Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:63

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
10-01-2019
Datum publicatie
14-01-2019
Zaaknummer
ARN-18_362
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2020:5228, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Informatiebeschikking. Detailgegevens vallen onder de in artikel 52, eerste lid, van de AWR opgenomen bewaarplicht. Papieren kassarollen (voor zover aanwezig) lenen zich niet voor een goede en efficiënte controle door de Belastingdienst. Niet voldaan aan administratie- en bewaarplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 15-01-2019
V-N Vandaag 2019/102
FutD 2019-0133 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N 2019/22.2.8
NTFR 2019/196
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 18/362

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 10 januari 2019

in de zaak tussen

V.O.F. [X], [A] en [B] te [Z] , hierna tezamen: eisers

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Arnhem, verweerder.

Procesverloop

Met dagtekening 28 februari 2017 heeft verweerder aan eisers een informatiebeschikking gegeven wegens het niet voldoen aan de administratie- en bewaarplicht als bedoeld in artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 12 december 2017 de informatiebeschikking gehandhaafd.

Eisers hebben daartegen bij brief van 18 januari 2018, ontvangen door de rechtbank op

19 januari 2018, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Verweerder heeft vóór de zitting een nader stuk ingediend waarvan een afschrift is verzonden aan eisers.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 november 2018.

Namens eisers is hun gemachtigde verschenen. Namens verweerder zijn verschenen drs. [gemachtigde] , [C] en [D] . Eisers hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan verweerder.

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank nadere stukken van verweerder ontvangen. Deze stukken zijn voor de rechtbank geen aanleiding geweest om het onderzoek te heropenen, omdat niet is gebleken dat het onderzoek onvolledig is geweest. De rechtbank heeft die stukken daarom niet tot de gedingstukken gerekend.

Overwegingen

Feiten

1. De activiteiten van eisers bestaan uit het drijven van een onderneming. De onderneming bestaat uit een cafetaria (“ [X] ”) en een restaurant (“ [E] ”). De twee vennoten van V.O.F. [X] zijn de heer [A] en mevrouw [B] .

2. Nagenoeg de gehele omzet van V.O.F. [X] is behaald door middel van contante betalingen.

3. Bij eisers is een boekenonderzoek ingesteld. Dat is gebeurd naar aanleiding van de aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over 2012 tot en met 2014 van de heer [A] en mevrouw [B] , en de aangiften omzetbelasting van V.O.F. [X] over de periode 1 januari 2012 tot en met 31 december 2014.

4. Verweerder heeft zich, naar aanleiding van het boekenonderzoek, op het standpunt gesteld dat eisers niet hebben voldaan aan de administratie- en bewaarplicht van artikel 52 van de AWR. Om die reden heeft verweerder aan eisers een informatiebeschikking als bedoeld in artikel 52a van de AWR opgelegd.

Geschil

5. In geschil is of verweerder de informatiebeschikking terecht heeft genomen. Meer in het bijzonder is in geschil of eisers hebben voldaan aan de eisen van artikel 52 van de AWR en met name of de in het geautomatiseerde bestel- en kassasysteem ingevoerde detailgegevens (op de juiste wijze) zijn bewaard.

Beoordeling van het geschil

6. Administratieplichtigen zijn gehouden van hun vermogenstoestand en van alles betreffende hun bedrijf naar de eisen van dat bedrijf op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde hun rechten en verplichtingen alsmede de voor de heffing van belasting overigens van belang zijnde gegevens hieruit duidelijk blijken (zie artikel 52, eerste lid, van de AWR).

7. De administratie dient zodanig te zijn ingericht en te worden gevoerd en de gegevensdragers dienen zodanig te worden bewaard, dat controle daarvan door de inspecteur binnen een redelijke termijn mogelijk is. Daartoe verleent de administratieplichtige de benodigde medewerking met inbegrip van het verschaffen van het benodigde inzicht in de opzet en de werking van de administratie (zie artikel 52, zesde lid, van de AWR).

8. Elke vastlegging in een onderneming behoort in beginsel tot de administratie en dient daarom ook bewaard te blijven. In een onderneming zoals deze vallen de in een geautomatiseerd bestel- en kassasysteem ingevoerde detailgegevens daarom in beginsel onder de in artikel 52, eerste lid, van de AWR opgenomen bewaarplicht. Met behulp van deze detailgegevens kan immers de volledigheid van de verantwoording van de omzet in geld worden geverifieerd aan de hand van een op goederenniveau te leggen verband tussen de (totale) inkoop en de (totale) verkoop. Daardoor kunnen die detailgegevens voor de heffing van belasting van belang zijn. Dat de kassa onvoldoende mogelijkheid heeft om de detailgegevens te bewaren komt voor rekening en risico van eisers en kan niet tot de conclusie leiden dat de detailgegevens niet voor de heffing van belasting van belang kunnen zijn. Een dergelijk belang ontbreekt indien de administratie voldoende andere gegevens bevat die een afdoende controle binnen een redelijke termijn van de verantwoorde omzet in geld mogelijk maakt (zie HR 26 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1740, rechtsoverweging 2.3.2).

9. Eisers voeren aan dat de detailgegevens bewaard zijn gebleven in de vorm van papieren kassarollen en Z-afslagen. Het kassasysteem heeft niet de mogelijkheid detailgegevens digitaal te bewaren na het moment waarop een Z-afslag is gemaakt. Eisers hebben gesteld dat alle kassarollen leesbaar zijn en zijn bewaard, zowel die van het restaurant als die van de cafetaria. Eisers zijn verder van mening dat het mogelijk is een controle binnen een redelijke termijn uit te voeren met behulp van de aanwezige detailgegevens (de kassarollen en de Z‑afslagen). Eisers hebben ter zitting gesteld dat de omstandigheid dat verweerder niet in staat is een controle binnen een redelijke termijn uit te voeren is te wijten aan de door verweerder gehanteerde controlemethode. Die methode is volgens eisers inefficiënt en ineffectief. Volgens eisers kan verweerder de administratie binnen een redelijke termijn controleren, indien verweerder een andere controlemethode hanteert, namelijk door de gegevens op de kassarollen steekproefsgewijs te vergelijken met de gegevens op de Z‑afslagen.

10. Verweerder heeft met betrekking tot het restaurant gesteld dat de papieren kassarollen en Z‑afslagen niet bewaard zijn gebleven. Met betrekking tot de cafetaria zijn de papieren kassarollen slechts deels bewaard gebleven. Deze papieren kassarollen zijn niet of moeilijk leesbaar. Het komt vaak voor dat de geprinte gegevens op papieren kassarollen op den duur vervagen. Bovendien is volgens verweerder met papieren kassarollen en Z-afslagen een controle binnen een redelijke termijn niet mogelijk. Van elk jaar is er een grote taartdoos vol (rond de 25 stuks) papieren kassarollen. Een kassarol is vele tientallen meters lang. Het kost onevenredig veel tijd – enkele weken voltijd arbeid – om de papieren kassarollen te controleren.

11. De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan de stelling van verweerder dat de papieren kassarollen van het restaurant niet bewaard zijn gebleven. Eisers hebben hun stelling dat er nog wel papieren kassarollen van het restaurant aanwezig zijn niet onderbouwd met stukken. Ten aanzien van de papieren kassarollen van de cafetaria acht de rechtbank aannemelijk dat deze deels niet leesbaar zijn. Dit brengt met zich dat de detailgegevens in zoverre ook ten aanzien van de cafetaria niet bewaard zijn gebleven.

12. Ten aanzien van de wél bewaard gebleven detailgegevens – het wél leesbare deel van de kassarollen van de cafetaria – is de rechtbank van oordeel dat dit niet voldoende is om een goede en efficiënte controle mogelijk te maken. In de eerste plaats betreft het slechts een deel van de totale detailgegevens, zodat niet zonder meer vaststaat of aan de hand hiervan betrouwbare conclusies kunnen worden getrokken ten aanzien van de volledigheid van de verantwoording van de omzet van de onderneming als geheel. Bovendien is de rechtbank van oordeel dat met die wel bewaard gebleven detailgegevens een controle niet binnen een redelijke termijn mogelijk is. De rechtbank acht aannemelijk dat het leggen van een verband tussen de inkoop en de verkoop aan de hand van vele kassarollen van elk tientallen meters lang dermate arbeidsintensief is dat de controletermijn gelet op de aard en de omvang van de onderneming onredelijk lang zou worden. In deze onderneming, waarin nagenoeg de gehele omzet wordt behaald door middel van contante betalingen, wordt de controle van de volledigheid van omzet in geld bovendien bemoeilijkt doordat niet dagelijks Z-afslagen zijn gemaakt en deze dus kennelijk niet de basis vormen voor een dagelijkse boeking in het kasboek. Hetgeen eisers hebben gesteld met betrekking tot de door verweerder gehanteerde inefficiënte en ineffectieve controlemethode leidt volgens de rechtbank – wat er ook van die stelling zij – niet tot een ander oordeel. De administratie van eisers bevat ook niet voldoende andere gegevens die een afdoende controle van de verantwoorde omzet binnen een redelijke termijn mogelijk maakt.

13. Eisers hebben verder gewezen op de uitspraak van het gerechtshof ’s‑Hertogenbosch van 20 mei 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:1993 en gesteld dat het bewaren van de detailgegevens ook in hun geval niet moet leiden tot de gevolgtrekking dat de administratie- en bewaarplicht van artikel 52 van de AWR is geschonden. In de cafetaria zijn weekaanbiedingen en in het restaurant wordt de omzet met name behaald door de verkoop van een driegangen keuzemenu met een vaste prijs en besloten feesten met een vaste prijs per persoon. Daardoor is een verbandscontrole op goederenniveau niet mogelijk, aldus eisers.

14. Verweerder heeft dit standpunt van eisers gemotiveerd weersproken. Volgens verweerder zijn eisers niet vergelijkbaar met het geval dat zich voordeed in de hiervoor genoemde uitspraak.

15. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een vergelijkbare situatie als aan de orde in de genoemde uitspraak. Het voeren van menu’s en weekaanbiedingen laat onverlet dat verbandscontroles op bepaalde producten (bijvoorbeeld blikjes bier) mogelijk blijven. Voor zover er door de bedrijfsvoering van eisers sprake zou zijn van een bemoeilijking van het leggen van verbanden op goederenniveau brengt dit naar het oordeel van de rechtbank geenszins met zich dat eisers niet meer gehouden zouden zijn detailgegevens te bewaren.

16. Uit het voorgaande volgt dat eisers niet hebben voldaan aan de administratie- en bewaarplicht. De overige gestelde tekortkomingen in de administratie behoeven daarom geen afzonderlijke bespreking.

17. De rechtbank ziet geen aanleiding om ingevolge artikel 27e, tweede lid, van de AWR een (nieuwe) termijn te stellen, omdat de schending van de administratie- en bewaarplicht niet (meer) ongedaan kan worden gemaakt.

18. Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

19. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.F. Geerling, voorzitter, mr. A.F. Germs-de Goede en mr. M. Akhloufi, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.J.H. Klomp, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 10 januari 2019

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.