Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:6110

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
24-12-2019
Datum publicatie
25-03-2020
Zaaknummer
AWB - 18 _ 4151
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Naheffingsaanslag OB. Pro rata. Artikel 14 Uitvoeringsbeschikking OB 1968.

Eiseres heeft als activiteiten het verwerven, ontwikkelen en exploiteren van onroerende zaken. In 2006 heeft zij een onroerende zaak verkocht en vrijgesteld van omzetbelasting geleverd. Het pand werd voorafgaand aan de verkoop niet verhuurd. In dat jaar had zij voor het overige geen omzet. De vraag is of eiseres recht heeft op aftrek van voorbelasting op de algemene kosten. Aangezien eiseres geen belaste activiteiten heeft verricht, heeft zij geen recht op aftrek, ook niet voor algemene kosten. Aan een pro rata berekening wordt niet toegekomen.

Mogelijke verjaring van het recht tot invordering staat niet ter beoordeling van de belastingrechter en leidt er niet toe dat de belastingrechter belastingaanslag moet vernietigen.

Aan de lange behandelduur in bezwaar worden geen andere consequenties verbonden dan toekenning van een vergoeding voor immateriële schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 25-03-2020
V-N Vandaag 2020/760
FutD 2020-1002 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 18/4151

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van

in de zaak tussen

[F] B.V., te [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. [naam gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Utrecht, verweerder,

en

de Staat der Nederlanden (ministerie van Justitie en Veiligheid), te Den Haag, de Staat.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres over de periode 1 januari 2006 tot en met 31 december 2008 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 2.049. Gelijktijdig is bij beschikking een boete van € 373 opgelegd en € 385 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 31 mei 2018 de naheffingsaanslag en de beschikking heffingsrente gehandhaafd en de boetebeschikking verminderd tot nihil.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 9 juli 2018, ontvangen door Rechtbank Midden-Nederland op 10 juli 2018, beroep ingesteld. Het beroep is doorgezonden naar deze rechtbank, waar het 23 juli 2018 is ontvangen.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2019.

Namens eiseres is de gemachtigde verschenen, bijgestaan door [persoon A] . Namens verweerder zijn [persoon B] en [persoon C] verschenen.

Partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan elkaar.

Gelijktijdig en gezamenlijk met dit beroep zijn ter zitting nog vier beroepen behandeld. Dit betreft beroepen van [D] (zaaknummer 18/4149), de fiscale eenheid [E] B.V. c.s. (zaaknummer 18/4150), [G] B.V. (zaaknummer 18/4152) en [X] B.V. (zaaknummer 18/4153).

Overwegingen

1. De Staat heeft afgezien van het voeren van verweer (Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Stcrt. 2014, 20210).

Feiten

2. Eiseres is ondernemer voor de omzetbelasting. Haar activiteiten bestaan uit het verwerven, ontwikkelen en exploiteren van onroerende zaken.

3. [J] B.V. (hierna: [J] ) houdt 50% van de aandelen in eiseres, [E] B.V. (hierna: [E] ) houdt 40% van de aandelen in eiseres. [persoon M] en [persoon N] houden elk 5% van de aandelen in eiseres. De bestuurders van eiseres zijn [persoon H] en [persoon K] . [J] en [E] houden verder elk 50% van de aandelen in [D] B.V. (hierna: [D] ). [J] en [E] hebben samen ook een meerderheidsbelang (in totaal afgerond 68%) in [G] B.V. (hierna: [G] ). Daarnaast houdt [E] 16% van de aandelen in [X] B.V. (hierna: [X] ). De andere aandeelhouder in [G] is [R] B.V. De bestuurders van [D] zijn [persoon H] en [persoon K] . De bestuurders van [G] zijn [persoon K] en [persoon L] . De bestuurders van [X] zijn [persoon H] en (sinds 6 februari 2014) [persoon I]

4. [E] maakt samen met [E1] B.V. en [E2] B.V. deel uit van de fiscale eenheid [E] B.V. c.s. (hierna: de fiscale eenheid).

5. Eiseres heeft in 2006 een onroerende zaak aan de [adres 1 en 2] te [plaats 3] vrijgesteld van omzetbelasting verkocht voor € 5.250.000. In dat jaar had zij voor het overige geen omzet. Eiseres heeft € 1.131 voorbelasting op de algemene kosten in aftrek gebracht.

6. Verweerder is op 14 september 2010 een boekenonderzoek gestart bij eiseres, de fiscale eenheid, [D] , [G] en [X] . Onderzocht is daarbij de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting in de periode 1 januari 2006 tot en met 31 december 2008.

7. Verweerder heeft zijn bevindingen ten aanzien van eiseres vastgelegd in een rapport van 25 november 2011. Hij heeft geconcludeerd dat eiseres de omzet van de verkochte onroerende zaak ten onrechte niet heeft meegenomen in de pro rata berekening. Volgens verweerder dient daarom de berekening en de afgetrokken voorbelasting gecorrigeerd te worden. Over 2006 leidt dat tot een correctie van € 1.131. Over 2008 is sprake van een correctie van € 918 in verband met toepassing van het Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968.

8. Naar aanleiding van het boekenonderzoek heeft verweerder met dagtekening 28 december 2011 de naheffingsaanslag en de vergrijpboete opgelegd.

Geschil

9. In geschil is het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslag omzetbelasting over de periode 1 januari 2006 tot en met 31 december 2008 tot het juiste bedrag is opgelegd. Daarbij is alleen de correctie over 2006 in geschil.

Beoordeling van het geschil

10. Op grond van artikel 2 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB) brengt de ondernemer de belasting ter zake van de aan hem verrichte leveringen van goederen en verleende diensten in aftrek. Artikel 15 van de Wet OB bevat hiervoor nadere bepalingen.

11. Eiseres heeft in 2006 in het geheel geen belaste prestaties verricht. Haar enige activiteit in 2006 was het verkopen van een onroerende zaak, vrijgesteld van omzetbelasting. Dat pand werd voorafgaand aan de verkoop niet verhuurd. Ten aanzien van die verkoop heeft eiseres bovendien zelf het standpunt ingenomen dat het niet ging om een gebruikelijke bedrijfsactiviteit maar om het afstoten van een goed dat zij in haar bedrijf had gebruikt. Aangezien eiseres geen belaste activiteiten heeft verricht, heeft zij geen recht op aftrek, ook niet voor zover het algemene kosten betreft. Aan een pro rata berekening wordt immers niet toegekomen omdat geen sprake is van gemengd gebruik.

12. Gelet hierop is de naheffingsaanslag juist. Aan de stellingen omtrent de pro rata berekening komt de rechtbank niet toe.

13. Eiseres heeft ter zitting nog aangevoerd dat zij - anders dan in drie van de gelijktijdig behandelde zaken - geen brief van de ontvanger heeft ontvangen met een mededeling dat de termijn waarbinnen de bevoegdheden tot invorderen kunnen worden uitgeoefend werd verlengd. Zij stelt dat de bevoegdheid tot invordering is komen te vervallen. Verweerder heeft in reactie hierop te kennen gegeven dat hij dit niet kon controleren, omdat dit een kwestie voor de ontvanger is.

14. Naar het oordeel van de rechtbank kan de vraag of de invordering van de belastingschuld mogelijk verjaard is onbeantwoord blijven. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de verjaring van het recht tot invordering niet ter beoordeling van de belastingrechter staat en een eventuele verjaring er niet toe kan leiden dat de belastingrechter de belastingaanslag moet vernietigen1.

Lange behandelduur

15. Eiseres heeft erop gewezen dat verweerder meer dan vijf jaren heeft gewacht met het doen van uitspraak op bezwaar. Ter zitting heeft de rechtbank gevraagd welke gevolgen hieraan moeten worden verbonden. Eiseres heeft erop gewezen dat zij niet meer gecompenseerd kan worden door vermindering van de boete, omdat die na bezwaar is komen te vervallen. Zij heeft wel een beroep op het vertrouwensbeginsel gedaan. De rechtbank is van oordeel dat het enkele lang stilzitten door verweerder geen gerechtvaardigd vertrouwen wekt dat eiseres in het gelijk zal worden gesteld. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt daarom niet. Verder heeft eiseres gesteld dat zij schade heeft geleden als gevolg van de naheffingsaanslag. Zij heeft de gewijzigde aftrek van omzetbelasting immers niet meer in haar kostprijs kunnen doorberekenen. Nog daargelaten dat eiseres haar stellingen niet met stukken heeft onderbouwd, is de rechtbank van oordeel dat er geen grond bestaat voor vergoeding van schade nu de naheffingsaanslag in stand blijft. Eiseres had geen recht op vooraftrek. Als zij de juiste omzetbelasting had voldaan, had er niet hoeven te worden nageheven. Voor vermindering van de heffingsrente ziet de rechtbank evenmin aanleiding. Niet bestreden is dat de berekening daarvan overeenkomstig artikel 30f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen heeft plaatsgevonden tot de datum van de naheffingsaanslag. De naheffingsaanslag dateert van 28 december 2011. Dat is weliswaar geruime tijd na het tijdvak waarover is nageheven, maar binnen de wettelijke termijn en kort na beëindiging van het boekenonderzoek. Er is geen aanleiding vanwege die lange tijd de heffingsrente te matigen. Daarvoor kan hooguit grond bestaan als verweerder in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel heeft gehandeld2. Daarvan is geen sprake. Voor zover eiseres bedoeld zou hebben dat zij vermindering van de invorderingsrente wenst vanwege de lange behandelduur in bezwaar, wijst de rechtbank er volledigheidshalve op dat zij hierover in deze procedure geen beslissing kan geven, omdat de invorderingsrente wordt vastgesteld door de ontvanger. Die is geen partij in deze procedure.

16. De rechtbank begrijpt de stellingen van eiseres mede als een verzoek om een vergoeding van immateriële schade vanwege de lange behandelduur. Zij neemt daarbij het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, als uitgangspunt. Een uitspraak in eerste aanleg is niet binnen een redelijke termijn gedaan als de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. In deze termijn is de duur van de bezwaarfase inbegrepen. Wanneer de bezwaar- en beroepsfase tezamen onredelijk veel tijd in beslag hebben genomen geldt als hoofdregel dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een halfjaar overschrijdt en de beroepsfase voor zover deze meer dan anderhalf jaar in beslag neemt. Wanneer de redelijke termijn is overschreden, wordt als uitgangspunt een schadevergoeding toegekend van € 500 per halfjaar dat die termijn is overschreden.

17. De rechtbank is van oordeel dat eiseres recht heeft op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het bezwaarschrift is ontvangen op 3 januari 2012. Sindsdien is een periode van bijna acht jaar verstreken. Desgevraagd heeft verweerder verklaard dat de behandeling in bezwaar is vertraagd door het overlijden van de medewerker die daarmee bezig was. Daarna is het dossier niet meer voortvarend opgepakt. De rechtbank ziet daarin geen aanleiding de termijn te verlengen, omdat een dergelijk organisatorisch probleem voor risico van verweerder dient te komen. Dat eiseres geen ingebrekestelling heeft gestuurd, maakt dat niet anders. Ook het feit dat verweerder in eerste instantie heeft gewacht op het arrest van de Hoge Raad in de zaak van de woningcorporatie geeft geen aanleiding voor een verlenging van de termijn, omdat uit het dossier niet volgt dat eiseres daarmee heeft ingestemd. Dat betekent dat de redelijke termijn is overschreden met bijna zes jaren. Eiseres heeft daarom in beginsel recht op een schadevergoeding van € 6.000. Vanwege de samenhang met de gezamenlijk behandelde beroepszaken, die ook in bezwaar gelijktijdig en gezamenlijk zijn behandeld, ziet de rechtbank aanleiding voor de vijf eiseressen samen de vergoeding op € 6.000 te bepalen. Dat betekent dat aan eiseres een bedrag van € 1.200 toekomt. De uitspraak op bezwaar dateert van 31 mei 2018. Dat betekent dat de overschrijding van de beslistermijn voor 71/72 deel is toe te rekenen aan de bezwaarfase en voor 1/72 deel aan de beroepsfase. Daarom zal de rechtbank bepalen dat verweerder aan eiseres € 1.183 dient te vergoeden en de Staat € 17.

Conclusie en proceskosten

18. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond. Omdat eiseres voor het overige geen gronden tegen de beschikking heffingsrente heeft aangevoerd, is het beroep ook in zoverre ongegrond. Wel heeft zij recht op vergoeding van immateriële schade en om die reden op een proceskostenvergoeding.

19. De rechtbank vindt aanleiding verweerder en de Staat elk voor de helft te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op in totaal € 1.536 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512 en een wegingsfactor 1,5 voor vijf samenhangende zaken). Ook voor de proceskostenvergoeding is naar het oordeel van de rechtbank sprake van samenhangende zaken, omdat de werkzaamheden van de gemachtigde in alle zaken (nagenoeg) identiek konden zijn en waren. Voor [X] en in mindere mate eiseres speelde weliswaar een wat andere kwestie, maar in de gronden van het beroep is daar niet afzonderlijk aandacht aan besteed. Daarom wordt in deze zaak de vergoeding bepaald op 1/5 x € 1.536 = € 307,20. Daarvan dienen de Staat en verweerder elk de helft te dragen, oftewel € 153,60. Daarnaast wordt zij beiden veroordeeld tot vergoeding van 1/10 x € 28,34 = € 2,83 in verband met reiskosten. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    veroordeelt verweerder tot vergoeding van de door eiseres geleden immateriële schade tot een bedrag van € 1.183;

  • -

    veroordeelt de Staat tot vergoeding van de door eiseres geleden immateriële schade tot een bedrag van € 17;

  • -

    veroordeelt verweerder en de Staat in de proceskosten van eiseres, elk tot een bedrag van € 156,43;

  • -

    bepaalt dat verweerder en de Staat elk van het betaalde griffierecht € 169 aan eiseres dienen te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Eskes, voorzitter, mr. F.M. Smit en mr. A.M.F. Geerling, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Roosma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

1 Zie Hoge Raad 4 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:357.

2 Vergelijk Hoge Raad 22 maart 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5225, en Hoge Raad 11 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5401.