Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:631

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
15-02-2019
Datum publicatie
18-02-2019
Zaaknummer
05/820088-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank Gelderland heeft een man veroordeeld voor het zeer onoplettend, onvoorzichtig en onachtzaam rijden en het veroorzaken van een ongeval op de Beekhuizenseweg in Velp en het rijden onder invloed van amfetamine en cannabinoïden. Hem is een taakstraf van 160 uur opgelegd en een voorwaardelijke rijontzegging voor de duur van twaalf maanden, waarvan negen maanden voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/820088-17

Datum uitspraak : 15 februari 2019

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , wonende aan de [woonplaats] .

Raadsvrouw: mr. M.J.R. Roethof, advocaat te Arnhem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 1 februari 2019.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

Primair

hij op of omstreeks 7 mei 2017 te Velp in de gemeente Rheden, als

verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (personenauto ,

daarmede rijdende over de weg, de Beekhuizenseweg,

zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft

gereden, hierin bestaande dat hij, verdachte

een aantal voor hem uit over die weg rijdende fietsers is gaan inhalen en/of

tegen één van die fietsers is gebotst of aangereden

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten

verkeersongeval heeft plaatsgevonden,

waardoor een anderen(genaamd [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ), zwaar

lichamelijk letsel en/of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat

daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale

bezigheden is ontstaan en/of

terwijl verdachte verkeerde in een toestand, bedoeld in artikel 8, eerste lid

van de Wegenverkeerswet 1994 en/of

welk feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat verdachte gevaarlijk

heeft ingehaald;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

Subsidiair

hij op of omstreeks 7 mei 2017 te Velp in de gemeente Rheden, als

verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (personenauto),

daarmede heeft gereden over de weg, de Beekhuizenseweg en

in strijd met artikel 19 van het Regelement verkeersreels en verkeerstekens

1990, niet de snelheid van dat door verdachte bestuurde motorrijtuig

(personenauto) zodanig heeft geregeld, dat verdachte in staat was dat

motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg

kon overzien en waarover de vrij was en/of

een aantal voor hem uit over die weg rijdende fietsers is gaan inhalen en/of tegen één van die fietsers is gebotst of aangereden,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

2.

hij op of omstreeks 07 mei 2017 te Velp, gemeente Rheden, als bestuurder van

een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij

verkeerde onder zodanige invloed van een stoffen, te weten Amfetamine en/of

11-OH-THC en THC (canabinoïden), waarvan hij wist of redelijkerwijs moest

weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van

een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot

behoorlijk besturen in staat moest worden geacht;

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 7 mei 2017 reed verdachte als bestuurder van zijn personenauto op de Beekhuizenseweg in Velp, gemeente Rheden, in de richting van Velp. Voor verdachte uit reed een aantal wielrenners. Bij het inhalen van deze groep heeft een botsing plaatsgevonden tussen de personenauto en een fietser, zijnde [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) die vervolgens tegen een andere fietser, zijnde [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ), aanreed.2 [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] raakten ten gevolge van het ongeval gewond.3

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde feiten.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft vrijspraak bepleit voor de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. Zij heeft betoogd dat er geen sprake is van wettig en overtuigend bewijs dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend heeft gereden of gevaar op de weg heeft veroorzaakt. Er is sprake van een ongeval zonder dat verdachte hieraan schuld had. [slachtoffer 1] is bij het inhalen van twee handbikers, waaronder [slachtoffer 2] , naar links uitgeweken, waardoor [slachtoffer 1] tegen de auto van verdachte is gereden. De onderzoeksresultaten van het bloedonderzoek door het NFI dienen te worden uitgesloten van bewijs, onder meer omdat niet is voldaan aan de vereisten die het ‘Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer’4 (hierna: het Besluit) aan dergelijk bloedonderzoek stelt.

Beoordeling door de rechtbank

Ten aanzien van feit 1

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of het rijgedrag van verdachte zodanig is geweest dat sprake is van schuld als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Hiervoor is vereist dat het gedrag van de verdachte aanmerkelijk of zeer onoplettend, onvoorzichtig of onachtzaam is geweest. Daarvoor moet beoordeeld worden of sprake is geweest van ten minste een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Daarbij geldt dat in zijn algemeenheid niet valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende is voor de bewezenverklaring van schuld in bovenstaande zin. Gekeken moet worden naar het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en voorts naar de overige omstandigheden van het geval. Verder is van belang dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met een of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in bovenstaande zin.

Verdachte heeft verklaard dat het op 7 mei 2017 erg druk was op de Posbank. In verband met die drukte wilde hij er weggaan. Hij reed achter een aantal wielrenners dat iets langzamer reed dan hij. Hij heeft ook gezien dat er voor die wielrenners uit twee handbikers op de weg reden.5

Volgens verdachte heeft hij het juiste moment afgewacht om in te halen en is [slachtoffer 1] tijdens dit inhalen naar links uitgeweken waardoor de botsing is ontstaan.6 Verdachte heeft daarnaast verklaard dat hij de avond voor de aanrijding eenmalig speed had gebruikt.7 Ook heeft hij de avond voor het ongeval een joint gerookt voor het slapen gaan.8

Aangever [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij met vijf wielrenners in een treintje reed. Omdat het een flinke afdaling was, zat hij met een paar keer flink aanzetten op een snelheid van 40 tot 45 kilometer per uur. Hij reed in een rechte lijn rechts van het midden van de weg. Hij werd ineens van achtereen aangereden, terwijl hij een handbiker wilde inhalen. Hij heeft niet gemerkt dat verdachte er langs wilde.9

Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij naast [slachtoffer 1] reed. Zij reden achter een handbiker en waren deze aan het inhalen. Hij zag dat hij door een auto werd ingehaald en dat deze auto met volle vaart tegen het achterwiel van [slachtoffer 1] aanreed. Door de klap viel [slachtoffer 1] naar rechts en reed tegen de handbiker aan en viel er over heen.10 Zij reden rond de 40 kilometer per uur.11 Hij zag dat [slachtoffer 1] rechts van het midden van de weg reed en heeft niet gezien dat [slachtoffer 1] of verdachte een stuurbeweging heeft gemaakt.12

Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij achter [slachtoffer 1] en [getuige 1] reed en dat zij 40 kilometer per uur reden. Opeens werd hij links ingehaald door een auto. Deze auto accelereerde enorm. Hij had het vermoeden dat deze auto iedereen op de weg wilde inhalen. Hij zag dat [slachtoffer 1] een handbiker wilde inhalen. Hij zag dat de auto met zijn rechtervoorkant [slachtoffer 1] van achteren of tegen zijn linkerzijkant raakte. Hij zag dat [slachtoffer 1] vervolgens met zijn fiets tegen een handbiker aanbotste.13

Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat hij op de Posbank aan het wandelen was. Hij zag een groep van ongeveer tien wielrenners en een handbiker naar beneden rijden. Een auto reed tussen de groep in. De auto wilde er voorbij wat echt niet kon. De weg was smal dus inhalen kon niet. Hij hoorde dat de auto gas gaf en dacht dat die de groep voorbij was. Kort daarna hoorde hij een knal en zag dat de auto en een paar wielrenners over de kop vlogen.14

Getuige [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij met een compagnon op een handbike fietste. Hij denkt dat hij met een snelheid van 20 tot 25 kilometer per uur naar beneden reed. Uit het niets brak zijn fiets van achteren uit. Hij hoorde een hoop herrie en geschreeuw en vloog over de kop. Hij zag een auto voorbij glijden en vervolgens over de kop gaan.15

Uit de Verkeers Ongevallen Analyse blijkt dat de weg op het punt van de aanrijding vijf meter breed was. De auto reed ten tijde van de botsing met een snelheid van ongeveer 48 kilometer per uur. In verband met het ontbreken van sporen op de auto was het niet mogelijk om de voertuigen tegen elkaar te plaatsen om daarmee de botspositie weer te geven. Hoe de voertuigen zich ten opzichte van elkaar bevonden kon niet worden vastgesteld.16

Uit het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) blijkt dat in het bloed van verdachte een hoog-werkzame concentratie van amfetamine van 0,20 mg/l is gemeten. Werkzame concentraties van amfetamine in bloed liggen bij niet-gewende gebruikers doorgaans tussen ongeveer 0,03 en 0,15 mg/l.

Ook zijn THC 0,0045 mg/l en 11-OH-THC 0,0018 mg/l aangetoond. De gemeten THC concentratie van 0,0045 mg/l is hoger dan de grensconcentratie van 0,0035 mg/l.

Het NFI heeft op grond van de resultaten geconcludeerd dat de rijvaardigheid ten tijde van de bloedafname waarschijnlijk nadelig beïnvloed was door de volgende aangetoonde stoffen: amfetamine en THC. Deze conclusie is de zwaarste conclusie volgens de conclusieschaal die is gebruikt door het NFI.17

De verdediging stelt dat voornoemde uitkomsten van het NFI onderzoek niet kunnen worden gebruikt jegens verdachte. Er zijn monsters genomen van het bloed van verdachte. Op de Sin-stickers met nummer TAAP0746NL die op de monsters zijn aangebracht staat de naam “ [naam] ” en niet [verdachte] . Deze monsters zijn niet van verdachte afkomstig en de resultaten van het onderzoek kunnen niet aan hem worden gekoppeld, aldus de raadsvrouw.

De rechtbank verwerpt deze stelling. Op de aanvraag van het toxicologisch onderzoek van het bloed staat de volledige naam van verdachte, zijn adres, geboortedatum en burgerservicenummer vermeld. Bij deze aanvraag bevindt zich een kopie van de sin-sticker met nummer TAAP0746NL.18 Hieruit maakt de rechtbank op dat het bloed in de monsters en voorzien van het nummer TAAP0746NL afkomstig was van verdachte. Dat de naam van verdachte niet volledig juist staat genoemd op de sin-sticker doet hieraan niet af, nu het, onder de gegeven omstandigheden, duidelijk gaat om verdachte Landsbergen.

De verdediging stelt vervolgens dat de onderzoeksresultaten van het NFI op grond van artikel 12 lid 3 van het Besluit moeten worden uitgesloten van het bewijs, omdat de bloedafname niet binnen anderhalf uur na het eerste contact tussen de opsporingsambtenaar en verdachte heeft plaatsgevonden.

De rechtbank stelt vast dat het Besluit op 1 juli 2017 in werking is getreden en dat het niet voorziet in een overgangsregeling ten aanzien van situaties die hebben plaatsgevonden voor deze datum. Zodoende is het Besluit niet van toepassing op de gewraakte bloedafname, die heeft plaatsgevonden op 7 mei 2017. Naar het oordeel van de rechtbank kan de verdediging daarom geen beroep doen op hetgeen is neergelegd in het Besluit. De rechtbank is van oordeel dat verdachte ook niet op een andere wijze als gevolg van een verzuim in het onderzoek in zijn verdediging is geschaad. De uitkomsten van de bloedafname worden dan ook meegenomen in de beoordeling door de rechtbank.

De rechtbank is op basis van het voorgaande van oordeel dat er sprake is van schuld aan de zijde van verdachte, in die zin dat verdachte zeer onoplettend, onvoorzichtig en onachtzaam heeft gereden. Verdachte heeft op een smalle weg, die namelijk maar vijf meter breed was, met een klein snelheidsverschil de wielrenners die voor hem reden, ingehaald. Hij heeft gezien dat er voor de wielrenners uit twee handbikers op de weg reden die aanzienlijk langzamer reden dan verdachte en de wielrenners. Redelijkerwijs had hij er rekening mee kunnen en moeten houden dat deze wielrenners de betreffende handbikers wilden inhalen. Gelet op de drukte op de weg en het feit dat het snelheidsverschil van zijn auto met de wielrenners gering was, heeft hij, door juist op dat moment in te halen, zich blootgesteld aan het risico dat de inhaalmanoeuvre fout zou aflopen.

Verdachte had gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden niet moeten inhalen. Door dit wel te doen heeft hij onaanvaardbare risico’s genomen en is het aan zijn schuld te wijten dat het ongeval is ontstaan. Daarnaast heeft verdachte onder invloed van het gecombineerde gebruik van amfetamine en cannabis gereden, nota bene terwijl verdachte wist dat hij onder zulke omstandigheden niet mocht rijden.19

Ten aanzien van het door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] opgelopen letsel overweegt de rechtbank als volgt. Volgens de geneeskundige verklaringen van 29 november 2017 en 7 februari 2018 heeft [slachtoffer 1] als gevolg van het ongeval hersenschudding-like klachten en aan PTSS-klachten gerelateerde problematiek opgelopen, waarvoor [slachtoffer 1] gedurende twee maanden begeleiding van een praktijkondersteuner van de huisarts heeft gehad met als doel om de (werk)belasting weer op te voeren.20 [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij als gevolg van het ongeval zijn beroep en normale bezigheden niet heeft kunnen uitoefenen. Na drie maanden is hij gaan werken op het tempo van voor het ongeval en na enkele weken bleek dit nog te veel voor hem.21

[slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij gedurende vijf maanden last heeft gehad van het letsel.22

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het letsel van [slachtoffer 1] te kwalificeren is als zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van normale bezigheden ontstaat. Het letsel van [slachtoffer 2] is onvoldoende met stukken onderbouwd en kan om die reden niet worden gekwalificeerd als letsel als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet.

Ten aanzien van feit 2

Ten aanzien van het verweer van de verdediging dat de resultaten van het NFI-onderzoek niet tot bewijs mogen dienen, verwijst de rechtbank naar het hierover ten aan van feit 1 overwogene. Verdachte was ermee bekend dat het gebruik van dergelijke middelen de rijvaardigheid kan beïnvloeden.23

Op basis van de resultaten van het NFI-onderzoek24 en de verklaring van verdachte25 komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte op 7 mei 2017 onder zodanige invloed van amfetamine en cannabinoïden verkeerde dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht. Hij wist dat het gebruik daarvan – al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof – de rijvaardigheid kon verminderen.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het feit 1. primair en feit 2. tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op of omstreeks 7 mei 2017 te Velp in de gemeente Rheden, als

verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (personenauto),

daarmede rijdende over de weg, de Beekhuizenseweg,

zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft

gereden, hierin bestaande dat hij, verdachte

een aantal voor hem uit over die weg rijdende fietsers is gaan inhalen en/of

tegen één van die fietsers is gebotst of aangereden

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten

verkeersongeval heeft plaatsgevonden,

waardoor een anderen (genaamd [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]), zwaar

lichamelijk letsel en/of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat

daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale

bezigheden is ontstaan en/of

terwijl verdachte verkeerde in een toestand, bedoeld in artikel 8, eerste lid

van de Wegenverkeerswet 1994 en/of welk feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat verdachte gevaarlijk

heeft ingehaald;.

2.

hij op of omstreeks 07 mei 2017 te Velp, gemeente Rheden, als bestuurder van

een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij

verkeerde onder zodanige invloed van een stoffen, te weten Amfetamine en/of

11-OH-THC en THC (canabinoïden), waarvan hij wist of redelijkerwijs moest

weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van

een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot

behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 primair:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van deze wet.

Ten aanzien van feit 2:

Overtreding van artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

5 De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder feit 1 primair en feit 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot het verrichten van 160 uren werkstraf, te vervangen door 80 dagen hechtenis en tot oplegging van een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van achttien maanden waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair verzocht af te zien van een rijontzegging. Verdachte is zijn rijbewijs als gevolg van een invordering door het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen een geruime tijd kwijt geweest tot december 2018 en hij is op sociale media voor vuil uitgemaakt. Hij heeft zijn straf hierdoor gehad. Verdachte heeft zijn rijbewijs nodig voor zijn werk. Hij heeft opdrachten in het hele land en moet hiervoor met de bus van de werkgever rijden. Zijn werkgever is coulant geweest, maar dit kan niet nog langer van hem gevraagd worden. Subsidiair heeft de verdediging verzocht om een eventuele rijontzegging geheel voorwaardelijk op te leggen.

Voor het overige heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op het blanco uittreksel justitiële documentatie, gedateerd 13 december 2018.

Verdachte heeft als beginnend bestuurder van een personenauto onder invloed van amfetamine en cannabis een verkeersongeval veroorzaakt, als gevolg waarvan een ander zodanig lichamelijk letsel heeft opgelopen dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

Door op een smalle en druk bezochte weg met zwakke verkeersdeelnemers met een gering snelheidsverschil in te halen, heeft verdachte onaanvaardbare risico’s genomen en is zodoende in ernstige mate tekort geschoten. Een aanrijding met [slachtoffer 1] was door het handelen van verdachte alleszins te verwachten. Het ongeluk heeft veel impact gehad op [slachtoffer 1] , zoals blijkt uit zijn verklaring ter terechtzitting, ook al heeft hij aangegeven niet boos te zijn op verdachte. Daarnaast had verdachte de avond ervoor speed gebruikt en een joint gerookt en is desondanks de volgende ochtend, tegen beter weten in, gewoon in de auto gestapt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat een werkstraf en een ontzegging van de rijbevoegdheid passend en geboden is.

In het voordeel van de verdachte neemt de rechtbank de volgende omstandigheden mee. Uit de documentatie van verdachte volgt dat hij niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest. Verder is gebleken dat verdachte sinds het verweten feit geen nieuwe verkeersfeiten heeft gepleegd. Daarnaast heeft het ook enige tijd geduurd voordat deze zaak op zitting is gekomen.

Alles afwegende komt de rechtbank tot het oordeel dat een werkstraf van 160 uur en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twaalf maanden, waarvan negen maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, passend en geboden is.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en artikelen 6, 8, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

 een werkstraf gedurende 160 (honderdenzestig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 80 (tachtig) dagen;

 beveelt dat voor de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de werkstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf zes uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht twee uren in mindering worden gebracht;

 ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 (twaalf) maanden;

 bepaalt, dat een gedeelte van deze bijkomende straf groot 9 (negen) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.W. Monteiro (voorzitter), mr. W. Bruins en

mr. Y.H.M. Marijs, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B. Rijkse, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 15 februari 2019.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door een verbalisant van de politie Eenheid Oost-Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2017206366, gesloten op 11 juli 2017 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 91 tot en met 98

3 Proces-verbaal van aanhouding, p. 6 tot en met 8, geneeskundige verklaringen van de huisarts van 29-11-2017 en 7-2-2018.

4 Besluit van 14 december 2016, houdende regels over de voorlopige onderzoeken en de vervolgonderzoeken die ter vaststelling van het gebruik van alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer kunnen worden ingezet en aanwijzing van de drugs waarvoor grenswaarden gelden en aanwijzing van de grenswaarden voor enkelvoudig en gecombineerd gebruik van drugs en van drugs en alcohol of geneesmiddelen, Staatsblad 2016, 529.

5 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 91 tot en met 98.

6 Verklaring van verdachte afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 1 februari 2019.

7 Verklaring van verdachte afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 1 februari 2019.

8 Verklaring van verdachte afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 1 februari 2019 en proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] , p. 42.

9 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 1] p.16 tot en met 19 en proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1] p. 23 en 24.

10 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 25.

11 Proces-verbaal van bevindingen, p. 27.

12 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 35 en 36.

13 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 29 en 30.

14 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] p. 43.

15 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2] p. 45.

16 Proces-verbaal van Verkeers Ongevallen Analyse, p. 70 tot en met 86.

17 Toxicologisch onderzoek naar aanleiding van een vermoedelijke overtreding van artikel 8 Wegenverkeerswet, rapport Nederlands Forensisch Instituut van 7 juni 2017, p. 58 tot en met 64.

18 Proces-verbaal rijden onder invloed, p. 54 tot en met 56 en aanvraag ten behoeve van toxicologisch onderzoek van bloed, p.50.

19 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 97.

20 Geneeskundige verklaring van de huisarts d.d. 29 november 2017 en POH-GGZ d.d. 7 februari 2018.

21 E-mail van [slachtoffer 1] van 4 september 2018.

22 E-mail van [slachtoffer 2] van 3 juli 2018.

23 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 97.

24 Toxicologisch onderzoek naar aanleiding van een vermoedelijke overtreding van artikel 8 Wegenverkeerswet, rapport Nederlands Forensisch Instituut van 7 juni 2017, p. 58 tot en met 64.

25 Verklaring van verdachte afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 1 februari 2019.