Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:667

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
19-02-2019
Datum publicatie
20-02-2019
Zaaknummer
05/881645-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor overdragen van wapens op twee tijdstippen. Onvoldoende bewijs voor handelen uit gewoonte en beroep. Gevangenisstraf van 18 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/881645-17

Datum uitspraak : 19 februari 2019

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1971 te [geboorteplaats] ,

thans gedetineerd te P.I. Flevoland, HvB Lelystad te Lelystad,

raadsman: mr. B.J. de Pree, advocaat te Utrecht.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 4 september 2018, 27 november 2018, 29 januari 2019 en 5 februari 2019.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een toegewezen vordering nadere omschrijving tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

op meer tijdstippen in de periode van 16 april 2017 tot en met 26 februari

2018 te Nijmegen en/of Beuningen en/of Plasmolen en/of Malden en/of Heumen, in

elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen,

althans alleen, meermalen wapens van categorie II en/of categorie III en/of munitie van categorie II en/of categorie III, heeft overgedragen en/of voorhanden heeft gehad, te weten

vuurwapens en (bijbehorende) scherpe patronen/kogels, terwijl hij, verdachte van het verhandelen van wapens en/of munitie een beroep of een gewoonte heeft gemaakt.

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde handel in wapens en munitie terwijl hij hier een beroep en gewoonte van heeft gemaakt. Volgens de officier van justitie is verdachte betrokken geweest bij minimaal drie verkopen door medeverdachte [medeverdachte] aan de pseudokoper. Daarnaast zijn er ook meerdere onderzoeksresultaten waaruit blijkt dat verdachte zich gedurende lange tijd bezig heeft gehouden met de handel in wapens. Zo blijkt uit tapgesprekken en een peilbaken onder de auto van [medeverdachte] dat [medeverdachte] meermalen naar verdachte is gereden om wapens en munitie op te halen, zijn er tapgesprekken waarin verdachte in versluierd taalgebruik over wapens heeft gesproken en heeft getuige [getuige 1] verklaard dat verdachte een aantal keren in zijn winkel in Duitsland is geweest om daar revolvers van het type [merk 1] te kopen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er te weinig direct en concreet bewijs voor het tenlastegelegde is en dat verdachte daarom dient te worden vrijgesproken. Volgens de verdediging is de verdenking van verdachte grotendeels gebaseerd op beeldvorming. De verdenking is onder andere gebaseerd op uitlatingen van medeverdachte [medeverdachte] tegenover de pseudokoper, waarin [medeverdachte] onder meer aangeeft aan dat hij maar één leverancier heeft, welke dan, zo wordt op basis van het contact tussen [medeverdachte] en verdachte op

9 februari 2018 ten onrechte aangenomen, verdachte zou zijn.

De verklaringen van [medeverdachte] tegenover de pseudokoper zijn evenwel onbetrouwbaar. Over de vermeende levering van wapens op 11 december 2017 heeft de verdediging naar voren gebracht dat niet onaannemelijk is dat het telefoongesprek van verdachte en [medeverdachte] daadwerkelijk over remblokken ging en dat [medeverdachte] die dag ook nog bij een ander adres dan de loods van verdachte is geweest waar hij de revolvers van het type [merk 1] kan hebben opgehaald. Over 9 februari 2018 heeft de verdediging naar voren gebracht dat verdachte slechts een niet functionerende slede bij [medeverdachte] heeft afgegeven. Daarnaast heeft de verdediging gesteld dat er geen reden is om aan te nemen dat met [naam 1] verdachte wordt bedoeld, maar het meer voor de hand ligt dat dit [naam 1] is.

Beoordeling door de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank wordt met het overdragen van wapens in de tenlastelegging in het bijzonder gedoeld op (onder andere) de wapens die verdachte aan medeverdachte [medeverdachte] zou hebben geleverd, en die [medeverdachte] op 12 december 2017 en 9 februari 2018 aan een pseudokoper zou hebben verkocht. De rechtbank zal deze twee kopen/verkopen daarom eerst bespreken.

11 december 2017

Op 11 december 2017 heeft om 14:52 uur het volgende telefoongesprek tussen verdachte (N) en [medeverdachte] (T) plaatsgevonden:

“N: kom je effe bij mijn effe bij de loods effe die remblokken kijken van mijn auto

T: uhhh ja, is het een beetje te rijden (…) ja oke luister bij mijn loods?

(…)

N: Nee kom dan maar eerst effe kijken bij mij als de remblokken goed zijn dan kan je daar effe kijken want anders blijf ik op en neer aan het rijden met die blokken versleten.” 2

Om 15:05 uur vond het volgende telefoongesprek plaats tussen [medeverdachte] (T) en zijn vriendin [naam 2] (G):

“T: Ik rij nu richting de loods (…) Die Jong die belde op (…) Of ik effekes wilde kijken in verband met zijn remmen en effe zijn winterbanden erop wilde zetten. Want hij ging. Hij moest naar Duitsland (…) Dus ik ben even aan het kijken schat. Snap je?

G: Oh ja.” 3

Uit de peilbakengegevens van de [mark auto] van [medeverdachte] volgt dat [medeverdachte] op 11 december 2017 naar [plaatsnaam 1] is gereden. Omstreeks 15:11 uur is hij het industrieterrein [naam 3] in [plaatsnaam 1] opgereden. Tussen 15:13:38 en 15:14:31 uur heeft de [mark auto] daar stilgestaan. Vervolgens is hij naar het industrieterrein aan de [straatnaam 1] gereden en heeft hij daar van 15:24:22 tot 15:28:36 uur stilgestaan.4 De rechtbank overweegt dat uit de website Google Maps volgt dat de [straatnaam 1] een zijweg is van de [straatnaam 2] , aan welke straat, gelegen in [plaatsnaam 2] , verdachte een loods huurt.5 Uit deze bevindingen, bezien in combinatie met het eerdere telefoongesprek tussen verdachte en [medeverdachte] , leidt de rechtbank af dat [medeverdachte] naar de loods van verdachte is geweest. Omstreeks 15:31 uur heeft [medeverdachte] de [straatnaam 1] verlaten en is vervolgens naar Nijmegen gereden. Omstreeks 15:54 uur heeft [medeverdachte] zijn auto weer voor zijn eigen woning geparkeerd.6

Vervolgens heeft [medeverdachte] op meerdere tijdstippen met zijn vriendin [naam 2] gebeld.

16:13 uur.

“T: Ik ben eventjes de boel op orde aan het maken (…) Ik heb ook [merk 1] hahahaha (…) ook een paar meegenomen ja toch?”

19:53 uur.

“T: (…) Ik was naar hem geweest (…) Eerst spreek ik hem af in [plaatsnaam 1] . (…) Sta ik daar te wachten, zegt hij je moet naar mijn loods komen. Moest ik helemaal de andere kant weer rijden. Toen liep hij weer te hannissen en te stressen En op een gegeven moment heb ik toch even alles nagekeken en dit en dat. Dat ging allemaal beetje zo vlot. Dus ik kom thuis he he vier van die kleine dingetjes helemaal nieuw. Dus heb ik 2. 2 weggebracht. En la maar zeggen dat he ander. ander dingetje. Zo’n klein MP3 spelertje ook gelijk weggedouwd. Heb ik nog zo’n grote en twee van die hele kleintjes over.” 7

Op 12 december 2017 heeft [medeverdachte] tegenover de pseudokoper verklaard dat hij een druk weekend had gehad. Hij had een aantal wapens gekregen die hij ook direct weer had doorverkocht. Hij had nog twee wapens liggen waarvan hij er één, een .22 revolver, kon verkopen aan de pseudokoper.8 De revolver die [medeverdachte] uiteindelijk voor € 350,- heeft verkocht aan de pseudokoper, bleek een revolver van het type [merk 1] te zijn.9 Verdachte heeft die dag nog met zijn vriendin [naam 2] gebeld en in dit gesprek onder andere het volgende gezegd:

“zo’n kleintje heb ik aan hem verkocht voor 3,5 (…) 3,5 honderd voor zo’n klein dingetje”. 10

Op basis van voorgaande bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen en heeft de rechtbank ook de overtuiging dat verdachte vier revolvers van het type [merk 1] aan [medeverdachte] heeft verkocht. Hierbij acht de rechtbank allereerst van belang dat [medeverdachte] heeft verklaard dat hij over de telefoon altijd over auto-onderdelen spreekt en nooit over wapens. Met mensen waar hij echt auto’s voor repareert spreekt hij nooit over de telefoon over onderdelen.11 Daarnaast hecht de rechtbank waarde aan het korte tijdsbestek dat [medeverdachte] bij verdachte is geweest. Dit lijkt onvoldoende tijd om de remblokken van iemand te bekijken, laat staan deze te repareren en de winterbanden te vervangen. Deze tijd is echter wel voldoende om wapens op te halen. Verder acht de rechtbank van betekenis dat [medeverdachte] , kort nadat hij is teruggekomen van zijn bezoek aan de loods van verdachte, tegen [naam 2] heeft gezegd dat hij [merk 1] heeft meegenomen. Uit de peilbakengegevens van de [mark auto] van [medeverdachte] blijkt niet dat tussen het moment dat [medeverdachte] bij de loods van verdachte is weggereden en hij weer thuis heeft geparkeerd, hij nog op een andere locatie is geweest, waardoor aannemelijk is dat hij deze bij verdachte heeft opgehaald. Tot slot acht de rechtbank het telefoongesprek tussen [medeverdachte] en [naam 2] dat om 19:53 uur heeft plaatsgevonden bijdragend aan het bewijs. Hierin vertelt [medeverdachte] dat hij eerst in [plaatsnaam 1] op ‘hem’ heeft staan wachten en toen toch naar ‘zijn’ loods is gegaan en vervolgens thuis kwam met vier van die kleine dingetjes. Op basis van dit gesprek heeft de rechtbank de overtuiging dat [medeverdachte] naar zijn eerste bestemming in [plaatsnaam 1] ging om met verdachte af te spreken, maar vervolgens van verdachte te horen kreeg dat hij toch naar zijn loods in [plaatsnaam 2] moest gaan. Gelet op het feit dat [medeverdachte] na zijn verhaal over deze twee locaties heeft verteld dat hij thuis kwam met vier ‘kleine dingetjes’, heeft de rechtbank de overtuiging dat hij deze vier kleine dingetjes in de loods van verdachte in [plaatsnaam 2] heeft opgehaald. Dat [medeverdachte] met vier kleine dingetjes revolvers van het type [merk 1] bedoelt volgt uit de omstandigheid dat hij nadat hij op 12 december 2017 een [merk 1] aan de pseudokoper heeft verkocht, met [naam 2] heeft gebeld en heeft gezegd dat hij net ‘een klein dingetje’ aan ‘hem’ heeft verkocht.

9 februari 2018

Uit het proces-verbaal van de pseudokoper volgt dat medeverdachte [medeverdachte] op 9 februari 2018 in Nijmegen onderdelen van een pistool (een pistool van het merk [merk 2] , een vuurwapen in de zin van categorie III onder 1 Wet wapens en munitie) aan de pseudokoper heeft laten zien. Hierbij heeft [medeverdachte] verteld dat dit het pistool is van zijn maat die hier net was. Toen de pseudokoper binnen kwam vertelde [medeverdachte] hem al dat de pseudokoper zijn maatje [naam 1] net had gemist.12 Verdachte heeft verklaard dat hij die dag om 12:15 uur bij [medeverdachte] is langs geweest en een onderdeel van een wapen heeft afgeleverd.13 De rechtbank heeft dan ook de overtuiging dat [medeverdachte] met [naam 1] op verdachte doelde.

De pseudokoper heeft aangegeven dat hij de wapenonderdelen wel wilde overnemen. [medeverdachte] heeft vervolgens de applicatie [naam 4] op zijn telefoon geopend en een bericht verzonden naar een contact in zijn telefoon met de naam [naam 1] of [naam 1] . De pseudokoper heeft aan [medeverdachte] gevraagd wat hij voor de onderdelen moet hebben. [medeverdachte] heeft met zijn maat geappt en ze zijn op een bedrag van € 850,- uitgekomen. Een minuut later ging de telefoon van [medeverdachte] en nam hij op. [medeverdachte] en de andere man waren in gesprek en de man zei dat hij ook wel de [merk 2] van de pseudokoper over wilde nemen. Toen de pseudokoper vervolgens ‘nee’ schudde zei [medeverdachte] tegen de man dat de pseudokoper al was vertrokken. Na een kort gesprek hebben ze opgehangen. [medeverdachte] vertelde dat de man niet geloofde dat de pseudokoper er was en hij dacht dat [medeverdachte] de onderdelen zelf had en het wapen dus van hem overnam voor een kleine prijs omdat het wapen in goede staat makkelijk € 1.700,- zou opleveren. [medeverdachte] vertelde over zijn maat dat hij weleens wapens heeft, onder andere revolvers van het type [merk 1] .14

Op 9 februari 2018 om 14:12 uur heeft het volgende telefoongesprek tussen verdachte ( [verdachte] ) en [medeverdachte] ( [medeverdachte] ) plaatsgevonden:

“ [medeverdachte] : Tering leier hahaha

[verdachte] … onverstaanbaar….ja

[medeverdachte] : Luister pielepapper luister…

[verdachte] : ja jij had hem al besteld jongen, dat weet ik zeker..

[medeverdachte] : nee, nee nee pieleman, nee luister nee luister, ik moet daar voor naar andere mensen en hij moet eventjes nog gemaakt worden, maar luister toevallig is een kameraad van mijn, die is ff hier, en ik zeg wel luister, ik liet dat ding zien en luister, ik in principe aan onderdelen kom hij ik zeg ik heb net zelfde toestel maar bij mij ontbreken 2 onderdelen, dus wat bij jou ontbreekt …

[verdachte] : maakt mij niet uit..ja ja. hmmm Ja laat hem dan dat ding aan mij verkopen

[medeverdachte] : ja dat kan ook je kan ook der een van hem kopen voor een rooitje, maar dat is, bij hem eentje, maar hij is al weg en hij is al verkocht, acht en halve meier ligt hier op tafel voor je, ken je vanavond ophalen,

[verdachte] : Teringleier (…) ding is gewoon 2 en halve rooie waard man (…) daarom was ik zo happig om dat ding klaar te maken, want als die klaar was gemaakt, had ik 2 en halve rug kunnen beuren (…)

[medeverdachte] nee maar luister, deze man is blij want, want dat langwerpige chromen staafje, kan die man heel goed gebruiken en wat er onder hangt, dus die man is, maar de rest gaat gewoon, naar dat oud ijzer boertje..

[verdachte] : Gvd man waarom heb je mij niet die bovenste slee verkocht dan man..(…) Ik zie je zo, ik kom nou naar Nijmegen ja” 15

Uit de observatie van verdachte volgt dat hij omstreeks 15:13 uur de woning van [medeverdachte] binnen is gegaan.16 Verdachte heeft verklaard dat hij denkt dat hij toen het geld bij [medeverdachte] heeft opgehaald.17

De rechtbank overweegt allereerst dat zij de overtuiging heeft dat verdachte [naam 1] / [naam 1] is. Hierbij acht de rechtbank van belang dat [medeverdachte] eerst op [naam 4] contact met deze persoon heeft opgenomen en dat verdachte vervolgens naar [medeverdachte] heeft gebeld waarbij het lijkt alsof ze doorgaan op een gesprek dat zij al aan het voeren waren. De rechtbank acht het daarnaast onwaarschijnlijk dat verdachte net op het moment dat [medeverdachte] met iemand op [naam 4] aan het praten is over iets wat verdachte geleverd heeft, naar [medeverdachte] belt. Bovendien heeft [medeverdachte] op 16 februari 2018 over dezelfde [naam 1] / [naam 1] verteld dat hij revolvers van het type [merk 1] bij hem heeft besteld,18 terwijl de rechtbank al eerder heeft vastgesteld dat verdachte op 11 december 2017 revolvers van het type [merk 1] heeft geleverd. Verder heeft [medeverdachte] ook op 7 februari 2018 tegenover de pseudokoper gesproken over een [naam 1] die aan revolvers van het type [merk 1] kon komen. Deze [naam 1] sprak hij over [naam 4] en woont in [plaatsnaam 2] .19 Verdachte heeft een loods in [plaatsnaam 2] .20 Verder woont verdachte in [plaatsnaam 1] ,21 en blijkt uit de website Google dat [plaatsnaam 1] een plaats in de gemeente [plaatsnaam 2] is. Dat verdachte en [medeverdachte] onder andere communiceren via [naam 4] volgt uit het feit dat verdachte een keer aan [medeverdachte] heeft gevraagd een berichtje te sturen ‘op die twee streepjes’, terwijl de applicatie [naam 4] als logo twee streepjes heeft.22 Ook blijkt dit uit een telefooncontact tussen verdachte en [medeverdachte] op 25 mei 2017 waarbij aangegeven wordt dat niks is ontvangen en [naam 4] leeg is.23

Met betrekking tot het verweer van de verdediging dat met [naam 1] / [naam 1] ook [naam 1] kan worden bedoeld, overweegt de rechtbank dat er geen aanwijzingen zijn dat [naam 1] revolvers van het type [merk 1] leverde aan verdachte. De rechtbank ziet ook niet in waarom [medeverdachte] met [naam 1] contact zou hebben over de door verdachte geleverde onderdelen.

De rechtbank leidt uit voornoemde bewijsmiddelen af dat verdachte op 9 februari 2018 wapenonderdelen van een pistool van het merk [merk 2] aan [medeverdachte] heeft geleverd waarvoor hij uiteindelijk € 850,- heeft gekregen. Verdachte heeft verklaard dat hij maar één onderdeel, te weten de slede van een wapen, heeft geleverd. De rechtbank acht dat niet aannemelijk. Hierbij acht de rechtbank van belang dat op het moment dat [medeverdachte] de onderdelen aan de pseudokoper heeft laten zien, [medeverdachte] heeft verklaard dat dit het pistool van zijn maatje is. Daarnaast past het telefoongesprek dat [medeverdachte] en verdachte hebben gevoerd veel beter bij meerdere onderdelen die verdachte geleverd zou hebben dan bij een enkele slede. Zo heeft [medeverdachte] gezegd ‘dus wat bij jou ontbreekt’, heeft hij het dan over een ‘langwerpig chromen staafje’ dat verdachte geleverd zou hebben, en dat de rest gewoon ‘naar dat oud boertje’ zou gaan. Vervolgens vraagt verdachte waarom [medeverdachte] aan hem niet de bovenste slee heeft verkocht, wat weinig zin zou hebben als verdachte alleen een slede van dat wapen in zijn bezit zou hebben. Tot slot acht de rechtbank van belang dat verdachte duidelijk boos was omdat hij ‘maar’ €850,- heeft gekregen voor hetgeen hij geleverd had, terwijl dit een zeer hoog bedrag zou zijn voor slechts een slede van een wapen.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte op 11 december 2017 en 9 februari 2018 in nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte] heeft gehandeld en er dus sprake was van medeplegen. [medeverdachte] heeft de wapens van verdachte namelijk steeds weer doorverkocht en mede uit het feit dat verdachte op 9 februari 2018 met [medeverdachte] contact heeft gehad over de wapenonderdelen van verdachte die [medeverdachte] zou verkopen en welke prijs [medeverdachte] hiervoor zou vragen, leidt de rechtbank af dat verdachte wist dat de wapens die hij aan [medeverdachte] leverde bedoeld waren om door te verkopen.

De rechtbank acht onvoldoende direct en concreet bewijs aanwezig dat verdachte meer wapens heeft verkocht dan de wapens op 11 december 2017 en 9 februari 2018. Het feit dat verdachte en [medeverdachte] meermalen telefonisch dan wel via [naam 4] contact hebben gehad en [medeverdachte] meermalen naar de loods van verdachte toe is gereden acht de rechtbank hiertoe onvoldoende, nu uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat er bij deze contacten daadwerkelijk wapens zijn geleverd. En dat verdachte wapens aan [medeverdachte] heeft geleverd acht de rechtbank onvoldoende dat als bewijs te laten gelden dat hij dit ook bij andere contacten heeft gedaan. De verklaring van [getuige 1] over de [merk 1] die verdachte in Duitsland heeft gekocht levert ook geen concreet bewijs op, omdat niet duidelijk is of dit in de ten laste gelegde periode is gebeurd en [getuige 1] uiteindelijk nog ‘maar’ van vijf [merk 1] zeker weet dat hij deze aan verdachte heeft verkocht.

Nu de rechtbank bewezen acht dat verdachte twee keer wapens heeft geleverd is de rechtbank van oordeel dat hij van de handel in wapens geen gewoonte heeft gemaakt. Ook kan de rechtbank niet uit de bewijsmiddelen afleiden dat verdachte heeft gehandeld met de wil om stelselmatig uit winstbejag wapens te verkopen. Daarom is ook geen sprake van handelen uit beroep.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op meer tijdstippen in de periode van 11 december 2017 tot en met 9 februari

2018 te Nijmegen en/of Beuningen en/of Plasmolen en/of Malden en/of Heumen, in

elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen,

althans alleen, meermalen wapens van categorie II en/of categorie III en/of munitie van categorie II en/of categorie III, heeft overgedragen en/of voorhanden heeft gehad, te weten

vuurwapens en (bijbehorende) scherpe patronen/kogels, terwijl hij, verdachte van het verhandelen van wapens en/of munitie een beroep of een gewoonte heeft gemaakt.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Medeplegen van handelen in strijd met artikel 31, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot 42 maanden gevangenisstraf, met aftrek van het voorarrest.

Het standpunt van de verdediging

Gelet op de bepleite vrijspraak heeft de verdediging geen strafmaatverweer gevoerd.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel justitiële documentatie, gedateerd 18 december 2018;

- een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, gedateerd 6 juni 2018.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de handel in vuurwapens. Hij heeft eenmaal vier revolvers van het type [merk 1] , en eenmaal onderdelen van een vuurwapen geleverd aan een wapenhandelaar die ze weer heeft doorverkocht. Vuurwapens vormen een onaanvaardbaar risico en een aanzienlijke bedreiging voor de veiligheid van personen in de samenleving. Door vuurwapens te verkopen aan een wapenhandelaar heeft verdachte meegewerkt aan het in omloop brengen van deze wapens, die veelal in het criminele circuit worden gebruikt om ernstige strafbare feiten mee te begaan.

Verdachte is op 22 november 2017 door de rechtbank veroordeeld voor onder andere het voorhanden hebben van wapens. Hiertegen is hij in hoger beroep gegaan en op 12 november 2018 is hij nogmaals (niet onherroepelijk) veroordeeld door het gerechtshof. Dit betekent dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

Ondanks het feit dat de uitspraak van de rechtbank niet onherroepelijk was, neemt de rechtbank het verdachte zeer kwalijk dat hij nog geen maand nadat hij door de rechtbank is veroordeeld voor verboden wapenbezit, vier wapens verkoopt en twee maanden later nogmaals onderdelen van een pistool levert. De veroordeling van de rechtbank heeft kennelijk geen invloed gehad op het handelen van verdachte en verdachte is totaal niet bezig geweest met de gevaren die het gebruik van wapens met zich brengt, zelfs nadat hij op deze gevaren is gewezen. De rechtbank zal dit zwaar meewegen in de straf.

Gelet op het voorgaande en gezien de ernst van het feit acht de rechtbank alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen duur passend. Deze is aanzienlijk lager dan de eis van de officier van justitie, nu deze eis is gebaseerd op de niet door de rechtbank bewezen grootschalige wapenhandel, gedurende een langere periode, waarvan verdachte een beroep en gewoonte heeft gemaakt en de rechtbank juist daarvan vrij spreekt.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 31 en 55 van de Wet wapens en munitie.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden;

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.C.P. Goossens (voorzitter), mr. K.A.M. van Hoof en mr. G.J.H. Boerhof, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L. Ruizendaal-van der Veen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 februari 2019.

Bijlage

Het bewijs is terug te vinden in:

 het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost Nederland, district Gelderland Zuid, opgemaakte proces-verbaal, proces-verbaalnummer [nummer 1] (2e aankoop), onderzoek [naam 5] , gesloten op 12 juli 2018 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Naar dit dossier zal in het vonnis worden verwezen als ZD03.

 het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost Nederland, district Gelderland Zuid, opgemaakte proces-verbaal, proces-verbaalnummer [nummer 2] (3e aankoop), onderzoek [naam 5] , gesloten op 12 juli 2018 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Naar dit dossier zal in het vonnis worden verwezen als ZD04.

 het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost Nederland, district Gelderland Zuid, opgemaakte proces-verbaal, proces-verbaalnummer [nummer 3] ([naam 5]), onderzoek [naam 5] , gesloten op 12 juli 2018 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Naar dit dossier zal in het vonnis worden verwezen als WOD.

 het in de wettelijke vorm door verbalisant van de politie Oost Nederland, district Gelderland Zuid, opgemaakte proces-verbaal, proces-verbaalnummer [nummer 4] (Documentendossier), onderzoek [naam 5] , gesloten op 24 juli 2018 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Naar dit dossier zal in het vonnis worden verwezen als DD.

 het in de wettelijke vorm door verbalisant van de politie Oost Nederland, district Gelderland Zuid, opgemaakte proces-verbaal, proces-verbaalnummer [nummer 5] (persoonsdossier verdachte [verdachte]), onderzoek [naam 5] , gesloten op 23 juli 2018 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Naar dit dossier zal in het vonnis worden verwezen als PD04.

1 Het bewijs is terug te vinden in de processen-verbaal zoals vermeld in de bijlage bij het vonnis.

2 Proces-verbaal van bevindingen DD-106-107, proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] PD04-75 en proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] PD04-84.

3 Gesprek ON5R016074 Cuijk DD-1078.

4 Proces-verbaal van bevindingen DD-107-109.

5 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] PD04-64.

6 Proces-verbaal van bevindingen DD-107-109.

7 Proces-verbaal van bevindingen DD-109-111.

8 Proces-verbaal van bevindingen politieel pseudokoper A-4088 WOD-050-051.

9 Proces-verbaal onderzoek wapen ZD03-12.

10 Gesprek ON5R016074 Cuijk DD-1086.

11 Proces-verbaal van bevindingen politieel pseudokoper A-4088, WOD-045.

12 Proces-verbaal van bevindingen politieel pseudokoper A-4103 WOD-082 en proces-verbaal onderzoek wapen ZD04-12.

13 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 29 januari 2019.

14 Proces-verbaal van bevindingen politieel pseudokoper A-4103 WOD-082-083 en proces-verbaal van bevindingen WOD-088.

15 Proces-verbaal van bevindingen DD-138-139.

16 Proces-verbaal van observatie vrijdag 9 februari 2018 DD-195.

17 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 29 januari 2019.

18 Proces-verbaal van bevindingen politieel pseudokoper A-4103 WOD-087.

19 Proces-verbaal van bevindingen politieel pseudokoper A-4103 WOD-075.

20 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] PD04-64.

21 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 29 januari 2019.

22 Proces-verbaal van bevindingen Bakengegevens i.c.m tap [verdachte] - [medeverdachte] DD-150.

23 Gesprek ON5R016074 Cuijk DD-961, proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] PD04-75 en proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] PD04-84.