Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:767

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
25-02-2019
Datum publicatie
04-03-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 2791
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Internationale premieheffing. Eiser woont in Nederland en had tot 2 juni 2015 een dienstverband als ambtenaar. In de periode van 17 maart tot 2 juni 2015 heeft hij vakantiedagen opgenomen en is hij gaan werken voor een werkgever in het Verenigd Koninkrijk. Hij is in de periode dat hij zijn vakantiedagen opnam in Nederland premieplichtig gebleven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 05-03-2019
V-N Vandaag 2019/519
FutD 2019-0668
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 18/2791

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 25 februari 2019

in de zaak tussen

[X] , te [Z] , eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Eindhoven, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2015 een aanslag (aanslagnummer [000] .H.56.01) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 99.713 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.220. Tevens is bij beschikking € 128 aan belastingrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 9 april 2018 de aanslag en de beschikking belastingrente gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 24 juni 2018, ontvangen door de rechtbank op 28 juni 2018, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2019.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote [Y] . Namens verweerder is verschenen [gemachtigde] .

Overwegingen

Feiten

  1. Eiser woonde in 2015 in [Z] . Hij was van 1 april 2012 tot 2 juni 2015 aangesteld als universitair hoofddocent Orthopedie en Neurochirurgie bij de faculteit Diergeneeskunde van de Universiteit [Z] . Met ingang van 16 maart 2015 is eiser in dienst getreden bij de Universiteit van [Q] in het Verenigd Koninkrijk als professor in veterinary orthopaedics aan de Royal Veterinary College.

  2. Van 3 maart 2015 tot en met 1 juni 2015 heeft eiser de vakantiedagen opgenomen, die hij tijdens zijn aanstelling bij de Universiteit [Z] had opgebouwd.

3. Op 10 december 2015 heeft de Sociale verzekeringsbank (Svb) op verzoek van eiser beslist dat hij na 17 maart 2015 niet in Nederland verzekerd was voor de Wet langdurige zorg (Wlz), omdat eiser na die datum buiten Nederland werkzaam was. Bij brief van 6 april 2017 heeft de Svb aan verweerder bericht dat eiser vanaf 17 maart 2015 tot en met 20 november 2016 niet verplicht verzekerd was ingevolge de volksverzekeringen en de zorgverzekeringswet (Zvw), omdat hij uitsluitend buiten Nederland gewerkt heeft. Bij brief van 21 april 2017 heeft de Svb aan eiser laten weten dat zijn beslissing van 10 december 2015 onjuist was en een nieuwe beslissing genomen. Deze beslissing luidde, voor zover hier van belang, als volgt:
“Tot 1 juni 2015 had u een dienstverband in Nederland. Sinds 17 maart 2015 werkte u in loondienst in Engeland. Door het gelijktijdig verrichten van werkzaamheden buiten Nederland was er in deze situatie sprake van werken in twee of meer landen. U was gedurende de periode van 17 maart 2015 tot 1 juni 2015 verzekerd in uw woonland Nederland.”

Geschil

4. In geschil is of eiser in de periode vanaf 17 maart 2015 tot en met 1 juni 2015 in Nederland premieplichtig voor de volksverzekeringen was.

Beoordeling van het geschil

5. Artikel 6, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) bepaalt dat de verzekerde in de zin van de volksverzekeringen premieplichtig is voor de volksverzekeringen. Op grond van de artikel 6 van de Algemene Ouderdomswet (AOW) is verzekerd degene die nog niet de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en ingezetene is. Artikel 6a, onderdeel a, van de AOW breidt deze kring van verzekerden uit met de persoon van wie de verzekering op grond van deze wet voortvloeit uit de toepassing van bepalingen van een verdrag of van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie. Onderdeel b van datzelfde artikel merkt niet als verzekerde aan de persoon op wie op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is. De Algemene nabestaandenwet en de Wet langdurige zorg kennen gelijke bepalingen. Dit betekent dat de rechtbank op grond van de internationale toewijzingsregels moet bepalen of eiser in de periode vanaf 17 maart tot en met 1 juni 2015 Nederland premieplichtig was voor de volksverzekeringen.

6. Omdat eiser in het Verenigd Koninkrijk is gaan werken, gelden de toewijzingsregels van de Europese Unie (EU). Binnen de EU zijn die regels neergelegd in de verordening van 29 april 2004, (EG) nr. 883/2004 (de Verordening) die de coördinatie regelt van de socialezekerheidsstelsels van de EU. De Verordening geeft de toewijzingsregels voor het geval een persoon in meerdere lidstaten werkzaamheden uitoefent. Artikel 1 van de Verordening geeft de definities en bepaalt, voor zover hier van belang:

“Voor de toepassing van deze verordening: a) worden onder “werkzaamheden in loondienst” verstaan werkzaamheden of daarmee gelijkgestelde situaties die als zodanig worden beschouwd voor de toepassing van de socialezekerheidswetgeving van de lidstaat waar die werkzaamheden worden verricht, of waar die gelijkgestelde situaties zich voordoen; (…)

d) wordt onder “ambtenaar” verstaan de persoon die door de lidstaat waaronder de dienst waarbij hij werkzaam is, ressorteert, wordt beschouwd als ambtenaar of daarmee gelijkstelde persoon; (…)”

Artikel 13, vierde lid, van de Verordening bepaalt:

“4. Op degene die werkzaam is als ambtenaar in een lidstaat en al dan niet in loondienst een werkzaamheid verricht in een of meer andere lidstaten is de wetgeving van toepassing van de lidstaat waaronder de dienst ressorteert waarbij hij werkzaam is.”

7. Eiser betoogt dat hij na 17 maart 2015, de datum dat hij bij de Universiteit van [Q] in dienst is getreden, in Nederland niet meer werkzaam is geweest en dat hij daarom na die datum niet meer premieplichtig is. Eiser wijst erop dat hij in die periode feitelijk geen werkzaamheden meer heeft verricht voor de Universiteit [Z] en dat zijn situatie een andere is dan de werkneemster die onbetaald verlof heeft opgenomen om skilessen in een andere lidstaat te geven. Verder betoogt eiser dat hij in zijn dienstbetrekking aan de Universiteit [Z] niet als ambtenaar werkzaam was.

8. De rechtbank zal eerst de vraag beantwoorden of eiser gedurende zijn dienstverband bij de Universiteit [Z] als ambtenaar werkzaam is geweest. Een ambtenaar volgens de Verordening is iemand die in de lidstaat waar hij werkzaam is als ambtenaar wordt beschouwd. Van belang is daarom of eiser volgens de Nederlandse regels als ambtenaar wordt beschouwd. Op grond van artikel 1, eerste lid, van de Ambtenarenwet is een ambtenaar degene, die is aangesteld om in openbare dienst werkzaam te zijn. Op grond van artikel 1, tweede lid, van de Ambtenarenwet behoren tot de openbare dienst alle diensten en bedrijven die door de Staat en de openbare lichamen worden beheerd. De Universiteit [Z] is een bekostigde instelling als bedoeld in artikel 1.1., letter d, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en bezit op grond van artikel 1.8., eerste lid, van deze wet rechtspersoonlijkheid. De universiteit kan naar het oordeel van de rechtbank daarom worden beschouwd als openbare dienst in de zin van artikel 1 van de Ambtenarenwet. De rechtbank wijst in dit verband op de brief van 30 maart 2012 waarin eiser namens het College van Bestuur van de Universiteit [Z] wordt ingelicht over een wijziging van zijn functie. Deze brief vermeldt dat tegen dat besluit conform de Algemene wet bestuursrecht (Awb) binnen zes weken bezwaar kan worden gemaakt. Dit wijst erop dat, anders dan bij een privaatrechtelijke dienstbetrekking, de Awb op het dienstverband van eiser van toepassing was, zoals bij ambtenaren het geval is. Eiser dient daarom als ambtenaar te worden beschouwd.

9. Vervolgens komt de vraag aan de orde of de periode waarin eiser zijn vakantiedagen heeft opgenomen en hij feitelijk geen werkzaamheden meer verrichtte voor de Universiteit [Z] moet worden beschouwd als een periode waarin hij als ambtenaar werkzaamheden heeft verricht. Op grond van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) kan iemand gedurende een periode van (onbetaald) verlof worden beschouwd werkzaamheden in loondienst uit te oefenen indien hij volgens de socialezekerheidswetgeving van de lidstaat in kwestie wordt beschouwd werkzaamheden in loondienst uit te oefenen gedurende die verlofperiode (zie HvJ EU 13 september 2017, ECLI:EU:C:2017:673). Naar het oordeel van de rechtbank is dat voor ambtenaren niet anders. Dit arrest is weliswaar gewezen onder een eerdere versie van de Verordening maar de van toepassing zijnde bepalingen zijn niet inhoudelijk gewijzigd. Verder betrof dat geval een periode van onbetaald verlof waarna het dienstverband doorliep en gaat het in dit geval om een periode van betaald verlof waarna het dienstverband is beëindigd. Naar het oordeel van de rechtbank is van belang dat eiser in de periode 17 maart tot en met 1 juni 2015 in dienst van de Universiteit [Z] gebleven, want zijn dienstverband is pas per 2 juni 2015 beëindigd. Deze periode moet daarom worden beschouwd als een periode waarin eiser als ambtenaar werkzaamheden heeft verricht, ondanks de omstandigheid dat zijn dienstverband niet is doorgelopen na de periode van verlof.

10. Tijdens de periode van 17 maart tot en met 2 juni 2015 is eiser dus in twee lidstaten werkzaam geweest. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser bij de Universiteit van [Q] niet als ambtenaar werkzaam was. Omdat eiser tijdens zijn dienstverband bij de Universiteit [Z] als ambtenaar moet worden beschouwd is hij op grond van de toewijzingsregel van artikel 13, vierde lid, van de Verordening in de periode van 17 maart 2015 tot en met 1 juni 2015 verzekerd in de lidstaat waaronder de dienst ressorteert waar hij werkzaam is. Dat is dus Nederland. Het betoog van eiser dat hij verzekerd was in het Verenigd Koninkrijk slaagt daarom niet.

11. Eiser stelt verder de gang van zaken rond de beslissingen van de Svb van 10 december 2015 en 21 april 2017 aan de orde. Hij betoogt dat de Svb een beschikking heeft genomen waarin was besloten dat hij in de periode niet in Nederland was verzekerd en dat de Svb vervolgens op 21 april 2017 na contact met verweerder op deze beschikking is teruggekomen en een beschikking heeft gegeven waarin is besloten dat eiser in de periode van 17 maart tot 1 juni 2015 in Nederland verzekerd is gebleven. Eiser heeft tegen die laatste beschikking geen bezwaar gemaakt. Verweerder heeft de laatste beschikking gevolgd en de aanslag opgelegd. De rechtbank kan eiser volgen in zijn betoog dat deze gang van zaken verwarrend is en de indruk wekt dat de Svb op aanwijzing van verweerder de beschikking van 10 december 2015 heeft herzien. Voor zover eiser hiermee wil zeggen dat het handelen van verweerder niet zorgvuldig is geweest, slaagt dat betoog niet. Het feitenonderzoek waarop de Svb haar beschikking van 10 december 2015 heeft gebaseerd, is kennelijk niet volledig geweest waardoor de eerder gegeven beschikking moest worden herzien. Dat valt echter verweerder niet aan te rekenen. Als verweerder de Svb zou hebben gewezen op feiten die de Svb niet kende, dan is dat naar het oordeel van de rechtbank niet onzorgvuldig.

12. Gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen faalt het beroep.

13. Nu eiser geen afzonderlijke beroepsgronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente heeft aangevoerd, dient ook het beroep inzake de beschikking belastingrente ongegrond te worden verklaard.

14. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. van der Vegt, rechter, in tegenwoordigheid van mr. R.A. Jackson, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 25 februari 2019

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.