Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:6351

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
09-01-2019
Datum publicatie
02-08-2020
Zaaknummer
342070 FZ RK 18/2282
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Afwijzing adoptie van kind afkomstig uit de Palestijnse gebieden. Geen adoptie maar voogdijmaatregel in land van herkomst. Beginseltoestemming verzoeker ontbreekt. Verblijfplaats kind en verzoekster niet bekend; geen gezinsonderzoek mogelijk. Niet te beoordelen valt of adoptie in het kennelijk belang is van het kind.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 3
Burgerlijk Wetboek Boek 10 105
Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie
Burgerlijk Wetboek Boek 1 227
Burgerlijk Wetboek Boek 1 228
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team jeugdrecht

Zittingsplaats Zutphen

Zaaknummer: 342070 FZ RK 18/2282

beschikking van de meervoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 9 januari 2019

op het verzoek van:

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

en

[verzoekster]

zonder vaste woon- of verblijfplaats in het buitenland,

echtgenoten,

advocaat: mr. E. Maalsen te Nijmegen.

Het procesverloop

Dit verloop blijkt uit:

 het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen op 24 augustus 2018;

 het journaalbericht met bijlage van mr. Maalsen van 5 september 2018;

 de brief van de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag van 13 november 2018;

 de brief van de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag van

22 november 2018;

 het advies van de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Gelderland, Locatie Arnhem, van 26 november 2018;

 het proces-verbaal van de behandeling ter zitting van 28 november 2018.

De feiten

Verzoekers zijn op [datum] 1994 te [plaats] , Jordanië, met elkaar gehuwd.

De man heeft over de periode 17 maart 1989 tot 1 december 2009 in Nederland ingeschreven gestaan. Hij heeft op 25 augustus 1992 de Nederlandse nationaliteit gekregen.

De vrouw heeft over de periode van 7 april 1998 tot 1 december 2009 in Nederland ingeschreven gestaan. Zij heeft op 26 februari 2004 de Nederlandse nationaliteit gekregen.

Verzoekers zijn in 2010 naar het Palestijns gebied verhuisd. De man is op 12 februari 2016 teruggekeerd naar Nederland.

Op [geboortedag] 2011 is te Bethlehem, Onbekend, geboren de minderjarige:

[minderjarige] .

De minderjarige heeft de onbekende nationaliteit.

Blijkens het bewijs van gezag over en garantstelling voor een kind van de Nationale Palestijnse Autoriteit van 11 juni 2014, is de minderjarige aan de zorg van verzoekers toevertrouwd.

De minderjarige verblijft bij de vrouw in de Palestijnse gebieden dan wel in Jordanië op een voor deze rechtbank onbekende plek.

Er is aan verzoekers geen beginseltoestemming voor adoptie door de Minister van Veiligheid en Justitie verleend.

Het verzoek

Verzoekers verzoeken dat de rechtbank bij beschikking de adoptie van de minderjarige door verzoekers zal uitspreken.

De beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Verzoekers hebben beiden de Nederlandse nationaliteit. Daarnaast woont de man al geruime tijd in Nederland en hebben verzoekers de intentie om zich in de nabije toekomst samen met de minderjarige in Nederland te vestigen. De rechtbank acht, gelet op het vorenstaande, voldoende aanknopingspunten met de rechtssfeer van Nederland aanwezig om van het onderhavige verzoek kennis te nemen (artikel 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

Op grond van het bepaalde in artikel 10:105 lid 1 BW is op een in Nederland uit te spreken adoptie, behoudens lid 2, Nederlands recht van toepassing.

Inhoudelijke beoordeling

Voor de toepasselijkheid van het Haags Adoptieverdrag 1993 (HAV) is vereist dat op de datum van de indiening van het verzoek tot beginseltoestemming beide landen waren toegetreden tot voormeld verdrag. Nu de Palestijnse gebieden geen verdragsstaat zijn, is het HAV thans niet van toepassing. Ten gevolge hiervan is afdeling 3 van Titel 6 van Boek 10 van het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing op de onderhavige zaak.

Een buitenlands gegeven beslissing waarbij een adoptie tot stand is gekomen kan worden erkend, indien:

  1. de bepalingen van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie (Wobka) in acht zijn genomen,

  2. de erkenning van de adoptie in het kennelijk belang is van het kind, en

  3. erkenning niet op een grond, bedoeld in artikel 10:108 lid 2 of lid 3 BW zou worden onthouden.

Ter beoordeling ligt eerst de vraag voor of er sprake is van een adoptiebeslissing in het buitenland.

Vaststaat dat de minderjarige op 11 juni 2014 door de Nationale Palestijnse Autoriteit aan de zorg van verzoekers is toevertrouwd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man de stelling dat de toevertrouwing van de minderjarige aan verzoekers moet worden gelijkgesteld aan een (interlandelijke) adoptie onvoldoende met stukken onderbouwd. In de uitspraak van de Nationale Palestijnse Autoriteit van 11 juni 2014 is opgenomen dat verzoekers het gezag over de minderjarige, zijn opvoeding en onderhoud uit hun eigen vermogen, op zich hebben genomen. Uit voormelde uitspraak blijkt niet dat door de Nationale Palestijnse Autoriteit een adoptie van de minderjarige door verzoekers is uitgesproken dan wel dat de toevertrouwing kan worden gelijkgesteld met een (interlandelijke) adoptie. Het islamitisch recht, dat van toepassing is in de Palestijnse gebieden, kent het rechtsfiguur van adoptie namelijk niet. Evenmin blijkt uit de overgelegde stukken dat de Nationale Palestijnse Autoriteit het bewijs van gezag en garantstelling heeft afgegeven met de intentie dat de minderjarige voor permanent verblijf naar het buitenland mag worden overgebracht en dat vervolgens in het land van opvang een adoptie wordt uitgesproken.

Nu er naar het oordeel van de rechtbank in de Palestijnse gebieden geen adoptie tot stand is gekomen, maar slechts een vorm van voogdij, zal de rechtbank beoordelen of een adoptie naar Nederlands recht kan worden uitgesproken. Daarom dient te worden onderzocht of voldaan is aan de in de Nederlandse wetgeving vastgelegde vereisten voor adoptie.

Op grond van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie (Wobka) is opneming in Nederland van een buitenlands kind met het oog op adoptie uitsluitend toegestaan, indien van de Minister van Veiligheid en Justitie een voorafgaande schriftelijke mededeling is verkregen, dat deze in beginsel voor zodanige opneming toestemming verleent (artikel 2 Wobka).

Ingevolge het bepaalde in artikel 14 lid 1 Wobka blijven de bepalingen van de Wobka buiten toepassing indien het buitenlandse kind, na opneming door aspirant-adoptiefouders in een periode waarin zij hun gewone verblijfplaats in het buitenland hebben door hen gedurende ten minste een jaar aldaar is verzorgd en opgevoed en de verzorging en opvoeding van dat kind na binnenkomst in Nederland door hen zal worden voortgezet.

Vaststaat dat de man in Nederland zijn woonplaats heeft sinds 12 februari 2016. Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de bepalingen van de Wobka wel van toepassing zijn op de man en dat hij dus beginseltoestemming had moeten aanvragen voor de opneming van de minderjarige in Nederland. Nu de man geen verzoek tot verlening van een zogenaamde beginseltoestemming heeft ingediend, heeft hij niet overeenkomstig de bepalingen van de Wobka gehandeld. De rechtbank zal om die reden het verzoek van de man tot adoptie van de minderjarige afwijzen.

Met betrekking tot het verzoek van de vrouw wordt nog als volgt overwogen.

Het is de rechtbank gebleken dat de vrouw en de minderjarige in het buitenland verblijven, waarschijnlijk in de Palestijnse gebieden dan wel Jordanië. Nu de vrouw haar gewone verblijfplaats in het buitenland heeft en zij, volgens de man, de minderjarige daar reeds meer dan een jaar heeft verzorgd en opgevoed, is de rechtbank van oordeel dat de Wobka niet van toepassing is op de vrouw.

Ingevolge artikel 1:227 lid 3 BW kan het verzoek van de vrouw tot adoptie alleen worden toegewezen, indien de adoptie in het kennelijk belang van het kind is, op het tijdstip van het verzoek tot adoptie vaststaat en voor de toekomst redelijkerwijs te voorzien is dat het kind niets meer van zijn ouder of ouders in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft, en aan de voorwaarden genoemd in artikel 228 BW, wordt voldaan.

Op grond van artikel 1:228 lid 1 BW dient aan de navolgende voorwaarden voor adoptie te worden voldaan:

a. dat het kind op de dag van het eerste verzoek minderjarig is, en dat het kind, indien het op de dag van het verzoek twaalf jaar of ouder is, ter gelegenheid van zijn verhoor niet van bezwaren tegen toewijzing van het verzoek heeft doen blijken;

b. het kind niet een kleinkind van een adoptant is;

c. dat de adoptant of ieder der adoptanten ten minste achttien jaren ouder dan het kind is;

d. dat geen der ouders het verzoek tegenspreekt;

e. dat de minderjarige moeder van het kind op de dag van het verzoek de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt;

f. dat de adoptanten of de adoptanten het kind gedurende ten minste een jaar heeft of hebben verzorgd en opgevoed;

g. dat de ouder of ouders niet of niet langer het gezag over het kind hebben.

De Raad voor de Kinderbescherming heeft geadviseerd het verzoek tot adoptie af te wijzen. De Raad voor de Kinderbescherming stelt dat - kort samengevat -, naast de juridische obstakels, een inhoudelijk onderzoek naar het belang van de minderjarige niet mogelijk is omdat de vrouw en de minderjarige in het buitenland verblijven. De bevoegde autoriteit in het land van herkomst zal onderzoek kunnen doen naar dergelijke zaken als geschiktheid en het belang van het kind, want de Raad voor de Kinderbescherming krijgt daar vanuit Nederland onvoldoende zicht op.

Gelet op de vergaande gevolgen van adoptie voor een kind op het gebied van onder meer afstamming en identiteitsontwikkeling, acht de rechtbank een gezinsonderzoek noodzakelijk voor de beoordeling of een adoptie naar Nederlands recht in het kennelijk belang is van de minderjarige. Nu de Raad voor de Kinderbescherming te kennen heeft gegeven dat onderzoek naar het belang van de minderjarige niet mogelijk is omdat de vrouw en de minderjarige in het buitenland verblijven en er ook geen recente stukken beschikbaar zijn waaruit de huidige situatie van de vrouw en de minderjarige blijkt, kan de rechtbank niet vaststellen dat de adoptie naar Nederlands recht in het belang is van de minderjarige. Verzoekers hebben gesteld dat reeds in de Palestijnse gebieden, voorafgaand aan de uitspraak van de Nationale Palestijnse Autoriteit van 11 juni 2014, door de desbetreffende instanties een gezinsonderzoek is verricht, zodat een nieuw onderzoek wellicht niet nodig is. Verzoekers hebben hiervan echter geen stukken overgelegd, zodat de rechtbank gelet op het belang van een gezinsonderzoek de stelling van verzoekers hieromtrent zal passeren.

Nu de rechtbank niet kan beoordelen of de adoptie naar Nederlands recht in het kennelijk belang is van de minderjarige, zal de rechtbank het verzoek tot adoptie van de minderjarige door de vrouw eveneens afwijzen.

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank als na te melden beslissen.

De beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek tot adoptie af.

Deze beschikking is gegeven door mr. S. Kuypers, voorzitter, en mrs. L.J.P. Lambooij en M.G.J. Post, rechters, in tegenwoordigheid van A. de Wijse-Hageman LLB als griffier en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2019.

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.