Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:6289

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
05-07-2019
Datum publicatie
03-03-2020
Zaaknummer
C/05/354944 ZJ RK 19-568
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2019:10470, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoek tot ondertoezichtstelling en het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing. De rechtbank is van oordeel dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige ten tijde van de indiening van het inleidende verzoekschrift in Nederland was gelegen. Op grond van het bepaalde in artikel 8 Brussel II-bis komt daarom aan de Nederlandse rechter bevoegdheid toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Familie- en jeugdrecht

Zittingsplaats: Zutphen

Zaakgegevens: C/05/354944 / ZJ RK 19-568

Datum uitspraak: 5 juli 2019

beschikking ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing

in de zaak van

Raad voor de Kinderbescherming, regio Gelderland, hierna te noemen de Raad,

gevestigd te Arnhem,

betreffende:

[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

hierna te noemen [de minderjarige].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

- [belanghebbende 1], hierna te noemen de stiefmoeder,

wonende te de Verenigde Staten van Amerika,

- [belanghebbende 2], hierna te noemen de vader,

wonende te de Verenigde Staten van Amerika.

De kinderrechter merkt als informant aan:

- Jeugdbescherming Gelderland, de gecertificeerde instelling, hierna te noemen de GI, gevestigd te Doetinchem.

Het procesverloop


Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoek met bijlagen van de Raad van 12 juni 2019, ingekomen bij de griffie op

13 juni 2019;

  • -

    de brief van de vader en de stiefmoeder van 26 juni 2019;

  • -

    het e-mailbericht met bijlagen van de stiefmoeder van 27 juni 2019.

Op 28 juni 2019 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

  • -

    [de minderjarige], die apart is gehoord,

  • -

    de vader en de stiefmoeder, die telefonisch zijn gehoord,

  • -

    een vertegenwoordigster van de Raad,

  • -

    een vertegenwoordigster van de GI.

De feiten

De biologische moeder van [de minderjarige] is overleden.

Het ouderlijk gezag over [de minderjarige] wordt uitgeoefend door de vader en de stiefmoeder.

[de minderjarige] verblijft sinds 14 maart 2019 in Nederland. Zij verblijft bij tante en oom vaderszijde (hierna: oom en tante), bij wie zij vanaf 30 april 2019 op het adres staat ingeschreven.

Het verzoek

De Raad heeft de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verzocht voor één jaar. Daarnaast heeft de Raad de uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verzocht voor één jaar. Tot slot heeft de Raad verzocht de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

Volgens de Raad is er voldaan aan de voorwaarden genoemd in artikel 1:255, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en artikel 1:265b, lid 1, van het BW. Voor een nadere onderbouwing heeft de Raad verwezen naar zijn rapport van 11 juni 2019.

Het standpunt van de belanghebbenden

De vader en de stiefmoeder hebben schriftelijk en telefonisch hun standpunt naar voren gebracht. Samengevat hebben zij onder meer het navolgende gesteld. Zij zijn het niet eens met de verzoeken. Zij menen dat de rechtbank geen rechtsbevoegdheid heeft om te beslissen over in Amerika wonende Amerikaanse staatburgers en willen dat [de minderjarige] terugkomt naar Amerika. Zij hebben alleen hun toestemming gegeven voor het verblijf van [de minderjarige] in Nederland voor een vakantie. De Raad heeft volgens de vader en de stiefmoeder geen goed onderzoek verricht, omdat er geen informanten in Amerika zijn gesproken. Als dat wel gebeurd zou zijn, zou zijn gebleken dat er geen sprake is van kindermishandeling of verwaarlozing en dat er geen (ontwikkelings)problemen zijn met [de minderjarige]. Het raadsrapport staat volgens hen vol met geruchten en niet met feiten. Ter onderbouwing hebben zij diverse (Engelstalige) stukken ingebracht. Zij herkennen de zorgen over [de minderjarige] niet. Zij hebben onder meer aangegeven dat er wel problemen waren in het gezin, maar dat die zijn inmiddels opgelost. Zij maakten nooit ruzie in het bijzijn van [de minderjarige]. Ook heeft er geen huiselijk geweld plaatsgevonden. De vader en de stiefmoeder hebben [de minderjarige] wel eens een corrigerende tik gegeven, maar dat is jaren geleden voorgekomen en dat is in Amerika toegestaan. De vader heeft door de jaren heen verschillende fysieke en mentale gezondheidsproblemen gehad (kanker, hartaanval, angst en depressie), maar hij heeft desondanks met de hulp van de stiefmoeder altijd kunnen zorgen voor [de minderjarige]. Wel hebben de vader en de stiefmoeder aangegeven dat zij van jongs af aan psychische problemen zien bij [de minderjarige]. Zij heeft hiervoor in Amerika hulp geboden gekregen. Volgens de vader en de stiefvader wordt [de minderjarige] van hen weggehouden door toedoen van de familie in Nederland.

De beoordeling

Bevoegdheid

Allereerst ligt ter beoordeling voor of de rechtbank bevoegd is om van het onderhavige verzoek kennis te nemen.

Van toepassing is de Verordening (EG) nr. 2201/2003 van 27 november 2003, pbEG 2003, L 338 (hierna: Brussel II-bis) nu het gaat om een burgerlijke zaak betreffende de beperking van de ouderlijke verantwoordelijkheid als bedoeld in artikel 1, lid 1, aanhef, onder b Brussel II-bis. Onder het begrip ouderlijke verantwoordelijkheid valt op grond van artikel 1, lid 2, aanhef, onder a en onder d Brussel II-bis, in verbinding met voormelde bepaling, (mede) het gezagsrecht respectievelijk de plaatsing van het kind in een pleeggezin of een inrichting, zoals in de onderhavige procedure aan de orde is.

Artikel 8, lid 1, Brussel II-bis bepaalt dat, onder voorbehoud van het bepaalde in de artikelen 9, 10 en 12, ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd zijn de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Ingevolge artikel 16, lid 1, aanhef, onder a, Brussel II-bis wordt een zaak geacht aanhangig te zijn gemaakt in de hiervoor bedoelde zin, op het tijdstip waarop het stuk waarmee het geding wordt ingeleid, wordt ingediend. De rechtbank dient te beoordelen of [de minderjarige], ten tijde van de indiening van het inleidende verzoekschrift door de Raad, haar gewone verblijfplaats in Nederland had.

Volgens vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie moet het begrip ‘gewone verblijfplaats’ aldus worden uitgelegd dat deze verblijfplaats de plaats is die een zekere integratie van het kind in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt. Daartoe dient onder meer rekening te worden gehouden met de duur, de regelmatigheid, de omstandigheden en de redenen van het verblijf op het grondgebied van de lidstaat en de verhuizing van het gezin naar die staat, de nationaliteit van het kind, de plaats waar en de omstandigheden waaronder het kind naar school gaat, de talenkennis en de familiale en sociale banden van het kind in die staat. Het is aan de nationale rechter om de gewone verblijfplaats van het kind te bepalen, rekening houdend met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval.

De rechtbank is op grond van de stukken en de behandeling ter zitting van oordeel dat de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] ten tijde van de indiening van het inleidende verzoekschrift in Nederland was gelegen en overweegt daartoe als volgt. [de minderjarige] heeft naast de Amerikaanse ook de Nederlandse nationaliteit. Zij verbleef ten tijde van de indiening van het inleidende verzoekschrift sinds ongeveer drie maanden in Nederland, staat sinds 30 april 2019 in Nederland ([plaats]) ingeschreven en gaat ook in [plaats] naar school. De vader en de stiefmoeder hebben aan de oom en tante waar [de minderjarige] verblijft en staat ingeschreven een volmacht gegeven tot 31 augustus 2019 om beslissingen over [de minderjarige] te kunnen nemen gedurende de periode dat zij in Nederland is. Hoewel de vader en de stiefmoeder naar voren hebben gebracht dat [de minderjarige] in Nederland verblijft voor een vakantie, kan hieruit worden opgemaakt dat het hun bedoeling was, althans dat er rekening mee is gehouden dat [de minderjarige] voor een langere periode in Nederland zou verblijven. Dat blijkt ook uit de brief van de vader en de stiefmoeder van 26 juni 2019. Daarin geven zij aan dat er voor het vertrek van [de minderjarige] naar Nederland met (onder meer) tante is gesproken over een langerdurend verblijf en schoolgang van [de minderjarige] in Nederland (“voor een paar maanden”), om de stiefmoeder de gelegenheid te geven de vader (die sinds januari 2019 niet in het gezin verbleef) te lokaliseren en haar voorgenomen werkzaamheden (theater) op te starten.

Van belang is voorts dat [de minderjarige] in het verleden vaker in Nederland heeft verbleven. Toen zij drie jaar was, is zij naar Nederland gekomen. Zij heeft in Nederland op de peuterspeelzaal gezeten en op de basisschool onderwijs gevolgd in groep 1 en 2. Toen zij negen jaar was, heeft zij een jaar in Amsterdam verbleven en daar onderwijs gevolgd. De afgelopen jaren is zij tijdens verschillende schoolvakanties in Amerika naar Nederland gekomen en heeft zij in Nederland onderwijs gevolgd. Momenteel volgt [de minderjarige], zoals vastgesteld, wederom onderwijs in Nederland. Zij spreekt de Nederlandse taal. Daarnaast heeft [de minderjarige] een sociale en familiale omgeving in Nederland. Zij kent de kinderen in haar klas al langere tijd, ook al van de basisschool en zij heeft vaker in deze klas onderwijs gevolgd. [de minderjarige] heeft een band met oom en tante en overige familieleden opgebouwd, doordat zij met regelmaat (tijdens vakanties) bij oom en tante heeft verbleven.

Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] ten tijde van de indiening van het inleidende verzoekschrift in Nederland was gelegen. Op grond van het bepaalde in artikel 8 Brussel II-bis komt daarom aan de Nederlandse rechter bevoegdheid toe.

Ondertoezichtstelling

Op grond van artikel 1:255, lid 1, van het BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling indien een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en

  1. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en

  2. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 247, tweede lid, in staat zijn te dragen.

De kinderrechter is op grond van de stukken en de behandeling ter zitting van oordeel dat [de minderjarige] onder toezicht gesteld moet worden, omdat er is voldaan aan de wettelijke criteria zoals genoemd in artikel 1:255, lid 1, van het BW. In het raadsrapport staan veel zorgen over [de minderjarige] beschreven. Eén van de zorgen is dat zij veel wisselingen van woonplek heeft gehad. De eerste jaren van haar leven heeft zij bij haar biologische moeder in Amerika gewoond. De biologische moeder is overleden. [de minderjarige] heeft, terwijl haar biologische moeder was overleden, nog ongeveer een week bij haar in huis geleefd. [de minderjarige] is vervolgens bij grootouders moederszijde in Amerika gaan wonen. Daarna is zij bij haar vader gaan wonen. Zij hebben een periode in Nederland gewoond. Vervolgens zijn zij teruggegaan naar Amerika. In Amerika zijn de vader en de stiefmoeder samen met [de minderjarige] meerdere keren verhuisd. [de minderjarige] heeft hierdoor een jaar geen onderwijs gehad. Op 14 maart 2019 is [de minderjarige] naar Nederland gekomen en is zij bij oom en tante gaan wonen.

[de minderjarige] heeft zorgelijke uitspraken gedaan over de thuissituatie bij de vader en de stiefmoeder in Amerika. Zij heeft onder meer verklaard dat er sprake was van huiselijk geweld tussen de vader en de stiefmoeder. Ook was er sprake van huiselijk geweld richting [de minderjarige], met name door de stiefmoeder. De vader is onvoldoende voor [de minderjarige] opgekomen. Hij is recent, na een conflict met de stiefmoeder, een aantal maanden uit contact geweest met de stiefmoeder en [de minderjarige] en heeft [de minderjarige] bij de stiefmoeder achtergelaten. De stiefmoeder en de vader kampen met persoonlijke problematiek. Er is sprake van relatieproblemen, financiële problematiek, problemen met huisvesting en werk. [de minderjarige] laat als gevolg van wat zij heeft meegemaakt zorgelijke signalen zien. Er zijn vermoedens van hechtingsproblemen. Ook heeft zij opvallend gedrag laten zien, zoals boosheid en gedrag waarbij er sprake is van aantrekken en afstoten. Verder wordt er gezien dat [de minderjarige] te volwassen overkomt voor haar leeftijd en veel weglacht. Zij vertoont overlevingsgedrag.

De stiefmoeder en de vader zijn onvoldoende bereid en in staat om onder eigen verantwoordelijkheid de bedreiging in de ontwikkeling van [de minderjarige] weg te nemen. Uit het raadsrapport is naar voren gekomen dat de vader de zorgen over [de minderjarige] herkent. Hij heeft blijkens het rapport tegenover de Raad bevestigd dat er altijd veel ruzie in huis is geweest, dat hij en de stiefmoeder daar meerdere keren voor bij therapeuten zijn geweest maar dat dit niet tot verbetering heeft geleid en dat er ook tussen [de minderjarige] en de stiefmoeder iedere dag ruzie was. [de minderjarige] accepteert de stiefmoeder niet als moeder en de stiefmoeder komt telkens in conflict met [de minderjarige] en past zowel fysiek als verbaal geweld toe naar [de minderjarige] (slaan en schreeuwen), aldus de vader in het rapport. Hij heeft de Raad bij herhaling aangegeven dat het aan [de minderjarige] is waar zij wil wonen, dat wat zij wil leidend is en dat hij achter haar keuze staat als zij in Nederland wil blijven. Ook heeft hij aangegeven dat hij zelf denkt dat het goed is als [de minderjarige] voor minimaal een jaar in Nederland blijft om tot rust te komen. Echter, ter zitting heeft de vader dit ingetrokken en gesteld dat zijn verklaringen niet juist in het rapport van de Raad zijn verwoord. De kinderrechter ziet daarvoor evenwel geen enkel aanknopingspunt. Temeer niet, nu hetgeen de vader tegenover de Raad heeft verklaard in grote lijnen overeenkomt met de zorgelijke uitspraken die [de minderjarige] heeft gedaan over de thuissituatie bij haar vader en stiefmoeder en ook met wat de tante en oom daarover tegenover de Raad hebben verklaard. De kinderrechter vindt het zorgelijk dat de vader en de stiefmoeder de zorgen over [de minderjarige] niet (meer) wensen te herkennen. Zij leggen daarmee de verantwoordelijkheid voor de problemen bij [de minderjarige] en erkennen niet wat [de minderjarige] heeft aangegeven. Zij ondermijnen aldus tevens de kans op verbetering van de situatie. Ook is het zorgelijk dat de keuze omtrent haar toekomst door de vader bij [de minderjarige] is gelegd. Dat is een onwenselijke en te zware belasting voor een meisje van deze leeftijd. De vader toont blijkens het raadsrapport weinig inzicht in de gevolgen hiervan.

Op dit moment zijn de doelen waaraan in ieder geval gewerkt moet worden om de hiervoor omschreven bedreiging in de ontwikkeling van [de minderjarige] weg te nemen:

  • -

    er komt zicht op de achterliggende problematiek van [de minderjarige] en zij krijgt hier passende hulp voor;

  • -

    de vader en de stiefmoeder pakken hun persoonlijke problemen aan, waaronder de relatieproblemen, financiën, huisvesting en werk;

  • -

    er komt zicht op de (on)mogelijkheden van de vader en de stiefmoeder als opvoeders;

  • -

    de vader en de stiefmoeder krijgen hulp omtrent [de minderjarige] en hoe zij beter kunnen aansluiten bij wat [de minderjarige] nodig heeft;

  • -

    de contacten tussen [de minderjarige] en de stiefmoeder worden begeleid door een professional tot wanneer de professional dit nodig acht;

  • -

    er komt binnen een half jaar duidelijkheid over het woonperspectief van [de minderjarige].

De kinderrechter zal [de minderjarige] onder toezicht stellen voor één jaar, te weten tot 5 juli 2020.

Uithuisplaatsing

Op grond van artikel 1:265b, lid 1, van het BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige.

De kinderrechter is op grond van de stukken en de behandeling ter zitting van oordeel dat de uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van haar verzorging en opvoeding. [de minderjarige] verblijft inmiddels een aantal maanden bij oom en tante, waar zij vaker voor een langere periode heeft verbleven. Zij ervaart rust bij oom en tante en wil daar graag blijven wonen. [de minderjarige] heeft rust nodig, zodat zij vanuit een stabiele omgeving aan haar problematiek kan werken en zich op een veilige manier kan ontwikkelen. Zij krijgt in het pleeggezin de rust en veiligheid geboden die zij nodig heeft. In de thuissituatie bij de vader en de stiefmoeder kan de veiligheid van [de minderjarige], gelet op de zorgen die hiervoor zijn beschreven, onvoldoende gewaarborgd worden.

Gelet op één van de doelen die de Raad heeft opgesteld, namelijk dat er over een half jaar duidelijkheid moet zijn over het woonperspectief van [de minderjarige], ziet de kinderrechter aanleiding het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing voor een half jaar toe te wijzen. Aan de GI wordt verzocht uiterlijk twee weken voor de hierna genoemde zitting de kinderrechter, de Raad, de vader en de stiefmoeder schriftelijk te informeren over de stand van zaken in de hiervoor genoemde doelen, hoe het met [de minderjarige] gaat en of er duidelijkheid is over haar perspectief. Aan de Raad wordt verzocht uiterlijk één week na ontvangst van de nadere informatie van de GI de kinderrechter en de overige belanghebbenden schriftelijk te informeren of het resterende deel van het verzoek wordt gehandhaafd.

De kinderrechter zal een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlenen voor zes maanden, te weten tot 5 januari 2020 en de beslissing op het verzoek voor het overige aanhouden.

De beslissing

De kinderrechter:

stelt [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Gelderland, gevestigd te Doetinchem, met ingang van 5 juli 2019 tot 5 juli 2020;

verleent machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg, met ingang van 5 juli 2019 tot 5 januari 2020;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

alvorens verder te beslissen

houdt de beslissing over de resterende duur van de verzochte uithuisplaatsing aan tot de zitting op 12 december 2019 om 9:00 uur;

roept de Raad, de vader, de stiefmoeder, de GI en [de minderjarige] op om op voormelde zitting te verschijnen in het gebouw van deze rechtbank, gelegen aan de Martinetsingel 2 te Zutphen, voor de behandeling van het overige;

verzoekt de GI uiterlijk twee weken voor de hiervoor vermelde zittingsdatum de kinderrechter, de Raad, de vader en de stiefmoeder schriftelijk te informeren over de stand van zaken in de hiervoor genoemde doelen, hoe het met [de minderjarige] gaat en of er duidelijkheid is over haar perspectief;

verzoekt de Raad uiterlijk één week na de ontvangst van de nadere informatie van de GI de kinderrechter en de overige belanghebbenden schriftelijk te informeren of het resterende deel van het verzoek wordt gehandhaafd;

houdt de beslissing voor het overige aan tot voormelde datum en tijdstip.

Deze beschikking is gegeven door mr. L.J.P. Lambooij, kinderrechter, in tegenwoordigheid van R.A. Ramkhewan als griffier en in het openbaar uitgesproken op 5 juli 2019.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden.