Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:6350

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
23-10-2019
Datum publicatie
02-08-2020
Zaaknummer
348066 FZ RK 19-116
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Stiefouderadoptie. Op de toestemming van de vader is Oostenrijks recht van toepassing. Anders dan de Raad voor de Kinderbescherming is de rechtbank van oordeel dat het kind niets meer van de vader in de hoedanigheid als ouder te verwachten heeft. De rechtbank acht de adoptie in het kennelijk belang van het kind.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 227
Burgerlijk Wetboek Boek 1 228
Burgerlijk Wetboek Boek 10 105
Burgerlijk Wetboek Boek 1 25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Burgerlijke stand en landeninformatie 2020/5541
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team familie- en jeugdrecht

Zittingsplaats Zutphen

Zaaknummer: 348066 FZ RK 19-116

beschikking van de meervoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 23 oktober 2019

op het verzoek van

[verzoeker] en [verzoekster] ,

verzoekers, verder te noemen de adoptiefvader en de moeder,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. M.L.J. Wekking te Apeldoorn,

en met de belanghebbende:

[naam] ,

verder te noemen de vader,

wonende te [woonplaats] , Oostenrijk.

Het procesverloop

Dit verloop blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen op 15 januari 2019;

  • -

    de brief van de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag van 28 februari 2019;

  • -

    het e-mailbericht met bijlage van mr. Wekking van 8 maart 2019;

  • -

    het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (verder te noemen: de Raad) van 15 mei 2019;

  • -

    het journaalbericht met bijlage van mr. Wekking van 20 september 2019;

  • -

    het proces-verbaal van de behandeling ter zitting van 24 september 2019.

De minderjarige [minderjarige] is in de gelegenheid gesteld zijn mening over het onderhavige verzoek aan de rechtbank kenbaar te maken. Hij heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

De feiten

Uit de affectieve relatie van de moeder en de vader is op [geboortedag] 2004 te [geboorteplaats] , Oostenrijk, geboren het kind:

[minderjarige] [geslachtsnaam verzoeker] voorheen [geslachtsnaam vader] .

De vader heeft [minderjarige] erkend.

De moeder is van rechtswege alleen belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

De moeder en adoptiefvader zijn op [datum] 2012 te [plaats] , Oostenrijk, met elkaar gehuwd.

Op 21 september 2012 is in Oostenrijk de geslachtsnaam van [minderjarige] gewijzigd van [geslachtsnaam vader] in [geslachtsnaam verzoeker] .

Uit dit huwelijk is op [geboortedag] 2013 te [geboorteplaats] , Oostenrijk, geboren [kind 2] .

De moeder, de adoptiefvader, [minderjarige] en [kind 2] , verblijven sinds 17 juli 2015 in Nederland.

De adoptiefvader heeft de Nederlandse nationaliteit. De moeder, de vader en [minderjarige] , hebben de Oostenrijkse nationaliteit.

Het verzoek

Verzoekers verzoeken de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- primair, de adoptie uit te spreken van [minderjarige] door de adoptiefvader;

- subsidiair, de adoptiefvader samen met de moeder te belasten met het gezag over [minderjarige] .

Zij stellen - kort samengevat - dat aan de wettelijke criteria voor adoptie wordt voldaan en dat het verzoek tot adoptie in het kennelijk belang is van [minderjarige] . Door de adoptie komt [minderjarige] in familierechterlijke betrekking te staan tot adoptiefvader. Adoptiefvader vervult al jaren een vaderrol voor [minderjarige] en [minderjarige] heeft een goede band met adoptiefvader. Verzoekers zijn van mening dat [minderjarige] niets meer van de vader in hoedanigheid van ouder te verwachten heeft; een band tussen [minderjarige] en vader ontbreekt en de vader is dusdanig onberekenbaar dat hij voor veel onrust in het leven van [minderjarige] zorgt.

Het advies van de Raad voor de Kinderbescherming

De Raad adviseert de rechtbank het verzoek tot adoptie af te wijzen en het verzoek tot gezamenlijk gezag door moeder en adoptiefvader toe te wijzen.

In zijn rapport van 15 maart 2019 stelt de Raad dat er van 2008 tot het vertrek van [minderjarige] naar Nederland in 2015, sprake was van een omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] . Deze omgangsregeling verliep bij tijden moeizaam. Na aankomst van [minderjarige] in Nederland is er nog een enkele keer omgang geweest tussen [minderjarige] en de vader. Het laatste contact dateert van de herfstvakantie 2018. Op basis van de ervaringen met de vader en de moeilijkheden in het verleden is het invoelbaar dat [minderjarige] op dit moment geen behoefte heeft aan contact met de vader. De Raad stelt dat hoewel de vader zich zeker niet altijd als verantwoordelijke opvoeder heeft opgesteld, er wel sprake is van een band tussen de vader en [minderjarige] . [minderjarige] heeft in de toekomst zeker nog iets van zijn vader te verwachten, mocht [minderjarige] daar behoefte aan hebben. Verder draagt [minderjarige] de achternaam van adoptiefvader, zodat alle gezinsleden dezelfde achternaam dragen en zij ook voor de buitenwereld samen een gezin vormen. Gezamenlijk gezag door verzoekers acht de Raad passend bij de huidige gezinssituatie waarbij verzoekers gezamenlijk de opvoedingsverantwoordelijkheid dragen en dit ook door [minderjarige] zo beleefd wordt. Gezien de leeftijd van [minderjarige] en de pas recente breuk tussen [minderjarige] en zijn vader acht de Raad de stap voor stiefouderadoptie te vroeg. Het realiseren van gezamenlijk gezag door verzoekers acht de Raad een mooi alternatief en passend bij de huidige situatie.

De beoordeling

Adoptie

Ingevolge artikel 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht, nu verzoekers hun woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland hebben.

Op grond van het bepaalde in artikel 10:105 lid 1 BW is op een in Nederland uit te spreken adoptie, behoudens lid 2, Nederlands recht van toepassing.

[minderjarige] heeft bij de kinderrechter aangegeven dat hij graag door verzoeker geadopteerd wil worden.

De vader is – hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen – niet ter zitting verschenen.

Voorwaarden artikel 1:227 BW

Ingevolge artikel 1:227 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan een verzoek tot adoptie enkel worden toegewezen, indien:

  • -

    de adoptie in het kennelijk belang van het kind is;

  • -

    op het tijdstip van het verzoek tot adoptie vaststaat en voor de toekomst redelijkerwijs te voorzien is dat het kind niets meer van zijn ouder of ouders in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft, en

  • -

    aan de voorwaarden, genoemd in artikel 1:228 BW wordt voldaan.

Kennelijk belang

Naar het oordeel van de rechtbank is de adoptie in het kennelijk belang van [minderjarige] . Door de adoptie ontstaat een formele familierechtelijke betrekking tussen [minderjarige] en verzoeker. [minderjarige] maakt sinds zijn zevende jaar deel uit van het gezin van verzoeker. Daarmee staat vast dat [minderjarige] een groot deel van zijn leven in dit gezin heeft doorgebracht. Uit de inhoud van de overgelegde stukken en het besprokene ter zitting is de rechtbank gebleken dat [minderjarige] zich heeft gehecht aan verzoeker. Verzoeker draagt de zorg voor [minderjarige] en verzoeker wil deze situatie graag formaliseren. Ook [minderjarige] heeft deze wens bij de rechtbank uitgesproken. De rechtbank is dan ook, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat het in het kennelijk belang van [minderjarige] is dat de juridische situatie in overeenstemming wordt gebracht met de feitelijke ontstane familieband tussen [minderjarige] en verzoeker en dat het in zijn belang is dat hij door verzoeker wordt geadopteerd.

Niets meer van ouder(s) in hoedanigheid van ouder te verwachten

Voorts dient beoordeeld te worden of vaststaat en voor de toekomst redelijkerwijs te voorzien is dat [minderjarige] niets meer van de vader in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft.

Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is de rechtbank gebleken dat de omgangscontacten tussen de vader en [minderjarige] al jaren moeizaam verlopen en dat er sinds oktober 2018 geheel geen contact meer is tussen [minderjarige] en de vader. Verzoekers stellen dat [minderjarige] niets meer van de vader heeft te verwachten, nu de vader veel (aan [minderjarige] ) belooft maar zijn afspraken telkens niet nakomt. Het is meerdere keren voorgekomen dat de vader toezegt dat hij contact met [minderjarige] zal opnemen of dat hij omgang met [minderjarige] zal hebben, maar vervolgens verneemt [minderjarige] niets meer van de vader. Er is volgens verzoekers sprake van een patroon. Volgens verzoekers heeft [minderjarige] veel last van het onvoorspelbare gedrag van de vader en zorgt dit gedrag voor teleurstelling en verdriet bij [minderjarige] .

De rechtbank is, gelet op de inhoud van de overgelegde stukken en het besprokene ter zitting, van oordeel dat er sprake is van een al lang durende periode waarbij de vader niet dan wel nauwelijks beschikbaar is voor [minderjarige] en geen enkele verantwoordelijkheid neemt in de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Het hiervoor door verzoekers geschetste gedrag van de vader is door de gang van zaken rondom de zitting aan de rechtbank bevestigd; de vader heeft de rechtbank telefonisch bericht dat hij - met vertraging - onderweg was naar de rechtbank om de zitting bij te wonen (als gevolg van welke melding de rechtbank de zitting heeft onderbroken in afwachting van de aangekondigde verlate komst van vader), maar hij heeft zich niet meer gemeld en ook geen contact meer met de rechtbank opgenomen.

Hoewel de Raad in zijn onderzoek stelt dat [minderjarige] in de toekomst nog wel iets van de vader heeft te verwachten, heeft de Raad niet nader toegelicht wat [minderjarige] nog van de vader kan verwachten en op welke termijn. Gelet op het vorengaande concludeert de rechtbank dat het nu en voor de toekomst redelijkerwijs te voorzien is dat [minderjarige] niets meer te verwachten heeft van zijn biologische vader. Evenmin heeft de vader laten blijken verantwoordelijkheid voor [minderjarige] te willen nemen.

Voorwaarden 1:228 BW

Op grond van artikel 1:228 lid 1 BW dient aan de navolgende voorwaarden voor adoptie te worden voldaan:

a. dat het kind op de dag van het eerste verzoek minderjarig is, en dat het kind, indien het op de dag van het verzoek twaalf jaar of ouder is, ter gelegenheid van zijn verhoor niet van bezwaren tegen toewijzing van het verzoek heeft doen blijken;

b. dat het kind niet een kleinkind van een adoptant is;

c. dat de adoptant of ieder der adoptanten ten minste achttien jaren ouder dan het kind is;

d. dat geen der ouders het verzoek tegenspreekt;

e. dat de minderjarige moeder van het kind op de dag van het verzoek de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt;

f. dat de adoptant of de adoptanten het kind gedurende ten minste een jaar heeft of hebben verzorgd en opgevoed;

g. dat de ouder of ouders niet of niet langer het gezag over het kind hebben.

De rechtbank stelt vast dat aan de voorwaarden a, b, c, e, f en g is voldaan.

Ten aanzien van de voorwaarde zoals vermeld onder d) overweegt de rechtbank als volgt.

Een van de vereisten voor het uitspreken van de adoptie is dat geen der ouders het verzoek tegenspreekt. Op grond van het bepaalde in artikel 10:105 lid 2 BW is op de toestemming dan wel de raadpleging of voorlichting van de ouders van het kind of van andere personen of instellingen van toepassing het recht van de staat waarvan het kind de nationaliteit bezit. Nu [minderjarige] de Oostenrijkse nationaliteit heeft, is het Oostenrijkse recht hierop van toepassing.

Ingevolge artikel 195 lid 1 van het Oostenrijkse ABGB dienen voor het toestaan van de adoptie in te stemmen met de adoptie:

  • -

    de ouders van het minderjarige te adopteren kind;

  • -

    de echtgenoot of de geregistreerde partner van de adoptant;

  • -

    de echtgenoot of de geregistreerde partner van het te adopteren kind;

  • -

    een te adopteren kind dat ouder is dan veertien jaar.

In bepaalde gevallen kan deze toestemming achterwege blijven.

Het vereiste van toestemming overeenkomstig lid 1 is niet van toepassing als de rechthebbende als de wettelijke vertegenwoordiger van het gekozen kind de acceptatieovereenkomst heeft gesloten, als een van de 4 in lid 1 genoemde personen niet alleen tijdelijk niet in staat is om een verklaring af te leggen of als het verblijf van een van de 1 tot en met 3 in lid 1 genoemde personen onbekend is gedurende ten minste zes maanden (lid 2).


De rechtbank vervangt op verzoek van een overeenkomstsluitende partij de geweigerde toestemming van een van de genoemde personen indien er geen gegronde redenen zijn voor de weigering (lid 3).

De rechtbank stelt vast dat, behalve de vader, alle in lid 1 van artikel 195 ABGB genoemde personen toestemming hebben geven voor adoptie. De rechtbank kan enkel de geweigerde toestemming van de vader vervangen indien er geen gegronde redenen zijn voor de weigering.

Vaststaat dat de vader bij deze rechtbank geen verweer heeft gevoerd tegen het verzoek tot adoptie van [minderjarige] door verzoeker. De vader heeft weliswaar bij de Raad te kennen gegeven dat hij bezwaren heeft tegen de adoptie van [minderjarige] , maar hij heeft ook aangegeven dat als [minderjarige] geadopteerd wil worden dat hij [minderjarige] niet zal tegenwerken. De vader heeft zowel bij de rechtbank als de Raad geen gegronde redenen voor weigering van zijn toestemming aangevoerd. Derhalve is de rechtbank niet bekend met enige gegronde bezwaren van de vader tegen adoptie van [minderjarige] en zal de rechtbank gelet op het vorenstaande de geweigerde toestemming voor adoptie vervangen.

Nu naar het oordeel van de rechtbank is voldaan aan voormelde voorwaarden van de artikelen 1:227 en 1:228 van het BW, zal de rechtbank het verzoek tot adoptie toewijzen. Daarmee komt de rechtbank niet meer toe aan het subsidiaire verzoek van verzoekers.

Geboorteakte

Bij de stukken bevindt zich een overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door de daartoe bevoegde instantie opgemaakte akte van geboorte van [minderjarige] , nummer [nummer] , van

[datum] 2004. De rechtbank zal conform het bepaalde in art. 1:25 lid 5 BW, ambtshalve de inschrijving van deze geboorteakte gelasten als na te melden.

De beslissing

de rechtbank,

gelast de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag de akte van geboorte van de minderjarige: [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2004 te [geboorteplaats] , Oostenrijk, nummer [nummer] van [datum] 2004, waarvan een kopie aan deze beschikking wordt gehecht, in te schrijven;

spreekt uit de adoptie van:

[minderjarige] voorheen [geslachtsnaam vader],

geboren op [geboortedag] 2004 te [geboorteplaats] , Oostenrijk,

door:

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedag] 1980 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] ;

gelast de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag een latere vermelding van de adoptie aan de daarvoor in aanmerking komende akte toe te voegen;

bepaalt dat de griffier van deze rechtbank daartoe een afschrift van deze beschikking aan de ambtenaar van de Burgerlijke Stand te Den Haag zal zenden, zodra deze uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.A.M. Bögemann, voorzitter, en mrs. E.G. de Jong en S. Kuypers, rechters, in tegenwoordigheid van A. de Wijse-Hageman LLB als griffier en in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2019.

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.