Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:615

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
15-02-2019
Datum publicatie
15-02-2019
Zaaknummer
05/041476-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot een werkstraf van 120 uren en tot een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, wegens aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag, hetgeen schuld oplevert in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/041476-18

Datum uitspraak : 15 februari 2019

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,

raadsman: mr. J.W.A. van Dommelen, advocaat te Veenendaal.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 1 februari 2019 en 12 oktober 2018.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 22 juli 2017 te Lienden in de gemeente Buren, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto met aanhangwagen), komende uit de richting van de Achterstraat en/of gaande in de richting van de Blommeland, daarmee rijdende over de weg, de Voorstraat,

zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte

terwijl hem, verdachte op die weg (de Voorstraat) uit tegenovergestelde richting (4) wielrenners) dicht waren genaderd en/of

terwijl zich op die weg (de Voorstraat) snelheid beperkende maatregelen bevonden,

bestaande uit een wegversmalling gevormd door twee obstakels, zogenaamde straatjuwelen (betonnen verkeersremmers met op beide straatjuwelen één paal met drie reflecterende banden),

die op enige afstand van elkaar aan weerszijden van die weg (de Voorstraat) waren geplaatst, waardoor hij, verdachte met dat motorrijtuig (bedrijfsauto met aanhangwagen) moest slalommen om zijn weg over die Voorstraat te kunnen vervolgen en/of waarbij een gelijktijdige en/of conflictvrije passage met dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (bedrijfsauto met aanhangwagen) en die tegemoetkomende wielrenners, niet of nauwelijks mogelijk was,

niet of in onvoldoende mate heeft gelet en/of is blijven letten op het direct voor hem, verdachte gelegen weggedeelte van die weg (de Voorstraat) en/of

in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet de snelheid van dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (bedrijfsauto met aanhangwagen) zodanig heeft geregeld dat hij, verdachte in staat was dat motorrijtuig (bedrijfsauto met aanhangwagen) tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte die weg (de Voorstraat) kon overzien en waarover deze vrij was en/of

met dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (bedrijfsauto met aanhangwagen) naar links heeft gestuurd, waarbij hij met dat motorrijtuig (bedrijfsauto met aanhangwagen) geheel of gedeeltelijk op het voor het tegemoetkomend verkeer bestemde weggedeelte van die weg (de Voorstraat) is terechtgekomen en/of vervolgens naar rechts heeft gestuurd, waarbij die aanhangwagen naar links is uitgezwenkt,

waardoor die hem, verdachte toen dicht genaderd zijnde wielrenners hebben moeten remmen ten einde een aanrijding met dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (bedrijfsauto met aanhangwagen) te voorkomen, ten gevolge waarvan een aantal van hen ten val is gekomen en/of waardoor één van die wielrenners (het slachtoffer [slachtoffer] ) met dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (bedrijfsauto met aanhangwagen)in botsing en/of aanrijding is gekomen,

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander(genaamd [slachtoffer] ) werd gedood;

althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 22 juli 2017 te Lienden in de gemeente Buren, als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto met aanhangwagen), komende uit de richting van de Achterstraat en/of gaande in de richting van de Blommeland, daarmee heeft gereden over de weg, de Voorstraat en

terwijl hem, verdachte op die weg (de Voorstraat) uit tegenovergestelde richting (4) wielrenners) dicht waren genaderd en/of

terwijl zich op die weg (de Voorstraat) snelheid beperkende maatregelen bevonden,

bestaande uit een wegversmalling gevormd door twee obstakels, zogenaamde straatjuwelen (betonnen verkeersremmers met op beide straatjuwelen één paal met drie reflecterende banden),

die op enige afstand van elkaar aan weerszijden van die weg (de Voorstraat) waren geplaatst, waardoor hij, verdachte met dat motorrijtuig (bedrijfsauto met aanhangwagen) moest slalommen om zijn weg over die Voorstraat te kunnen vervolgen en/of waarbij een gelijktijdige en/of conflictvrije passage met dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (bedrijfsauto met aanhangwagen) en die tegemoetkomende wielrenners, niet of nauwelijks mogelijk was,

in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet de snelheid van dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (bedrijfsauto met aanhangwagen) zodanig heeft geregeld dat hij, verdachte in staat was dat motorrijtuig (bedrijfsauto met aanhangwagen) tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte die weg (de Voorstraat) kon overzien en waarover deze vrij was en/of

met dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (bedrijfsauto met aanhangwagen) naar links heeft gestuurd, waarbij hij met dat motorrijtuig (bedrijfsauto met aanhangwagen) geheel of gedeeltelijk op het voor het tegemoetkomend verkeer bestemde weggedeelte van die weg (de Voorstraat) is terechtgekomen en/of vervolgens naar rechts heeft gestuurd, waarbij die aanhangwagen naar links is uitgezwenkt,

waardoor die hem, verdachte toen dicht genaderd zijnde wielrenners hebben moeten remmen ten einde een aanrijding met dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (bedrijfsauto met aanhangwagen) te voorkomen, ten gevolge waarvan een aantal van hen ten val is gekomen en/of waardoor één van die wielrenners (het slachtoffer [slachtoffer] ) met dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (bedrijfsauto met aanhangwagen)in botsing en/of aanrijding is gekomen,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 22 juli 2017 reed verdachte in een Mercedes Benz met daarachter een meer-assige geremde aanhangwagen op de Voorstraat te Lienden, gaande in de richting van Blommeland.2 Op de aanhangwagen bevond zich een graafmachine.3 Op de Voorstraat waar verdachte reed bevinden zich op twee punten wegversmallingen. Deze worden gevormd door straatjuwelen: betonnen verkeersremmers met daarop een paal met drie reflecterende banden. Deze straatjuwelen staan op enige afstand van elkaar aan beide kanten van de weg en bestuurders van (gemotoriseerde) voertuigen moeten daar tussendoor slalommen om hun weg te vervolgen. Deze straatjuwelen zijn bedoeld als snelheidsbeperkende maatregelen.4 Verdachte is met zijn combinatie een dergelijke wegversmalling voor de tweede keer op de Voorstraat ingereden. Daarbij heeft hij naar links gestuurd, is met zijn combinatie deels op het voor het tegemoetkomend wegverkeer bestemde weggedeelte terechtgekomen en heeft vervolgens naar rechts gestuurd om de wegversmalling uit te rijden, waarbij de aanhanger naar links is uitgezwenkt.5 Op dat moment kwamen in tegengestelde richting vier wielrenners gefietst. De eerste wielrenner heeft afgeremd en vervolgens zijn de wielrenners op elkaar geklapt. Eén van de wielrenners, slachtoffer [slachtoffer] , is in botsing gekomen met het motorrijtuig van verdachte en aan haar verwondingen overleden.6

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit. De mate van schuld kan gekwalificeerd worden als aanmerkelijk onvoorzichtig en onachtzaam rijden. Verdachte heeft een aanmerkelijke inschattingsfout gemaakt met vergaande consequenties. Hij had niet de slalom in mogen rijden met zijn combinatie.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit. Verdachte heeft niet (aanmerkelijk) onvoorzichtig gereden. Hij heeft geen verkeersfout gemaakt toen hij de manoeuvre tussen de snelheidsremmers inzette. Hij naderde met matige snelheid de snelheidsremmers en zag dat een Lexus, die in tegengestelde richting reed, stopte om hem het manoeuvreren mogelijk te maken. Verdachte mocht erop rekenen dat de wielrenners, die op dat moment nog relatief ver verwijderd waren, zijn beweging naar links hebben waargenomen en zij nog voldoende ruimte hadden om op de situatie de anticiperen. Het was redelijkerwijs onvoorzienbaar dat de wielrenners naast elkaar zouden doorrijden. Er was een conflictvrije passage mogelijk geweest als de wielrenners hadden geanticipeerd. Als het inzetten van de manoeuvre, die schrik zou kunnen opleveren bij de wielrenners, al als verkeersfout kan worden gekwalificeerd, kan dit niet leiden tot een aanmerkelijke schuld aan het ongeval. Verdachte heeft op dat moment eveneens geen gevaar veroorzaakt. De wielrenners hadden vrij zicht op de combinatie van verdachte, die de manoeuvre inzette. Zij naderden de snelheidsremmers met zeer aanzienlijke snelheid en hebben hun snelheid niet op de situatie aangepast. Ook zijn zij voor een te lange periode te dicht op elkaar blijven rijden, terwijl zij redelijkerwijs anticiperend veel eerder achter elkaar en met voldoende afstand hadden dienen aan te sluiten. Dat de wielrenners een schrikreactie hebben ervaren, kan verdachte niet worden verweten. Zowel het primair als het subsidiair tenlastegelegde kan niet bewezen worden verklaard.

Beoordeling door de rechtbank

Beoordelingskader

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of er sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW). Daarvoor moet, volgens vaste rechtspraak, in ieder geval sprake zijn van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Daarbij geldt dat in zijn algemeenheid niet valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor een bewezenverklaring van schuld in vorenbedoelde zin. Gekeken moet worden naar het geheel van gedragingen van verdachte, naar de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en voorts naar de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Daarnaast geldt dat niet enkel uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW.

Verklaring van verdachte

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij vaker met een dergelijke combinatie over de Voorstraat rijdt en bekend is met de verkeerssituatie aldaar. Verdachte heeft verklaard dat hij door de eerste wegversmalling is gereden, welk zich enkele tientallen meters voor de wegversmalling bevindt waar het ongeval plaatsvond. Vervolgens is hij vroegtijdig naar links gegaan, zodat hij bij het nemen van de tweede wegversmalling geen schrikachtige beweging hoefde te maken, maar een vloeiende beweging door de wegversmalling kon maken. Verdachte heeft verklaard dat hij de wielrenners al ver voor de tweede wegversmalling zag aankomen. Naar zijn inschatting reden de wielrenners met 30 tot 40 kilometer per uur. Verdachte reed zelf met een snelheid van ongeveer 27,5 kilometer per uur door de wegversmalling. Hij heeft geremd toen hij het mis zag gaan.7

Is het rijgedrag van verdachte zodanig geweest dat er sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW? De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Inschattingsfout verdachte

Verdachte heeft met zijn combinatie de eerder op de Voorstraat gelegen wegversmalling gepasseerd. Vervolgens heeft hij geanticipeerd op de volgende wegversmalling door vroegtijdig naar links te gaan rijden. Verdachte heeft de inschatting gemaakt dat hij door deze wegversmalling kon rijden en daarbij voldoende ruimte over zou laten voor de wielrenners om hem te passeren. Naar het oordeel van de rechtbank is dit een inschattingsfout geweest van verdachte, die hem valt aan te rekenen. Daartoe weegt de rechtbank mee dat hij de situatie ter plekke goed kende en er op basis van het op het wegdek aanwezige remspoor van verdachtes’ combinatie en de reconstructie van de positie van de combinatie op 2,5 seconde voor het ongeval is geconstateerd dat er slechts 23 centimeter wegdek overbleef voor de fietsers.8 Op basis van hetgeen de officier van justitie ter terechtzitting naar voren heeft gebracht en door of namens verdachte niet is betwist, overweegt de rechtbank dat het minimaal 9 seconden heeft geduurd voordat verdachte vanuit de eerste wegversmalling bij de tweede wegversmalling was. Gedurende deze gehele periode heeft verdachte zicht gehad of kunnen hebben op de wielrenners die hem uit tegengestelde richting naderden. De rechtbank is van oordeel dat verdachte, gedurende die periode, anders op die situatie had kunnen én moeten anticiperen dan hij heeft gedaan. Daartoe overweegt de rechtbank dat verdachte, die bekend was met de verkeerssituatie aldaar, reed in een grote en brede combinatie met daarop een graafmachine. Dat maakte hem een sterke verkeersdeelnemer ten opzichte van de kwetsbare groep wielrenners. Verdachte had zich moeten realiseren dat hij met zijn grote en logge combinatie nagenoeg de volledige weghelft voor het tegemoetkomende verkeer zou blokkeren. Dit blijkt onder meer uit de zich in het dossier bevindende foto’s en tekeningen.9 Dat de hem tegemoetkomende personenauto hem voor liet gaan, gaf op geen moment de garantie dat andere weggebruikers, waaronder de fietsers, dit ook zouden doen. Daarbij speelt mee dat de wielrenners met een aanzienlijke snelheid reden, zoals verdachte zelf ook heeft verklaard. Gelet op al deze omstandigheden, had van verdachte mogen worden verwacht dat hij zijn beslissing, tot het inzetten van de manoeuvre, zou herzien. Verdachte naderde de tweede hindernis met een snelheid van 27,5 km/u. Dit is net beneden de ter plaatse geldende toegestane maximumsnelheid van 30 km/u. Verdachte had zijn snelheid verder naar beneden kunnen en moeten brengen om een betere inschatting te maken van het tegemoetkomend verkeer en effectiever te kunnen reageren. Zelfs had hij zijn voertuig tot stilstand kunnen brengen. Dat het tot stilstand brengen van het voertuig wellicht een gevaarlijke situatie voor achteropkomende weggebruikers had kunnen opleveren, zoals verdachte heeft gesteld, is niet aannemelijk, nu verdachte op zitting heeft verklaard op het traject vanaf de eerste wegversmalling geen fietsers te hebben ingehaald. Daarnaast kan dit geen reden zijn voor verdachte om de fietsers geen andere keus te laten dan vol in de remmen te moeten gaan zoals is gebeurd, met de noodlottige afloop van dien.

Eigen schuld wielrenners

De verdediging heeft het causaal verband tussen de door verdachte ingezette manoeuvre en het door de schrikreactie van de wielrenners ontstane ongeval betwist. De rechtbank overweegt daarover als volgt. De wegversmallingen zijn bedoeld om de snelheid van gemotoriseerd verkeer te beperken en zijn zodanig aangebracht dat aan weerszijden ruimte voor fietsers overblijft, zodat zij, ook bij het slalommen van een voertuig door de wegversmalling, hun weg kunnen vervolgen. Ondanks dat verdachte de inschatting heeft gemaakt dat voor de wielrenners voldoende ruimte zou overblijven om te passeren, daar hij vaker met deze situatie is geconfronteerd, is het begrijpelijk dat de wielrenners dit niet of onvoldoende konden inschatten. Het is dan ook voorstelbaar dat zij hadden verwacht de aanhangwagen niet te kunnen passeren en vanuit een schrikreactie hebben geremd. Dit is eveneens af te leiden uit het (eerder genoemde) aanvullend onderzoek waar bij een reconstructie van de positie van de combinatie op 2,5 seconde voor het ongeval is geconstateerd dat er slechts 23 centimeter wegdek overbleef voor de fietsers. Naar het oordeel van de rechtbank levert dit een causaal verband op tussen de manoeuvre van verdachte en de schrikreactie van de wielrenners, waardoor vervolgens de botsing is ontstaan.

Beleefdheidsnormen

Dat in het geval van het gelijktijdig passeren van een wegversmalling door voertuigen uit tegengestelde richtingen beleefdheidsnormen worden toepast, daar gelijktijdige passage niet mogelijk is, wil de rechtbank wel aannemen. Nu de wegversmallingen zijn bedoeld voor het gemotoriseerd verkeer, overweegt de rechtbank dat die beleefdheidsvormen met name gelden voor de bestuurders van die gemotoriseerde voertuigen en derhalve niet voor fietsers. In dit geval hadden die beleefdheidsvormen in het voordeel van de wielrenners moeten uitpakken, zeker gelet op hun positie als zwakkere verkeersdeelnemers. Dat verdachte zijn manoeuvre al had ingezet, doet daaraan niet af.

Ten overvloede merkt de rechtbank op dat zij verder geen aanknopingspunten ziet voor de stelling van verdachte dat hij had verwacht dat de wielrenners zouden anticiperen op de door hem ingezette manoeuvre. Niet is gebleken dat de wielrenners op enig moment langzamer zijn gaan rijden of aanstalten maakten om te stoppen.

Aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag

Onder alle vorengenoemde omstandigheden, is de rechtbank van oordeel dat de door verdachte gemaakte inschattingsfout zodanig is geweest dat deze gekwalificeerd kan worden als aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag. Het ongeval is dan ook aan de schuld van verdachte te wijten.

Conclusie

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het overtreden van artikel 19 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens in dit geval niet van toepassing is. Van dit onderdeel van de tenlastelegging zal verdachte dan ook worden vrijgesproken.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 22 juli 2017 te Lienden in de gemeente Buren, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto met aanhangwagen), komende uit de richting van de Achterstraat en/of gaande in de richting van de Blommeland, daarmee rijdende over de weg, de Voorstraat,

zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte

terwijl hem, verdachte op die weg (de Voorstraat) uit tegenovergestelde richting (4) wielrenners) dicht waren genaderd en/of

terwijl zich op die weg (de Voorstraat) snelheid beperkende maatregelen bevonden,

bestaande uit een wegversmalling gevormd door twee obstakels, zogenaamde straatjuwelen (betonnen verkeersremmers met op beide straatjuwelen één paal met drie reflecterende banden),

die op enige afstand van elkaar aan weerszijden van die weg (de Voorstraat) waren geplaatst, waardoor hij, verdachte met dat motorrijtuig (bedrijfsauto met aanhangwagen) moest slalommen om zijn weg over die Voorstraat te kunnen vervolgen en/of waarbij een gelijktijdige en/of conflictvrije passage met dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (bedrijfsauto met aanhangwagen) en die tegemoetkomende wielrenners, niet of nauwelijks mogelijk was,

niet of in onvoldoende mate heeft gelet en/of is blijven letten op het direct voor hem, verdachte gelegen weggedeelte van die weg (de Voorstraat) en/of

in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet de snelheid van dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (bedrijfsauto met aanhangwagen) zodanig heeft geregeld dat hij, verdachte in staat was dat motorrijtuig (bedrijfsauto met aanhangwagen) tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte die weg (de Voorstraat) kon overzien en waarover deze vrij was en/of

met dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (bedrijfsauto met aanhangwagen) naar links heeft gestuurd, waarbij hij met dat motorrijtuig (bedrijfsauto met aanhangwagen) geheel of gedeeltelijk op het voor het tegemoetkomend verkeer bestemde weggedeelte van die weg (de Voorstraat) is terechtgekomen en/of vervolgens naar rechts heeft gestuurd, waarbij die aanhangwagen naar links is uitgezwenkt,

waardoor die hem, verdachte toen dicht genaderd zijnde wielrenners hebben moeten remmen ten einde een aanrijding met dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (bedrijfsauto met aanhangwagen) te voorkomen, ten gevolge waarvan een aantal van hen ten val is gekomen en/of waardoor één van die wielrenners (het slachtoffer [slachtoffer] ) met dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (bedrijfsauto met aanhangwagen) in botsing en/of aanrijding is gekomen,

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte zal worden veroordeeld tot het verrichten van een werkstraf voor de duur van 120 uren, te vervangen door 60 dagen hechtenis, en daarnaast een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De officier van justitie heeft daarbij rekening gehouden met de richtlijnen van het openbaar ministerie. Als strafverminderende omstandigheden heeft de officier van justitie rekening gehouden met de coöperatieve houding van verdachte en de pogingen van verdachte empathie te tonen in de richting van de nabestaanden van het slachtoffer.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht geen onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid aan verdachte op te leggen, nu hij als ondernemer in de bouw zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op het blanco uittreksel justitiële documentatie, gedateerd 13 december 2018.

Op 22 juli 2017 heeft een verkeersongeluk plaatsgevonden, welk ongeval aan de schuld van verdachte is te wijten. Verdachte reed met zijn combinatie, bestaande uit een Mercedes-Benz en daarachter een zwaar beladen aanhangwagen, op een weg waarop zich snelheidsbeperkende maatregelen, in de vorm van wegversmallingen, bevonden. Verdachte is met zijn combinatie een dergelijke wegversmalling ingereden, terwijl uit tegengestelde richting vier wielrenners kwamen. Bij het verlaten van de wegversmalling week de aanhangwagen van verdachte uit en kwam op het weggedeelte voor het tegemoetkomend verkeer terecht. Dit heeft een schrikreactie veroorzaakt bij de voorste wielrenner, die in de remmen is gegaan, waardoor de wielrenners op elkaar zijn geklapt. Eén van de wielrenners, het slachtoffer [slachtoffer] , is tegen de aanhangwagen gekomen. Zij is uiteindelijk aan haar verwondingen overleden. Dit is een zeer ernstige gebeurtenis, met grote gevolgen voor het slachtoffer en haar nabestaanden. De rechtbank begrijpt dat geen enkele straf het leed van de nabestaanden weg kan nemen.

De rechtbank beseft ook dat verdachte niet met opzet het verkeersongeval en de dood van [slachtoffer] heeft veroorzaakt. Hij heeft een inschattingsfout gemaakt, met vergaande gevolgen. Verdachte had zich bewust moeten zijn van zijn positie als sterke verkeersdeelnemer en, gelet op de kwetsbare positie van de wielrenners, anders op de situatie moeten anticiperen dan hij heeft gedaan. In zekere zin is verdachte ook een verliezer, nu hij zal moeten leven met het besef dat het slachtoffer is overleden door zijn schuld.

In positieve zin weegt de rechtbank mee dat verdachte heeft geprobeerd contact te zoeken met de nabestaanden van het slachtoffer, waaronder de partner. In eerste instantie heeft de partner aangegeven daar nog niet aan toe te zijn, maar inmiddels heeft hij zich opengesteld voor een gesprek met verdachte.

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank ook gelet op de LOVS oriëntatiepunten voor straftoemeting. Bij dit laagste niveau van schuld wordt een uitgangspunt gehanteerd van een maximale werkstraf voor de duur van 240 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 1 jaar. De rechtbank neemt deze oriëntatiepunten als uitgangspunt, maar weegt ook de persoonlijke omstandigheden van verdachte mee. Verdachte is niet eerder met politie en justitie in aanraking gekomen. De rechtbank houdt ook rekening met het feit dat verdachte zijn rijbewijs nodig heeft voor het uitoefenen van zijn dagelijkse werkzaamheden. Gelet op de ernst en de gevolgen van de gedraging van verdachte kan de rechtbank niet anders dan een forse straf opleggen, waaronder een (deels) onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid. Het voorwaardelijke deel dient als middel om bij verdachte bewustzijn te creëren van de in het verkeer in acht te nemen benodigde voorzichtigheid, om herhaling te voorkomen.

Alles afwegende acht de rechtbank een straf zoals geëist door de officier van justitie passend en geboden.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een werkstraf gedurende 120 (honderdtwintig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 (zestig) dagen;

  • -

    ontzegt verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 (twaalf) maanden;

  • -

    bepaalt, dat een gedeelte van deze bijkomende straf groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit vonnis is gewezen door mr. Y.H.M. Marijs (voorzitter), mr. W. Bruins en mr. B.F.M. Klappe, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Blankenspoor, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 15 februari 2019.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door een verbalisant van de politie Eenheid Oost Nederland, district Gelderland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2017342273-1, gesloten op 3 januari 2018 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal aanrijding misdrijf, p. 2-3.

3 Proces-verbaal aanrijding misdrijf, p. 2.

4 Proces-verbaal Verkeers Ongevallen Analyse, p. 18.

5 Proces-verbaal Verkeers Ongevallen Analyse, p. 15 en verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 1 februari 2019.

6 Proces-verbaal aanrijding misdrijf, p. 2-3.

7 Verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 1 februari 2019.

8 Aanvullend PV PL 062017342273 van 28 december 2018, p. 3 en p. 7, 3e tekening.

9 Proces-verbaal Verkeers Ongevallen Analyse, p. 30, 31 en 36 en Aanvullend proces-verbaal PL 062017342273 van 28 december 2018, p. 3 en pag. 7, 3e tekening.