaten van het onderzoek die door het verzuim zijn verkregen, niet mogen bijdragen aan het bewijs van het tenlastegelegde feit en daarvan is in dit geval geen sprake. Hetgeen volgens de raadsman moet worden uitgesloten van het bewijs, de WhatsApp-berichten uit de telefoon van [slachtoffer] , zijn niet verkregen uit het (volgens de raadsman onjuiste) onderzoek aan de telefoon van verdachte. De vraag of sprake is van een onherstelbaar vormverzuim, kan daarom onbeantwoord worden gelaten.

2B. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht. De ontuchtige handelingen die verdachte heeft gepleegd, bestonden mede uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer] .

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair vrijspraak bepleit. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat er veel WhatsApp-berichten zijn verstuurd met het telefoonnummer van verdachte. Echter, het was niet verdachte die deze berichten heeft verstuurd. De verdediging heeft een onderzoek gedaan naar een aantal momenten uit de WhatsApp-berichten waar verdachte op een specifiek te herleiden plaats was. De verdediging heeft een verklaring van [getuige 1] overgelegd dat zij met verdachte uit eten was op 7 november 2017. Voorts is aangevoerd dat het taalgebruik zoals gehanteerd in de WhatsApp-berichten niet het taalgebruik van verdachte is en dat er woningen uitkijken op de locatie waar de ontuchtige handelingen zouden hebben plaatsgevonden. Ook zijn de 15 cijfers van een IMEI-nummer niet uniek en is er een reële mogelijkheid van Spoofing. Voorts heeft de raadsman een verklaring van [getuige 2] ter terechtzitting overgelegd. [getuige 2] heeft verklaard dat verdachte het voetbalveld op 4 november 2017, zijnde de wedstrijd waar [slachtoffer] met de jongens heeft meegevoetbald, niet heeft verlaten. Verdachte en [slachtoffer] kunnen toen dus niet hebben gezoend. Gelet op het voorgaande zijn de verklaringen van [slachtoffer] ongeloofwaardig en is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om [getuige 1] en [getuige 2] te laten horen door de rechter-commissaris.

Beoordeling door de militaire kamer

[slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] , heeft verklaard dat zij heeft gevoetbald bij VV [naam 1] in het meisjesteam (C1). Zij heeft verdachte vorig seizoen (de militaire kamer begrijpt in het jaar 2017) leren kennen als trainer van het jongensteam (JC1). [slachtoffer] heeft een keer bij dit team naar het voetbal gekeken en toen zij naar huis ging, gaven zij en verdachte elkaar een knuffel.2 Verdachte heeft haar vervolgens opgezocht via Instagram. Verdachte vroeg haar nummer en via WhatsApp spraken zij elkaar regelmatig.

Voor de zomerstop hebben zij afgesproken vlakbij de voetbalvereniging. Zij gaven elkaar een knuffel en verdachte vroeg of hij haar mocht zoenen.3 Na het tongzoenen ging verdachte met zijn hand onder het shirt van [slachtoffer] en raakte hij haar borsten aan. Dit vond zij vervelend.4 Tijdens het zoenen deed verdachte tevens haar broek los en vingerde hij haar.

[slachtoffer] heeft hierover verklaard: “V(verbalisant): Wat deed hij precies met zijn vinger? A(aangeefster): Heen en weer. V: Waar? A: Bij mijn vagina.”. [slachtoffer] vond ook dit niet fijn.5

[slachtoffer] heeft verder verklaard over die dag dat verdachte zei dat zij hem overal mocht aanraken: “A: Hij pakte mijn hand vast, deed zijn broek los en deed mijn hand tegen zijn piemel, zijn blote piemel, want hij hield zijn onderbroek omhoog zodat ik erbij kon.”. [slachtoffer] vond dit eveneens vervelend.6

[slachtoffer] heeft verklaard dat zij nog een keer met verdachte heeft getongzoend, namelijk toen zij met het voetbalteam JC1 meevoetbalde. Zij is naar de kleedkamer gelopen omdat zij haar vest kwijt was. Verdachte liep met haar mee en tongzoende met haar.7

Naast de verklaring van [slachtoffer] , is in het procesdossier een uitdraai van WhatsApp-gesprekken afkomstig uit de telefoon van [slachtoffer] voorhanden. Deze 4331 berichten zijn verzonden tussen het telefoonnummer [telefoonnummer 1] , in gebruik bij [slachtoffer] , en het telefoonnummer [telefoonnummer 2] , in gebruik bij verdachte,8 in de periode 18 oktober 2017 tot en met 20 januari 2018.9

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat dit telefoonnummer weliswaar aan verdachte toebehoorde, maar deze WhatsApp-berichten niet door hem zijn verstuurd. De vraag die de militaire kamer dus moet beantwoorden is of het verdachte is geweest die deze berichten heeft gestuurd of dat een ander dat, met gebruikmaking van het telefoonnummer van verdachte, heeft gedaan.

De militaire kamer overweegt dat in de WhatsApp-gesprekken wordt gerefereerd aan de gebeurtenissen en ontmoetingen waarvan [slachtoffer] heeft verklaard dat deze met verdachte hebben plaatsgevonden. Zo worden er onder andere gesprekken gevoerd over tongzoenen en vingeren.10 Op 21 oktober 2017 is vanaf het telefoonnummer van verdachte gestuurd: “Hahaha je hebt alles met me gedaan en gevoeld”11en op 28 oktober 2017: “J zoende me gwvn waar [naam 2] bij was”12(...) “Hahaha vanmiddag was je verlegen hee” (...) “Vind jammer dat we niet lang gezoend hebben”.13Op 18 januari 2018 stuurde [slachtoffer] naar het telefoonnummer van verdachte “Ja weet maar ik je l.l tochval gevoeld”14waarop als volgt is gereageerd: “Ja bijna een jaar geleden” (...) “Ik heb jou ook gevingerd maar alsnog wil ik dat”.15 [slachtoffer] zegt niet alleen dat ze met verdachte heeft geappt maar zegt ook dat ze met verdachte heeft afgesproken, aan welke afspraken in het berichtenverkeer wordt gerefereerd.16 Dit laat zich moeilijk rijmen met het standpunt dat een ander dan verdachte via zijn telefoon met [slachtoffer] contact had. Tevens blijkt uit de WhatsApp-gesprekken het volgende. Op 20 oktober 2017 is een foto verstuurd vanaf het telefoonnummer van verdachte naar [slachtoffer] . Dit betreft een foto van verdachte in militair uniform.17 Verdachte heeft ter terechtzitting bevestigd dat hij op deze foto staat.18 Op 23 oktober 2017 is er vanaf dit telefoonnummer naar [slachtoffer] een militaire locatie gedeeld, namelijk [naam 3] te Den Helder.19 Op 12 december 2017 is er vanaf dit telefoonnummer een WhatsApp-bericht naar [slachtoffer] verstuurd met de inhoud dat “vrouwtje al weeën heeft20 en op 13 december 2017 is door [slachtoffer] naar het telefoonnummer van verdachte gestuurd: “Ik ben helemaal vergeten om je te feliciteren omdat je getrouwd bent”21. Op diezelfde dag is met het nummer van verdachte naar [slachtoffer] een WhatsApp-bericht gestuurd: “Me kindje is er ook binnen 24 uur”.22Uit de gegevens van de basisregistratie blijkt dat verdachte op 11 december 2017 is getrouwd en op 14 december 2017 zijn dochter is geboren.23 Op 25 december 2017 is vanaf het telefoonnummer van verdachte naar [slachtoffer] een foto gestuurd van een baby.24 De gebruiker van het telefoonnummer heeft dus niet alleen toegang tot foto’s van verdachte en zijn locatiegegevens, maar weet ook precies wanneer verdachte in het ziekenhuis is rondom een bevalling en wanneer zijn kind is geboren en hij is getrouwd.

Tot slot acht de militaire kamer van belang dat [getuige 3] heeft verklaard dat hij zag dat verdachte en [slachtoffer] elkaar na iedere training opzochten en elkaar een knuffel gaven en dat hij eind 2017 verdachte hierop heeft aangesproken.25 Op 5 december 2017 is het volgende vanaf het telefoonnummer van verdachte naar [slachtoffer] gestuurd: “ [getuige 3] mag niet zien dat we knuffelen” (...) “Gaat ie weer zeuren dalijk”.26

De militaire kamer heeft gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen twijfel dat het verdachte is geweest die de WhatsApp-berichten heeft gestuurd. De verklaringen van [getuige 2] en [getuige 1] maken dat niet anders, ook niet indien zij deze verklaringen tegenover de rechter-commissaris zouden bevestigen. De militaire kamer wijst daarom het voorwaardelijk verzoek daartoe af.

Vervolgens is de vraag of sprake is geweest van seksueel binnendringen. Daarvoor moet worden vastgesteld dat verdachte ook daadwerkelijk in de vagina of tussen de schaamlippen van [slachtoffer] is geweest. Op basis van de verklaring van [slachtoffer] kan slechts worden vastgesteld dat hij haar vagina heeft aangeraakt maar niet dat hij bij haar is binnengedrongen. Haar verklaring is op dit punt onvoldoende specifiek. De militaire kamer acht daarom het primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen en zal verdachte daarvan vrijspreken.

De militaire kamer acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de militaire kamer is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari 2017 tot en met 21 januari 2018 te Hoogvliet Rotterdam, gemeente Rotterdam, althans in Nederland, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, (telkens) een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, immers heeft verdachte

 voornoemde [slachtoffer] getongzoend en/of

 de borst(en) en/of de bil(len) en/of de vagina van voornoemde [slachtoffer] betast en/of bevoeld en/of

 de hand van voornoemde [slachtoffer] (vast)gepakt en/of (vervolgens) de hand van voornoemde [slachtoffer] tegen zijn ontblote penis gehouden en/of geduwd;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd.

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en daarbij opgelegd de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft op dit punt geen verweer gevoerd.

Beoordeling door de militaire kamer

De militaire kamer heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel justitiële documentatie, gedateerd 3 januari 2019;

- een reclasseringsadvies van de Reclassering Nederland, gedateerd 10 januari 2019.

De militaire kamer heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen - en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur leiden - dat verdachte zich als volwassen man meermalen schuldig heeft gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met een meisje dat ten tijde van het plegen van het delict 12 en 13 jaar oud was. Daarbij heeft verdachte haar gezoend, haar vagina betast, aan haar borsten gezeten en heeft hij zijn ontblote penis door haar laten betasten. Bij dergelijke feiten is in beginsel een gevangenisstraf het uitgangspunt.

Uit de WhatsApp-gesprekken kan niet worden afgeleid dat het contact tussen verdachte en [slachtoffer] onvrijwillig was. Integendeel, over en weer wordt gestuurd dat men elkaar mist, van elkaar houdt en noemen verdachte en [slachtoffer] elkaar bijvoorbeeld liefje en schatje. Het lijkt dus meer op een relatie dan op een gedwongen contact. Dat staat echter niet aan het opleggen van een gevangenisstraf in de weg. De wetgever beschermt de geestelijke en lichamelijke integriteit van jeugdigen uitdrukkelijk, onder meer op de grond dat zij op seksueel gebied nog niet volgroeid zijn en dat zij worden geacht niet zelfstandig de emotionele gevolgen van seksueel contact voldoende te kunnen inschatten. Handelingen zoals de verdachte die heeft gepleegd, vormen een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en kan, naar de ervaring leert, leiden tot blijvende psychische schade, ook in die gevallen waarin het contact in eerste instantie vrijwillig leek te zijn. Dat blijkt ook uit de verklaring van [slachtoffer] , waaruit blijkt dat zij achteraf gezien veel last heeft van het leeftijdsverschil en ook achteraf pas door had wat er aan de hand was. Uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring blijkt ook wat dit soort feiten voor slachtoffers en hun familie tot gevolg kunnen hebben.

Verdachte heeft in ernstige mate het vertrouwen beschaamd, dat hem in de hoedanigheid van voetbalcoach was toevertrouwd. Daar waar mensen optreden als begeleiders van kinderen of andere kwetsbare personen, moeten die kinderen en hun ouders kunnen vertrouwen op de integriteit van die begeleiders. Verdachte is herhaaldelijk gewaarschuwd door anderen en ondanks die waarschuwingen is hij doorgegaan met het contact met [slachtoffer] . Uit zijn proceshouding vloeit tevens voort dat verdachte geen verantwoordelijkheid neemt voor zijn acties. Tot slot was verdachte ruim dertien jaar ouder en er was evident sprake van overwicht. Aan de andere kant houdt de militaire kamer rekening met het feit dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is geweest en dat hij zijn baan als militair kwijt is geraakt.

De militaire kamer acht alles afwegende een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden waarvan vijf maanden voorwaardelijk passend en geboden, met een proeftijd van drie jaren. Ter voorkoming van recidive zal de militaire kamer de bijzondere voorwaarden, zoals geadviseerd door de reclassering, opleggen. Uitzondering is het opleggen van het vermijden van het contact met minderjarigen, nu deze voorwaarde naar het oordeel van de militaire kamer te weinig specifiek en onvoldoende onderbouwd is om op deze manier als bijzondere voorwaarde op te leggen.

7a. De beoordeling van de civiele vordering en proceskosten, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De vader van de benadeelde [slachtoffer] heeft zich namens zijn dochter in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 7.162,86.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden toegewezen tot een bedrag van € 6.148,47. Hierbij heeft hij de immateriële kosten teruggebracht naar € 5.000,00 en de kosten van het verhoor van de zoon van € 14,39 van het totaal aan materiële schade afgetrokken.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft namens de verdediging gepleit voor niet-ontvankelijkheid van de vordering. De uitspraak waarnaar in de vordering wordt verwezen is van andere orde dan deze zaak. Tevens is het onbegrijpelijk dat er twaalf uur voor de zitting is uitgetrokken en is de situatie met betrekking tot [slachtoffer] vooralsnog onduidelijk, nu ter terechtzitting is gebleken dat zij nog onder behandeling zal gaan.

Beoordeling door de militaire kamer

Ten aanzien van de materiële schade overweegt de militaire kamer dat ingevolge artikel 51f lid 4 van het Wetboek van Strafvordering, zoals gold ten tijde van het ontstaan van de schade, de ouders van een minderjarig slachtoffer zich als wettelijk vertegenwoordiger kunnen voegen namens hun kind. Het moet dan gaan om schade – materieel of immaterieel van aard – die door de minderjarige zelf rechtstreeks is geleden door het strafbare feit.

Materiële schade

De benadeelde partij heeft € 1.162,86 aan materiële schade gevorderd. Deze schade bestaat uit reis- en parkeerkosten en kosten in verband met inkomstenderving van de ouders van [slachtoffer] . De militaire kamer oordeelt dat deze kosten niet rechtstreeks door de minderjarige zelf zijn geleden door het strafbare feit. De militaire kamer verklaart de benadeelde daarom niet-ontvankelijk in deze kosten.

Immateriële schade

De benadeelde partij heeft € 6.000,00 aan immateriële schade gevorderd. Naar het oordeel van de militaire kamer is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering voor immateriële schade is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde immateriële schade heeft geleden. Haar lichamelijke integriteit is immers aangetast. De militaire kamer is van oordeel dat de vordering tot immateriële schade tot een bedrag van € 1.000,00 kan worden toegewezen. Wat betreft het meer of anders gevorderde zal de militaire kamer de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren, omdat de vordering voor het meerdere onvoldoende is onderbouwd.

Proceskosten

De benadeelde partij heeft verder de proceskosten gevorderd ten bedrage van € 67,42, bestaande uit reiskosten gemaakt voor het bijwonen van de terechtzitting. De militaire kamer wijst deze vordering toe.

Ter meerdere zekerheid voor daadwerkelijke betaling aan de benadeelde partij, zal de militaire kamer voorts de schadevergoedingsmaatregel opleggen. De militaire kamer zal de vervangende hechtenis vaststellen op twintig dagen. De gevorderde en toegewezen vergoeding voor proceskosten is daar niet bij inbegrepen.

De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 1 januari 2017.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36f, 57 en 247 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De militaire kamer:

 spreekt verdachte vrij van het primair ten laste gelegde feit;

 verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van acht (8) maanden;

 bepaalt dat, een gedeelte van de gevangenisstraf groot vijf (5) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden voor het einde van de proeftijd die op drie jaren wordt bepaald.

De algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

 zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

 ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

 zijn medewerking zal verlenen aan het door de Reclassering Nederland te houden toezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

 zich meldt binnen drie dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis bij de Reclassering Nederland te Rotterdam [adres 1] ). De veroordeelde blijft zich hierna zo vaak en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht melden;

 meewerkt aan een risicotaxatie van zijn gedrag door een daartoe door de Reclassering Nederland geschikt geachte behandelinstelling (zoals [naam 4] ’ of [naam 5] ’) en zich, indien aangewezen bevonden door de Reclassering Nederland, laat behandelen voor zijn gedrag door middel van een door de reclassering geschikt geachte behandeling;

 op geen enkele wijze contact – direct of indirect – heeft of zoekt met [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2] , adres [adres 2] ), zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

 geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

 veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer], tot een bedrag van 1.000,00 (duizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2017 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op € 67,42;

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 1.000,00 (duidend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 20 (twintig) dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.C.A.M. Janssen (voorzitter) en mr. Y. van Wezel, rechters, en kapitein ter zee logistieke dienst mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, militair lid,

in tegenwoordigheid van mr. S. de Rooij, griffier, en uitgesproken ter openbare

terechtzitting van deze rechtbank op 25 februari 2019.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] , adjudant onderofficier der Koninklijke Marechaussee gecertificeerd zedenrechercheur, werkzaam bij de Brigade Recherche, Afdeling Specialistische Opsporing, Sectie Jeugd & Zeden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 18-000853, gesloten op 30 april 2018 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer] , p. 17-18.

3 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer] , p. 19.

4 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer] , p. 20.

5 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer] , p. 21.

6 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer] , p. 21.

7 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer] , p. 24.

8 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting op 11 februari 2019.

9 Proces-verbaal van bevindingen, p. 118.

10 Proces-verbaal van bevindingen, p. 119.

11 Schriftelijk bescheid, zijnde WhatsApp-gesprekken tussen [telefoonnummer 3] en [telefoonnummer 4] tussen 18 oktober 2017 tot en met 20 januari 2018 p. 122.

12 Schriftelijk bescheid, zijnde WhatsApp-gesprekken tussen [telefoonnummer 3] en [telefoonnummer 4] tussen 18 oktober 2017 tot en met 20 januari 2018 p. 129.

13 Schriftelijk bescheid, zijnde WhatsApp-gesprekken tussen [telefoonnummer 3] en [telefoonnummer 4] tussen 18 oktober 2017 tot en met 20 januari 2018 p. 59.

14 Schriftelijk bescheid, zijnde WhatsApp-gesprekken tussen [telefoonnummer 3] en [telefoonnummer 4] tussen 18 oktober 2017 tot en met 20 januari 2018 p. 151.

15 Schriftelijk bescheid, zijnde WhatsApp-gesprekken tussen [telefoonnummer 3] en [telefoonnummer 4] tussen 18 oktober 2017 tot en met 20 januari 2018 p. 152.

16 Proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer] , p. 21 tot en met 24.

17 Proces-verbaal van bevindingen, p. 212, alsmede schriftelijk bescheid, zijnde een foto p. 217.

18 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting op 11 februari 2019.

19 Proces-verbaal van bevindingen, p. 212.

20 Schriftelijk bescheid, zijnde een WhatsAppgesprek tussen [telefoonnummer 3] en [telefoonnummer 4] tussen 18 oktober 2017 tot en met 20 januari 2018, p. 100

21 Schriftelijk bescheid, zijnde een WhatsAppgesprek tussen [telefoonnummer 3] en [telefoonnummer 4] tussen 18 oktober 2017 tot en met 20 januari 2018, p. 219.

22 Schriftelijk bescheid, zijnde een WhatsAppgesprek tussen [telefoonnummer 3] en [telefoonnummer 4] tussen 18 oktober 2017 tot en met 20 januari 2018, p. 219.

23 Proces-verbaal van bevindingen, p. 213.

24 Proces-verbaal van bevindingen, p. 213.

25 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] , p. 33-34.

26 Schriftelijk bescheid, zijnde WhatsApp-gesprekken tussen [telefoonnummer 3] en [telefoonnummer 4] tussen 18 oktober 2017 tot en met 20 januari 2018 p. 147.