Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:694

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
19-02-2019
Datum publicatie
22-02-2019
Zaaknummer
C/05/330952 / FA RK 17-4136
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2019:7767
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

(voor het eerdere verloop: zie ECLI:NL:RBGEL:2018:5770 en ECLI:NL:RBGEL:2018:5772) Bij een verzoek tot vernietiging van de erkenning door de erkenner (ex art. 1:205 lid 1 sub b BW) is ook ruimte voor een afweging van de belangen van de minderjarige. In de belangenafweging acht de rechtbank doorslaggevend het in lijn brengen van de juridische en biologische werkelijkheid. De erkenning wordt vernietigd.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 205
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Burgerlijke stand en landeninformatie 2019/5170
JPF 2019/71 met annotatie van Vlaardingerbroek, P.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Team familierecht

Zittingsplaats Arnhem

Zaakgegevens: C/05/330952 / FA RK 17-4136

Datum uitspraak: 19 februari 2019

beschikking vernietiging erkenning

in de zaak van

[verzoeker] (nader te noemen: de man),

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. P. Bosma te Almere.

Belanghebbenden zijn:

- [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

vertegenwoordigd door de bijzondere curator mr. J.A.P.M. van Dal te Arnhem;

- [naam] (hierna: de vrouw), wonende op een bij de rechtbank

bekend adres, advocaat mr. N. Bevelander.

In zijn hoedanigheid als vermeld in artikel 44 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

- het Openbaar Ministerie in het arrondissement Oost-Nederland.

1 Het verdere verloop van de procedure

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

  • -

    tussenbeschikking 11 december 2018;

  • -

    bericht van het Canisius-Wilhelmina Ziekenhuis, ingekomen op 14 januari 2019;

  • -

    bericht van de vrouw, ingekomen op 25 januari 2019;

  • -

    bericht van de man, ingekomen op 25 januari 2019;

  • -

    bericht van de bijzondere curator, ingekomen op 29 januari 2019.

2 De feiten

2.1.

Voor het eerdere verloop van de procedure wordt verwezen naar de beschikkingen van deze rechtbank van 7 mei 2018 en 11 december 2018.

Bij beschikking van deze rechtbank van 11 december 2018 is bevolen dat een DNA-onderzoek door een deskundige zal worden gedaan ter beantwoording van de navolgende vragen:

  • -

    Is [verzoeker], wonende te [woonplaats] , uit te sluiten als de verwekker van [de minderjarige] ?

  • -

    Zo nee, met welke mate van waarschijnlijkheid kan hij als verwekker van [de minderjarige] worden beschouwd?

2.2.

Uit het DNA-onderzoek van de deskundige blijkt dat de resultaten vaderschap van de man van [de minderjarige] uitsluiten.

2.3.

De man heeft derhalve verzocht om zijn verzoek tot vernietiging van de erkenning toe te wijzen. De bijzondere curator adviseert om het verzoek van vader toe te wijzen en slechts indien er een belangenafweging kan worden gemaakt staat het belang van [de minderjarige] aan toewijzing in de weg. De vrouw heeft verzocht om het verzoek van de man af te wijzen, de vrouw heeft een beroep gedaan op een belangenafweging en stelt dat toewijzing van het verzoek in strijd is met het belang van [de minderjarige] .

3 De beoordeling

3.1.

De rechtbank overweegt als volgt. Voor vernietiging van de erkenning door de erkenner geeft de wet drie eisen: er moet sprake zijn van een wilsgebrek, het verzoek moet zijn ingediend binnen één jaar na bekend wording met het wilsgebrek en de erkenner is niet de biologische vader van het kind.

3.2.

Op grond van het bepaalde in artikel 1:205 lid 1 aanhef onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de erkenner een verzoek tot vernietiging van de erkenning bij de rechtbank indienen, wanneer hij door bedreiging, dwaling, bedrog of, tijdens zijn minderjarigheid door misbruik van omstandigheden daartoe is gedwongen. Volgens lid 3 dient het verzoek tot vernietiging binnen één jaar nadat de man het bedrog of de dwaling heeft ontdekt te worden ingediend. Bij beschikking van 7 mei 2018 heeft de rechtbank bepaald dat de man ontvankelijk is in zijn verzoek, omdat hij het verzoek tot vernietiging binnen één jaar na 8 maart 2017 (de datum waarop hij bekend is geworden met de uitslag van een eerdere DNA-analyse) heeft ingediend. Hiermee staat vast dat het verzoek om vernietiging tijdig is ingediend en dat er sprake is geweest van een wilsgebrek, namelijk dwaling, ten tijde van de erkenning. Er dient nu uitsluitend te worden beoordeeld of is komen vast te staan dat de man niet de biologische vader is van [de minderjarige] .

3.3.

De rechtbank overweegt dat door middel van het DNA-onderzoek onomstotelijk is komen vast te staan dat de man niet de biologische vader is van [de minderjarige] , zodat het verzoek van de man voldoet aan de in artikel 1:205 lid 1 onder b BW genoemde wettelijke vereisten voor vernietiging van erkenning en zijn verzoek dus in beginsel kan worden toegewezen.

3.4.

De bijzondere curator heeft daarbij nog de vraag opgeworpen of het belang van het kind bij een dergelijke verzoek dient te worden meegewogen. De rechtbank overweegt dat de tekst van de wet geen ruimte lijkt te laten voor een belangenafweging. Er is ook jurisprudentie waarin is overwogen - kennelijk op grond van de tekst van de wet – dat het belang van een minderjarige bij vernietiging van de erkenning niet bij de beoordeling betrokken hoeft te worden in het geval dat het verzoek daartoe is ingediend door de erkenner.1 In andere uitspraken, waarbij een dergelijk verzoek op de voet van artikel 1:205 lid 1 aanhef en onder a BW is ingediend door (een bijzondere curator namens) de minderjarige, wordt het belang van de minderjarige in wel meegewogen.2 Anders dan de omstandigheid dat een minderjarige later, bij meerderjarigheid, op de voet van lid 4 van dit artikel (mogelijk nogmaals) een dergelijk verzoek kan indienen, ziet de rechtbank echter geen reden voor dit verschil. Zij vindt steun voor dit oordeel in een uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 18 februari 2014, waarin ook een (Poolse) erkenner trachtte de erkenning ongedaan te maken.3 In die uitspraak overwoog het EHRM dat het in een reeks van zaken reeds heeft geoordeeld dat rechterlijke procedures over het erkennen dan wel ontkennen van het vaderschap raken aan het door artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) beschermde privéleven. Het EHRM overwoog verder dat in dergelijke procedures het meewegen van de belangen van het kind cruciaal is en dat het EHRM controleert of in de afweging (in de nationale procedure) voldoende aandacht is geweest voor de belangen van het kind. Daarnaast is ook artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (hierna: “IVRK”) relevant. Op grond van deze bepaling moeten bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het kind de eerste overweging vormen. Uit dit alles trekt de rechtbank de conclusie dat voor een afweging van de belangen van [de minderjarige] ook in deze zaak ruimte bestaat en de rechtbank zal daartoe ook overgaan.

3.5.

Ter zake de af te wegen belangen stelt de rechtbank voorop dat partijen, waaronder verstaan de man, de moeder, maar zeker ook [de minderjarige] , recht en belang hebben bij het in lijn brengen van de juridische met de biologische werkelijkheid. Dit is ook de uiteindelijke ratio van het wetsartikel over de vernietiging van de erkenning. Namens [de minderjarige] is aangevoerd dat zij de man altijd als haar vader en opvoeder heeft gezien en zij zich met deze procedure ‘weggedaan’ voelt, zeker nu de man haar kort na haar geboorte in 2004 heeft erkend en - na het verbreken van de relatie tussen de ouders in 2013 - nog een procedure heeft gevoerd om het gezamenlijk gezag te verkrijgen. [de minderjarige] voelt zich onbeschermd als zij nog maar één ouder heeft om op terug te vallen, zo schrijft de bijzondere curator namens [de minderjarige] . De rechtbank overweegt op dit punt dat zij zich kan voorstellen dat [de minderjarige] de houding van de man als verwarrend heeft ervaren. Aan de andere kant is het voor de rechtbank evident dat het feit dat de man [de minderjarige] jarenlang heeft opgevoed, zij de man altijd als haar vader heeft beschouwd en de band die zij (mede) daardoor hebben opgebouwd, niet wordt ‘uitgewist’ door een vernietiging van de erkenning. Ook het contact tussen beiden hoeft hieronder niet te lijden, nu zij allebei bereid blijven om elkaar te zien. Daarbij is ook niet gebleken dat [de minderjarige] door een vernietiging wordt belemmerd in haar verdere sociale of emotionele ontwikkeling. De rechtbank acht alles afwegende het belang voor alle partijen om de juridische en biologische werkelijkheid in lijn te brengen, doorslaggevend. Dat betekent dat het verzoek van de man zal worden toegewezen.

Kosten DNA-onderzoek

3.6.

Partijen hebben zich niet expliciet uitgelaten over wie de (in debet gestelde) kosten van het DNA-onderzoek dient te dragen. De rechtbank zal hiertoe ambtshalve over beslissen, nu deze kosten hebben te gelden als proceskosten. In de omstandigheid dat de vrouw en de man voormalige partners zijn ziet de rechtbank aanleiding om de kosten verbonden aan het DNA-onderzoek en de proceskosten tussen partijen te compenseren en dat zij verder ieder de helft van de kosten van de deskundige zullen voldoen, zoals ook te doen gebruikelijk in familierechtelijke geschillen.

Niet uitvoerbaar bij voorraad

3.7.

Deze beschikking zal - met uitzondering van de beslissing over de deskundigenkosten - niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. De vernietiging van de erkenning van de man zal immers pas in de registers van de burgerlijke stand worden verwerkt als deze beschikking in kracht van gewijsde is gegaan.

4 De beslissing

De rechtbank:

4.1.

vernietigt de erkenning door [verzoeker], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , van [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ;

4.2.

veroordeelt de man in de kosten van het DNA-onderzoek begroot op € 260,15 (tweehonderdzestig euro en vijftien eurocent), die betaald moeten worden aan de griffier van de rechtbank Gelderland, en wel door voldoening van de nota die het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak aan hem zal toesturen;

4.3.

veroordeelt de vrouw in de kosten van het DNA-onderzoek begroot op € 260,15 (tweehonderdzestig euro en vijftien eurocent), die betaald moeten worden aan de griffier van de rechtbank Gelderland, en wel door voldoening van de nota die het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak aan haar zal toesturen;

4.4

compenseert de proceskosten van partijen voor het overige, in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt;

4.5

verklaart het bepaalde onder 4.2 en 4.3 uitvoerbaar bij voorraad;

4.6.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M. Rietveld, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Gerwen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2019.

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof te Arnhem.

1 Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 26 februari 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:620.

2 Gerechtshof Leeuwarden 23 juni 2011, ECLI:NL:GHLEE:2011:BR1672, Gerechtshof Arnhem- Leeuwarden 5 december 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:108560.

3 EHRM 18 februari 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:0218JUD002860908.